Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 15 juli 2025, met bijlagen;
- het antwoord;
- de e-mail van Woonstad van 28 oktober 2025, met bijlage.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak, behandeld door de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 12 december 2025, staat de huurachterstand van gedaagde centraal. Gedaagde huurt sinds 11 mei 2007 een woning van Stichting Woonstad Rotterdam, met een maandhuur van € 564,18. Tot en met november 2025 heeft gedaagde een huurachterstand van € 4.299,40 opgebouwd. Woonstad vordert betaling van deze achterstand en heeft aanvankelijk ook ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning geëist, maar deze vorderingen zijn tijdens de zitting ingetrokken. Gedaagde erkent de huurachterstand, maar stelt dat zij door een wijziging in haar inschrijving bij de gemeente Rotterdam in financiële problemen is gekomen, wat heeft geleid tot een korting op haar AOW en het stopzetten van haar huurtoeslag.
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de huurachterstand van € 4.299,40 moet betalen, maar wijst de vordering tot betaling van rente af. Dit is gebaseerd op de oneerlijke bepalingen in de algemene voorwaarden van Woonstad, die boetes opleggen voor te late betalingen. De kantonrechter concludeert dat deze bepalingen in strijd zijn met de wet en dus niet kunnen worden ingeroepen. Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die zijn begroot op € 1.254,45. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat Woonstad het vonnis onmiddellijk kan uitvoeren, ook als gedaagde in hoger beroep gaat.
De beslissing van de kantonrechter is als volgt: gedaagde moet € 4.299,40 aan Woonstad betalen, de proceskosten van € 1.254,45 zijn voor rekening van gedaagde, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Alle andere vorderingen zijn afgewezen.