ECLI:NL:RBROT:2025:14953

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11761756 CV EXPL 25-14133
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurgeschil over facturen naar onjuist adres gestuurd

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een huurgeschil tussen [eiseres] en [gedaagde]. De partijen hebben op 8 september 2022 een overeenkomst gesloten waarbij [gedaagde] een oplegger huurde van [eiseres] voor een maandelijkse huurprijs van € 695,- exclusief btw. [eiseres] stelt dat [gedaagde] een betalingsachterstand heeft van € 4.174,57 en vordert betaling van dit bedrag, inclusief rente en buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] erkent de betalingsachterstand, maar betwist dat zij de facturen heeft ontvangen, omdat deze naar een onjuist postbusadres zijn gestuurd. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de facturen [gedaagde] niet hebben bereikt, omdat deze naar een postbusadres zijn gestuurd dat niet van [gedaagde] is. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de achterstallige facturen moet betalen, maar geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is, omdat zij pas na dagvaarding in verzuim is geraakt. De proceskosten worden gecompenseerd, omdat [eiseres] zelf heeft bijgedragen aan de procedure door de facturen niet naar het juiste adres te sturen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11761756 CV EXPL 25-14133
datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. M. Beuting,
tegen
[gedaagde],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door de heer [persoon A] .
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 17 juni 2025, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord van 3 juli 2025;
  • de repliek;
  • de dupliek, met één bijlage;
  • de nadere conclusie van [eiseres] , met bijlagen;
  • de e-mail van [gedaagde] van 17 november 2025.

