ECLI:NL:RBROT:2025:14959

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11825247 VZ VERZ 25-5508
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking inzake achterstallig loon, vakantiegeld, vakantiedagen en transitievergoeding

In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, uitgesproken op 21 november 2025, is de kantonrechter ingegaan op een verzoek van [verzoeker] tegen [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] met betrekking tot achterstallig loon, vakantiegeld, vakantiedagen en transitievergoeding. De procedure is voortgekomen uit een eerdere zaak waarin [verzoeker] vorderingen had ingesteld tegen [verweerder 2] c.s. voor betaling van achterstallig loon over de periode van december 2024 tot de einddatum van zijn dienstverband, alsook vakantiegeld en vakantiedagen. De kantonrechter heeft in een eerder vonnis van 8 augustus 2025 al een deel van de vorderingen inhoudelijk beoordeeld en de procedure omgezet naar een verzoekschriftprocedure.

In de huidige beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat [verweerder 2] c.s. een bedrag van € 549,16 bruto aan vakantiegeld over de periode van juni 2023 tot en met mei 2024 aan [verzoeker] moeten betalen. Daarnaast is vastgesteld dat [verweerder 2] c.s. € 1.996,29 bruto aan vakantiegeld over de periode van juni 2024 tot en met mei 2025 verschuldigd zijn, en dat zij een transitievergoeding van € 16.097,58 bruto aan [verzoeker] moeten betalen. Ook is er een bedrag van € 4.474,62 bruto aan loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 19 mei 2025 vastgesteld, evenals € 2.699,52 bruto aan opgebouwde, niet genoten vakantiedagen.

De kantonrechter heeft de wettelijke verhoging en wettelijke rente toegewezen, maar heeft de gevorderde wettelijke verhoging gematigd tot 10% gezien de betalingsonmacht van [verweerder 2] c.s. De proceskosten zijn begroot op € 1.681,- en komen voor rekening van [verweerder 2] c.s. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de uitspraak onmiddellijk kan worden uitgevoerd, ook als er hoger beroep wordt aangetekend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11825247 VZ VERZ 25-5508
datum uitspraak: 21 november 2025
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. W.P. Bekenkamp te Schiedam,
tegen

1.[verweerder 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
3. [verweerder 3],
wonende te [woonplaats 3] ,
verweerders,
vertegenwoordigd door verweerder sub 2, [verweerder 2] .
Verzoeker wordt hierna ‘ [verzoeker] ’ genoemd. Verweerders worden afzonderlijk ‘ [verweerder 1] ’, ‘ [verweerder 2] ’ en ‘ [verweerder 3] ’ en gezamenlijk ‘ [verweerder 2] c.s.’ (in meervoud) genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het vonnis van 8 augustus 2025 in de procedure met zaaknummer 11722550 CV EXPL 25-12646 en de daarin genoemde stukken;
  • de e-mail van [verzoeker] van 11 september 2025;
  • de e-mail van [verweerder 2] c.s. van 30 september 2025, met bijlagen;
  • de e-mail van [verzoeker] van 9 oktober 2025;
  • de e-mail van [verzoeker] van 22 oktober 2025, met één bijlage;
  • de e-mail van [verweerder 2] c.s. van 27 oktober 2025, met één bijlage.

