ECLI:NL:RBROT:2025:14960

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/10/707824 / KG RK 25-1032
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkoop van lading en internationale bevoegdheid in geschil tussen Anaco B.V. en Benelux Barging B.V.

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 22 december 2025 uitspraak gedaan op het verzoek van Anaco B.V. om de lading van het binnenvaarttankschip MTS Tamanaco te verkopen. Anaco heeft het schip in tijdbevrachting gegeven aan Benelux Barging B.V., die het vervolgens in ondertijdbevrachting heeft gegeven aan Verde Marine Energy B.V. Er is een geschil ontstaan over de betaling van vracht en de terugleveringsverplichting van Benelux Barging. Anaco stelt een retentierecht op de lading te hebben, die zich op dat moment aan boord van het MTS Esco in Antwerpen bevond. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat hij internationaal bevoegd is om op het verzoek te beschikken, en dat Nederlands recht van toepassing is. Het verzoek van Anaco om de lading te verkopen is grotendeels toegewezen, met de aanstelling van LINDSAY BLEE & CO Ltd. als verkopende partij. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat de verkoop op marktconforme voorwaarden moet plaatsvinden en dat de opbrengst kan worden aangewend voor de kosten die verband houden met de verkoop.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/707824 / KG RK 25-1032
Beschikking van de voorzieningenrechter van 22 december 2025
op het verzoek van
ANACO B.V.,
vestigingsplaats: Antwerpen (België),
verzoekende partij,
advocaten: mrs. R.L. Latten en A.N. Kremer Hovinga,
met als belanghebbenden

1.BENELUX BARGING B.V.,

vestigingsplaats: Zwijndrecht,
advocaat: mr. R.A.D. Blaauw,
2. VERDE MARINE ENERGY B.V.,
vestigingsplaats: Rhoon,
advocaat: mr. I.B. Jansse.
Partijen worden hierna Anaco, Benelux Barging en Verde Marine genoemd. Benelux Barging en Verde Marine worden samen Benelux Barging c.s. genoemd.

1.Waar gaat de zaak over?

1.1.
Anaco heeft het binnenvaarttankschip MTS Tamanaco in tijdbevrachting gegeven
aan Benelux Barging, die het schip vervolgens in ondertijdbevrachting heeft gegeven aan Verde Marine. Tussen Anaco en Benelux Barging is een geschil ontstaan over de betaling van verschuldigde vracht en de terugleveringsverplichting van Benelux Barging ten tijde van de beëindiging van de overeenkomst van tijdbevrachting. Aan boord van de MTS Tamanaco bevond zich ten tijde van de beëindiging van die overeenkomst nog een lading van ongeveer 637,588 mt Gasolie UN 1202. Anaco stelt dat zij op goede gronden een retentierecht uitoefent op deze lading. De lading bevindt zich nu aan boord van het MTS Esco (MMSI: 218030600), liggend in Antwerpen (België). Anaco verzoekt in deze zaak – kort gezegd en zo begrijpt de voorzieningenrechter – om haar te machtigen om de lading te laten verkopen. Benelux Barging c.s. voeren verweer. Zij stellen zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat de voorzieningenrechter internationaal onbevoegd is om op het verzoek te beschikken en, in het geval dat dit verweer niet slaagt, dat Nederlands recht niet van toepassing is, dat Anaco geen geldig retentierecht uitoefent en dat verkoop van de lading buitenproportioneel is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van Anaco grotendeels toe. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift, ontvangen op 3 oktober 2025, met bijlagen 1 tot en met 21;
  • de brief van 4 november 2025 van Anaco, met een correctie op het verzoekschrift;
  • de aanvullende bijlagen 22 tot en met 25 van Anaco;
  • het verweerschrift van Benelux Barging, met bijlagen 1 tot en met 6;
  • het verweerschrift van Verde Marine, met bijlagen 1A tot en met 1O en 2;
  • de aanvullende bijlagen 1P tot en met 1U en 3 van Verde Marine;
  • de mondelinge behandeling op 9 december 2025;
  • de spreekaantekeningen van mrs. Latten en Kremer Hovinga;
  • de spreekaantekeningen van mr. Blaauw;
  • de spreekaantekeningen van mr. Jansse.