2.De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben op 8 september 2022 een overeenkomst gesloten, op basis waarvan [gedaagde] van [eiseres] een oplegger huurde. De maandelijkse huurprijs bedroeg € 695,- exclusief btw en moest door [eiseres] vinnen 30 dagen na de factuurdatum via automatische incasso betaald worden. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] niet alle facturen betaald en is er sprake van een betalingsachterstand van € 4.174,57. Daarom eist [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld dat bedrag, met rente en buitengerechtelijke kosten, aan haar te betalen.
2.2.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de eis van [eiseres] . [gedaagde] erkent dat zij de achterstallige facturen moet betalen, maar stelt dat de facturen allemaal naar een postbusadres zijn gestuurd, die niet van [gedaagde] is. Daarnaast stelt [gedaagde] dat ook de gemachtigde van [eiseres] in eerste instantie ook dat onjuiste postbusadres en een onjuist
e-mailadres heeft gebruikt, maar dat er uiteindelijk in 2024 wel aanmaningen aan [gedaagde] zijn gestuurd. Volgens [gedaagde] heeft zij de automatische incassobetalingen telkens gestorneerd, omdat anders haar boekhouding niet zou kloppen. [gedaagde] wil de factuurbedragen na ontvangst van de juiste facturen wel betalen, maar niet alle bijkomende kosten.
2.3.
De uitkomst is dat [gedaagde] de achterstallige facturen moet betalen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 juli 2025. [gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[gedaagde] moet de achterstallige facturen van in totaal € 4.174,57 aan [eiseres] betalen
2.4.
[gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van de in de facturen genoemde bedragen. Zij heeft in dat verband zelfs aangevoerd de factuurbedragen ook wel te willen betalen, maar dat zij dan wel de juiste facturen – met juiste adressering – wil ontvangen. Los van het feit dat [eiseres] de door [gedaagde] bedoelde aangepaste facturen inmiddels ook in het geding heeft gebracht, betekent dit in elk geval dat [gedaagde] de achterstallige factuurbedragen alsnog aan [gedaagde] moet voldoen. Daarom wordt [gedaagde] veroordeeld € 4.174,57 aan [eiseres] te betalen.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente vanaf 18 juli 2025 betalen
2.5.
In de overeenkomst tussen partijen is bepaald dat de huurprijs van de oplegger telkens binnen 30 dagen na de factuurdatum door [gedaagde] moet zijn betaald. Gelet op het bepaalde in artikel 6:83 aanhef en onder a BW is [gedaagde] na het verstrijken van de termijn van 30 dagen na de factuurdatum zonder ingebrekestelling in verzuim. Voor het intreden van verzuim is dan wel vereist dat de facturen [gedaagde] hebben bereikt.
2.6.
Vast staat dat [eiseres] alle facturen aan [eiseres] heeft gericht aan een postbusadres, te weten ‘Postbus [postbusnummer] ( [postcode 1] ) Pijnacker’. [gedaagde] heeft betwist dat dit postbusadres van haar is en heeft aangegeven zelfs in het geheel geen postbusadres te hebben. [eiseres] heeft daartegen slechts aangevoerd dat het op grond van toepasselijke algemene voorwaarden op de weg van [gedaagde] lag om [eiseres] direct te informeren in het geval van een adreswijziging en dat de omstandigheid dat [gedaagde] de facturen niet heeft ontvangen voor haar eigen rekening en risico komt. De kantonrechter volgt [eiseres] daarin echter niet. In de overeenkomst is immers als adres van [gedaagde] uitsluitend opgenomen ‘ [adres] ( [postcode 2] ) Bergschenhoek’. Het postbusadres, waar [eiseres] haar facturen aan heeft gericht, is niet in de overeenkomst terug te vinden. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] op enige andere wijze aan [eiseres] heeft medegedeeld dat zij facturen en brieven naar het bewuste postbusadres kon sturen. Van een wijziging van het adres van [gedaagde] , zoals [eiseres] heeft gesteld, is dan ook niets gebleken. [eiseres] heeft verder ook niet toegelicht waarom zij, in afwijking van het in de overeenkomst vermelde adres, de facturen naar het postbusadres heeft gestuurd. Gelet hierop gaat de kantonrechter er dan ook van uit dat de facturen [gedaagde] niet hebben bereikt.
2.7.
Ook de gemachtigde van [eiseres] heeft haar brieven aanvankelijk aan het genoemde postbusadres gericht. Vanaf oktober 2024 heeft de gemachtigde van [eiseres] haar aanmaningen van 10 oktober 2024, 24 november 2024 en 28 november 2024 wel naar het juiste adres van [gedaagde] in Bergschenhoek gestuurd en [gedaagde] heeft de ontvangst daarvan ook niet betwist. In die aanmaningen wordt echter enkel melding gemaakt van een openstaande hoofdsom van € 4.174,57, zonder dat beschreven wordt waarop dit bedrag ziet en waaruit dit bedrag exact bestaat. Uit de aanmaningen is dan ook niet af te leiden dat deze vordering betrekking heeft op de facturen, waarvan [eiseres] in deze procedure betaling vordert. Ook is niet gesteld of gebleken dat de gemachtigde van [eiseres] de onderliggende facturen op enig moment aan [gedaagde] heeft toegezonden. Daarom moet er van worden uitgegaan dat [gedaagde] pas bij dagvaarding voor de eerste maal de gevorderde facturen onder ogen heeft gekregen.
2.8.
Omdat de facturen [gedaagde] feitelijk pas bij dagvaarding hebben bereikt, kan de genoemde betalingstermijn van 30 dagen ook niet eerder zijn aangevangen dan op de datum van de dagvaarding. Dit leidt er toe dat [gedaagde] pas op 18 juli 2025 in verzuim is geraakt. De door [eiseres] gevorderde wettelijke handelsrente wordt daarom over het bedrag van € 4.174,57 toegewezen vanaf 18 juli 2025.
[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
2.9.
[eiseres] maakt aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Voor toewijzing daarvan is vereist dat [gedaagde] in verzuim is met de betalingsverplichting. Zoals hiervoor is overwogen is [gedaagde] echter pas ná dagvaarding in verzuim geraakt met de betaling van de facturen. Dat betekent dat er nog geen sprake was van verzuim op het moment dat de gemachtigde van [eiseres] buitengerechtelijke werkzaamheden verrichte.
Daarom bestaat er geen aanleiding [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dat deel van de eis van [eiseres] wordt daarom afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
2.10.
In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt. Ondanks dat [gedaagde] wel veroordeeld wordt de factuurbedragen alsnog aan [eiseres] te betalen, heeft [eiseres] er namelijk zelf mede aan bijgedragen dat onderhavige procedure is gestart. [eiseres] had immers de procedure mogelijk kunnen voorkomen door de facturen direct naar het juiste adres van [eiseres] te sturen. Voldoende vast staat dat zij dat niet heeft gedaan en dat de facturen ook niet (alsnog) voorafgaand aan de procedure door de gemachtigde van [eiseres] aan [gedaagde] zijn gestuurd, maar pas door middel van betekening van de dagvaarding aan [gedaagde] zijn verstrekt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 4.174,57 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf 18 juli 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten dragen;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
44487