2.De verdere beoordeling

2.1.
[verzoeker] heeft in de procedure met zaaknummer 11722550 CV EXPL 25-12646 bij dagvaarding gevorderd om – kort samengevat – [verweerder 2] c.s. te veroordelen tot betaling van achterstallige loon over de periode van december 2024 tot aan de einddatum van zijn dienstverband bij [verweerder 2] c.s. en het vakantiegeld over de periode van juni 2023 tot juni 2025. Daarnaast heeft [verzoeker] gevorderd om [verweerder 2] c.s. te veroordelen tot uitbetaling van de vakantiedagen over de periode van juni 2024 tot 17 augustus 2025 en tot betaling van de transitievergoeding, met de wettelijke rente en wettelijke verhoging over al deze bedragen. [verweerder 2] c.s. hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van [verzoeker] , waarna de zaak tijdens de mondelinge behandeling op 23 juli 2025 met partijen is besproken.
2.2.
In het vonnis van 8 augustus 2025 heeft de kantonrechter vervolgens bepaald dat de procedure wordt omgezet naar een verzoekschriftprocedure en zal worden voortgezet onder het hiervoor genoemde zaaknummer 11825247 VZ 25-5508. In dat vonnis heeft de kantonrechter op een groot deel van de vorderingen van [verzoeker] al inhoudelijk beslist. Daarnaast zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich op een aantal punten nog nader schriftelijk uit te laten, van welke gelegenheid zij ook gebruik hebben gemaakt. Daarop zal hierna verder worden ingegaan.
[verweerder 2] c.s. moeten € 549,16 bruto aan vakantiegeld over de periode van juni 2023 tot en met mei 2024 aan [verzoeker] betalen
2.3.
[verweerder 2] c.s. zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag welke betalingen zij aan [verzoeker] hebben verricht ten aanzien van het vakantiegeld over de periode van juni 2023 tot en met mei 2024. In verband daarmee hebben zij betalingsbewijzen overgelegd, waaruit volgt dat zij 10 termijnen van € 137,29 aan [verzoeker] hebben betaald. [verzoeker] heeft de ontvangst van die betalingen bevestigd en heeft zijn vordering op dit punt verminderd tot een bedrag van € 549,16 bruto. Dat bedrag zal daarom worden toegewezen.
[verweerder 2] c.s. moeten € 1.996,29 bruto aan vakantiegeld over de periode van juni 2024 tot en met mei 2025 aan [verzoeker] betalen
2.4.
[verweerder 2] c.s. hebben aangevoerd dat in het vonnis van 8 augustus 2025 het toe te wijzen bedrag aan vakantiegeld te hoog is vastgesteld omdat deze ten onrechte is berekend over 100% van het loon van [verzoeker] . Daarin hebben [verweerder 2] c.s. gelijk. Vast staat immers dat [verzoeker] met ingang vanaf het tweede ziektejaar, dus vanaf de maand december 2024 slechts recht heeft op 70% van het loon. Dat betekent dat het vakantiegeld vanaf december 2024 berekend moet worden over 70% van het loon in plaats van 100%.
2.5.
Het voorgaande leidt er toe dat [verzoeker] over de maanden juni tot en met november 2024 recht heeft op een bedrag van € 1.174,29 bruto aan vakantiegeld
((6 x € 2.446,44) x 8%) en over de maanden december 2024 tot en met mei 2025 een bedrag van € 822,- bruto ((6 x 70% van € 2.446,44) x 8%). In totaal heeft [verzoeker] over de periode van juni 2024 tot en met mei 2025 dus recht op € 1.996,29 bruto (€ 1.174,29 +
€ 822,-) aan vakantiegeld. In afwijking van hetgeen hierover in het vonnis van 8 augustus 2025 is overwogen zal het laatstgenoemde bedrag van € 1.996,29 bruto dan ook worden toegewezen.
[verweerder 2] c.s. moeten een transitievergoeding van € 16.097,58 bruto aan [verzoeker] betalen
2.6.
In het vonnis van 8 augustus 2025 is al geoordeeld dat [verweerder 2] c.s. de transitievergoeding ten bedrage van € 16.097,58 bruto aan [verzoeker] verschuldigd zijn. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat de procedure enige tijd zou worden aangehouden zodat [verweerder 1] , met hulp van de gemachtigde van [verzoeker] , een aanvraag voor compensatie van de transitievergoeding door het UWV (artikel 7:673e BW) kon indienen. Naar aanleiding daarvan heeft [verzoeker] laten weten dat zijn gemachtigde contact heeft opgenomen met het UWV en dat het UWV daarbij te kennen heeft gegeven dat compensatie van de verschuldigde transitievergoeding in dit geval niet mogelijk is. Het UWV heeft dat gemotiveerd door er onder meer op te wijzen dat [verzoeker] op de datum van het einde van de arbeidsovereenkomst nog geen 104 aaneengesloten weken arbeidsongeschikt was en dat compensatie daarnaast slechts kan worden aangevraagd als de transitievergoeding eerst door [verweerder 2] c.s. aan [verzoeker] is betaald, hetgeen niet het geval is.
2.7.
Hoewel tijdens de zitting is toegezegd dat de gemachtigde van [verzoeker] een conceptbrief voor het UWV in het kader van de aanvraag voor de compensatieregeling aan [verweerder 2] c.s. zou toesturen, kan het [verzoeker] in de gegeven omstandigheden niet verweten worden dat zijn gemachtigde dat niet meer heeft gedaan. Gelet op de door [verweerder 2] c.s. onweersproken gelaten uitkomst van het overleg met het UWV zou het indienen van een aanvraag immers geen kans van slagen en daarom geen enkel praktisch nut hebben gehad.
2.8.
Dat [verweerder 2] c.s. niet in aanmerking komen voor de compensatieregeling inzake de transitievergoeding doet niets af aan het feit dat zij de transitievergoeding wel aan [verzoeker] verschuldigd zijn. De enkele omstandigheid dat er sprake is van betalingsonmacht aan de zijde van [verweerder 2] c.s. ontslaat hen niet van hun betalingsverplichting. [verweerder 2] c.s. worden dan ook veroordeeld de transitievergoeding van € 16.097,58 bruto aan [verzoeker] te betalen.
[verweerder 2] c.s. moeten tevens € 4.474,62 bruto aan loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 19 mei 2025 aan [verzoeker] betalen
2.9.