3.De beoordeling

De voorzieningenrechter is internationaal bevoegd
3.1.
Het meest ver strekkende verweer van Benelux Barging c.s. is dat de voorzieningenrechter internationaal onbevoegd is om op het verzoek van Anaco te beschikken. Dit verweer wordt verworpen; de voorzieningenrechter is internationaal bevoegd.
3.2.
De internationale bevoegdheid van de voorzieningenrechter moet worden beoordeeld aan de hand van Brussel I bis (de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)). Brussel I bis is namelijk materieel, formeel en temporeel van toepassing.
3.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het onderhavige verzoek zijn oorsprong vindt in, althans verband houdt met, de tussen Anaco en Benelux Barging gesloten overeenkomst van tijdbevrachting. Het geschil tussen partijen ontstond immers toen Anaco zich op de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van Benelux Barging beriep en stelde dat Benelux Barging niet nakwam, waarna Anaco een retentierecht op de lading uitoefende. Anaco beroept zich voor wat betreft het onderhavige verzoek onder meer ook op de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van Benelux Barging, meer specifiek op de verplichting van Benelux Barging om de verschuldigde vracht (en overige kosten) te betalen, om te rechtvaardigen dat zij wordt gemachtigd om de lading te verkopen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat voor de internationale bevoegdheid om op het verzoek van Anaco te beschikken beslissend is welke rechter internationaal bevoegd is ten aanzien van geschillen die voortvloeien uit de tussen Anaco en Benelux Barging gesloten overeenkomst van tijdbevrachting.
3.4.
In artikel 14 van de tussen Anaco en Benelux Barging gesloten overeenkomst van tijdbevrachting is de rechtbank Rotterdam aangewezen als de “
legal competent court”, zonder dat daarbij een beperking is aangebracht voor het type geschil. De voorzieningenrechter begrijpt dit forumkeuzebeding daarom zo, dat partijen de rechtbank Rotterdam hebben aangewezen als de bevoegde rechter om kennis te nemen van alle tussen hen gerezen geschillen die voortvloeien uit de tussen hen gesloten overeenkomst van tijdbevrachting. Hiervoor is al geoordeeld dat het onderhavige verzoek tot verkoop van de lading zijn oorsprong vindt in, althans verband houdt met, die overeenkomst. Het forumkeuzebeding schept dan ook op grond van artikel 25, lid 1 sub a, Brussel I bis internationale bevoegdheid voor (de voorzieningenrechter in) de rechtbank Rotterdam om op het verzoek van Anaco te beschikken.
3.5.
Hoewel Verde Marine geen partij is bij de tussen Anaco en Benelux Barging gesloten overeenkomst van tijdbevrachting en die overeenkomst daarom niet zonder meer internationale bevoegdheid voor (de voorzieningenrechter in) de rechtbank Rotterdam ten aanzien van Verde Marine schept, bestaat er zo’n nauwe band tussen het verzoek van Anaco tegenover Benelux Barging en het verzoek van Anaco tegenover Verde Marine dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting om te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (artikel 8, lid 1, Brussel I bis). Daarbij kan in het midden blijven of de verhoudingen tussen partijen in dit geval meebrengen dat Anaco zich ook tegenover Verde Marine op de forumkeuze kan beroepen. De voorzieningenrechter is dus ook internationaal bevoegd voor zover het verzoek van Anaco zich richt tegen Verde Marine.
3.6.
De omstandigheden dat de lading zich op dit moment niet in Nederland bevindt en dat in de tussen Anaco en Benelux Barging gesloten overeenkomst van tijdbevrachting een loshaven in België is aangewezen, en de overige stellingen die Benelux Barging c.s. met betrekking tot de internationale bevoegdheid van de voorzieningenrechter hebben ingenomen, doen aan al het voorgaande niet af. Dat zijn immers geen omstandigheden en/of stellingen die volgens de relevante artikelen van Brussel I bis van belang zijn bij het bepalen van de internationale bevoegdheid om op het verzoek van Anaco te beschikken. Ten overvloede, deze beschikking wordt in de overige lidstaten die partij zijn bij Brussel I bis, waaronder België, erkend zonder vorm van proces (artikel 36, lid 1, Brussel I bis).
Nederlands recht is van toepassing
3.7.
Het toepasselijk recht moet worden beoordeeld aan de hand van Rome I (de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst) voor zover het betreft het verzoek van Anaco tegenover Benelux Barging. Rome I is namelijk materieel, formeel en temporeel van toepassing.
3.8.
Zoals hiervoor al is geoordeeld (zie 3.3.), vindt het onderhavige verzoek zijn oorsprong in, althans houdt het verband met, de tussen Anaco en Benelux Barging gesloten overeenkomst van tijdbevrachting. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat voor de vraag welk recht op het onderhavige verzoek van toepassing is, beslissend is welk recht van toepassing is op de tussen Anaco en Benelux Barging gesloten overeenkomst van tijdbevrachting.
3.9.
Die overeenkomst bevat in artikel 15 een rechtskeuzebeding, waarin Nederlands recht van toepassing wordt verklaard. Op grond van artikel 3, lid 1, Rome I wordt een overeenkomst beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat op het onderhavige verzoek Nederlands recht van toepassing is.
Het verzoek wordt toegewezen, maar wel onder voorwaarden
3.10.
