In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, uitgesproken op 21 november 2025, is de kantonrechter ingegaan op een verzoek van [verzoeker] tegen [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] met betrekking tot achterstallig loon, vakantiegeld, vakantiedagen en transitievergoeding. De procedure is voortgekomen uit een eerdere zaak waarin [verzoeker] vorderingen had ingesteld tegen [verweerder 2] c.s. voor betaling van achterstallig loon over de periode van december 2024 tot de einddatum van zijn dienstverband, alsook vakantiegeld en vakantiedagen. De kantonrechter heeft in een eerder vonnis van 8 augustus 2025 al een deel van de vorderingen inhoudelijk beoordeeld en de procedure omgezet naar een verzoekschriftprocedure.
In de huidige beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat [verweerder 2] c.s. een bedrag van € 549,16 bruto aan vakantiegeld over de periode van juni 2023 tot en met mei 2024 aan [verzoeker] moeten betalen. Daarnaast is vastgesteld dat [verweerder 2] c.s. € 1.996,29 bruto aan vakantiegeld over de periode van juni 2024 tot en met mei 2025 verschuldigd zijn, en dat zij een transitievergoeding van € 16.097,58 bruto aan [verzoeker] moeten betalen. Ook is er een bedrag van € 4.474,62 bruto aan loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 19 mei 2025 vastgesteld, evenals € 2.699,52 bruto aan opgebouwde, niet genoten vakantiedagen.
De kantonrechter heeft de wettelijke verhoging en wettelijke rente toegewezen, maar heeft de gevorderde wettelijke verhoging gematigd tot 10% gezien de betalingsonmacht van [verweerder 2] c.s. De proceskosten zijn begroot op € 1.681,- en komen voor rekening van [verweerder 2] c.s. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de uitspraak onmiddellijk kan worden uitgevoerd, ook als er hoger beroep wordt aangetekend.