Zoals al in het vonnis van 8 augustus 2025 is geoordeeld moeten [verweerder 2] c.s. 70% van het loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 19 mei 2025 aan [verzoeker] betalen. Dat betekent dat [verzoeker] over de maanden maart en april 2025 recht heeft op een bedrag van € 3.425,02 bruto (2 x 70% van € 2.446,44) en over de periode van 1 mei 2025 tot en met 19 mei 2025 op een bedrag van € 1.049,60 bruto (19/31 x 70% van
€ 2.446,44). [verweerder 2] c.s. worden dan ook veroordeeld een totaalbedrag van
€ 4.474,62 bruto (€ 3.425,02 + € 1.049,60) aan [verzoeker] te betalen terzake van loon over de hiervoor genoemde periode.
[verweerder 2] c.s. moeten voorts € 2.699,52 bruto aan opgebouwde, niet genoten vakantiedagen aan [verzoeker] uitbetalen
2.10.
In het vonnis van 8 augustus 2025 is ook al geoordeeld dat [verzoeker] ten aanzien van de door hem opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen over de periode van juni 2024 tot en met mei 2025 recht heeft op uitbetaling van een bedrag van € 2.249,60 bruto en over de periode van 1 juni 2025 tot 17 augustus 2025 van een bedrag van € 449,92 bruto. De kantonrechter volgt [verweerder 2] c.s. niet in hun stelling dat [verzoeker] over de laatstgenoemde periode geen recht heeft op uitbetaling van vakantiedagen, omdat hij toen al een Ziektewetuitkering ontving. De opbouw van vakantiedagen loopt namelijk – ongeacht de arbeidsongeschiktheid van de werknemer – tijdens ziekte gedurende 104 weken door tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst per 17 augustus 2025. De omstandigheid dat [verweerder 1] per 20 mei 2025 haar bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt maakt dat niet anders en moet in dit verband voor rekening van [verweerder 2] c.s. blijven.
2.11.
Het bovenstaande leidt er toe dat [verweerder 2] c.s. worden veroordeeld een totaalbedrag van € 2.699,52 bruto (€ 2.249,60 + € 449,92) aan opgebouwde, niet genoten vakantiedagen aan [verzoeker] te betalen.
[verweerder 2] c.s. moeten de wettelijke verhoging en wettelijke rente betalen
2.12.
[verweerder 2] c.s. moeten de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW over het hiervoor genoemde achterstallige loon over de periode 1 maart 2025 tot en met 19 mei 2025, het vakantiegeld en de opgebouwde, niet genoten vakantiedagen betalen, omdat zij die bedragen niet op tijd hebben voldaan. Gezien de slechte financiële situatie van [verweerder 2] c.s. en het feit dat [verweerder 1] sinds 20 mei 2025 haar activiteiten heeft beëindigd is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk dat er niet zozeer sprake is van betalingsonwil, maar eerder van betalingsonmacht. Onder die omstandigheden bestaat er aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot 10%.
2.13.
Ook de wettelijke rente over de hiervoor in r.o. 2.12. genoemde achterstallige bedragen wordt toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing vermeld. [verzoeker] heeft namelijk voldoende gesteld waaruit blijkt dat [verweerder 2] c.s. rente moeten betalen en [verweerder 2] c.s. hebben daartegen geen inhoudelijk verweer gevoerd.
De kantonrechter kan geen betalingsregeling in deze beschikking opnemen
2.14.
[verweerder 2] c.s. hebben in hun laatste akte te kennen gegeven dat zij slechts aan hun betalingsverplichtingden kunnen voldoen door middel van een betalingsregeling. De kantonrechter kan echter geen betalingsregeling opnemen in deze beschikking. Daarvoor is namelijk instemming van [verzoeker] nodig (artikel 6:29 BW) en die ontbreekt vooralsnog. Het staat [verweerder 2] c.s. uiteraard vrij na ontvangst van deze beschikking contact op te nemen met de gemachtigde van [verzoeker] om te bezien of [verzoeker] alsnog een betalingsregeling wil afspreken.
[verweerder 2] c.s. moeten de proceskosten betalen
2.15.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder 2] c.s., omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerder 2] c.s. aan [verzoeker] moeten betalen op € 732,- aan griffierecht, € 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.681,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. De kosten van de dagvaarding blijven voor rekening van [verzoeker] . Nog afgezien van het feit dat [verzoeker] met een toevoeging procedeert, zijn die kosten immers nodeloos gemaakt, omdat [verzoeker] deze procedure eigenlijk had moeten inleiden met een verzoekschrift.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.16.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [verweerder 2] c.s. om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van
€ 4.474,62 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 19 mei 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de vervaltermijn van iedere salaristermijn tot de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW ter hoogte van 10%;
3.2.
veroordeelt [verweerder 2] c.s. om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van
€ 549,16 bruto aan achterstallig vakantiegeld over de periode van juni 2023 tot en met mei 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW ter hoogte van 10%;
3.3.
veroordeelt [verweerder 2] c.s. om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van
€ 1.996,29 bruto aan vakantiegeld over de periode van juni 2024 tot en met mei 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW ter hoogte van 10%;
3.4.
veroordeelt [verweerder 2] c.s. om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van
€ 2.699,52 bruto aan opgebouwde, niet genoten vakantiedagen over de periode van 1 juni 2024 tot 17 augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW ter hoogte van 10%;
3.5.
veroordeelt [verweerder 2] c.s. om aan [verzoeker] de transitievergoeding van € 16.097,58 bruto te betalen;
3.6.
veroordeelt [verweerder 2] c.s. in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] worden begroot op € 1.681,-, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag dat volledig is betaald;
3.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
44487