De voorzieningenrechter komt nu toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van Anaco. Dat verzoek strekt ertoe te bepalen dat de lading van ongeveer 637,588 mt Gasolie UN 1202, die zich op dit moment aan boord van het MTS Esco (MMSI: 218030600) in Antwerpen (België) bevindt, wordt verkocht. Daarbij verzoekt Anaco – na wijziging van haar verzoek – om LINDSAY BLEE & CO Ltd. aan te stellen als de partij die namens Anaco de verkoop ter hand zal nemen. Tot slot verzoekt Anaco om te beslissen dat zij de verkoopopbrengst mag aanwenden tot voldoening van opslagkosten, erkende vrachtvorderingen en overige kosten drukkend op de lading tot en met de dag van verkoop en levering aan een koper.
3.11.
Artikel 8:955, lid 1, BW bepaalt – voor zover van belang – dat voor zover hij die tegenover de vervoerder recht heeft op aflevering van vervoerde zaken, deze weigert in ontvangst te nemen, de vervoerder gerechtigd is deze zaken voor rekening en gevaar van de rechthebbende bij een derde op te slaan in een daarvoor geschikte bewaarplaats of lichter. Van een weigering om de zaken in ontvangst te nemen is ook sprake, als de tot aflevering gerechtigde weigert te voldoen aan de verplichtingen die uit de inontvangstneming voortvloeien. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het betalen van de vracht. Artikel 8:957, lid 1, BW bepaalt dat in het geval van toepassing van artikel 8:955 BW de vervoerder op zijn verzoek door de rechter kan worden gemachtigd om de zaken geheel of gedeeltelijk op de door deze te bepalen wijze te verkopen. Deze bepalingen, in onderling verband bezien, hebben mede ten doel om de rechter een mogelijkheid te geven om een patstelling te doorbreken.
3.12.
Anaco stelt onder meer dat Benelux Barging niet bereid was tijdig uitsluitsel te geven over het weer ter beschikking stellen van het schip en de verschuldigde vracht te betalen of zekerheid te stellen en aldus weigerde de lading (met de vereiste spoed) in ontvangst te nemen in de zin van artikel 8:955 BW. Benelux Barging betwist dit en stelt dat zij het verschuldigde bedrag al klaar had staan en van plan en in staat was om het schip conform de afspraken in te leveren en dat het juist Anaco is die de lading zonder goede reden in bezit heeft genomen en weigert die vrij te geven. Voor zover Benelux Barging vracht verschuldigd zou zijn over de lading, stelt Benelux Barging zich op het standpunt dat zij die verplichting heeft opgeschort en mocht opschorten.
Verder trekt Anaco in twijfel of de gasolie (die zij inmiddels in een ander schip heeft laten opslaan) wel geheel aan Verde Marine toebehoort. Verde Marine stelt dat alle opgeslagen gasolie aan haar toebehoort en dat zij buiten haar schuld de dupe wordt van een conflict tussen Anaco en Benelux Barging.
3.13.
Deze standpunten zijn kenmerkend voor de huidige patstelling die tussen partijen bestaat. Partijen staan in ieder geval lijnrecht tegenover elkaar voor wat betreft het antwoord op de vragen (i) of Anaco terecht een retentierecht op de lading uitoefent, (ii) of Verde Marine eigenaar is van de lading, (iii) of Benelux Barging verschillende aanvullende kosten (bovenop de vracht) aan Anaco is verschuldigd, en zelfs (iv) welk type gasolie nu precies is opgeslagen in het MTS Esco (
low sulphurof
high sulphur). Deze procedure leent zich er echter niet voor om vast te stellen welke partij(en) het gelijk aan haar/hun zijde heeft/hebben. Daarvoor is de al door Anaco tegen Benelux Barging gestarte bodemprocedure (waarin Verde Marine mogelijk tussenkomt) de aangewezen procedure. In die procedure kan ook aan de orde komen of Benelux Barging zich al dan niet terecht op opschorting van de betaling van de verschuldigde vracht beroept en of Benelux Barging aanvullende kosten aan Anaco is verschuldigd.
3.14.
Op dit moment is slechts relevant dát Benelux Barging al maandenlang in ieder geval de ook in haar eigen opvatting in beginsel aan Anaco verschuldigde vracht niet heeft betaald en dat Benelux Barging in zoverre dus weigert de lading in ontvangst te nemen in de zin van artikel 8:955 BW. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 8:955, lid 1, BW.
Daarbij komt dat de voorzieningenrechter, op basis van facturen die Anaco als bijlagen 18, 22 en 23 in het geding heeft gebracht, constateert dat Anaco al voor € 563.320,00 aan opslagkosten voor de gasolie bij Benelux Barging in rekening heeft gebracht. Die kosten stijgen bovendien dagelijks met € 2.500,00 zolang de gasolie is opgeslagen in het MTS Esco. Al deze kosten moeten uiteindelijk in ieder geval door één van partijen worden betaald en het is om die reden in het belang van partijen dat zo snel mogelijk een einde komt aan de huidige situatie. In dit licht is het gerechtvaardigd en proportioneel dat Anaco op de voet van artikel 8:957, lid 1, BW wordt gemachtigd om de lading te verkopen. Het daartoe strekkende verzoek van Anaco wordt dan ook toegewezen.
Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat Anaco misbruik van recht maakt door te verzoeken te worden gemachtigd om de lading te laten verkopen, zoals Benelux Barging c.s. stellen. De omstandigheid dat deze situatie is ontstaan doordat Anaco mogelijk ten onrechte een retentierecht uitoefent is daartoe onvoldoende, ook in combinatie met de inderdaad zo langzamerhand erg hoge opslagkosten. Anaco is immers gehouden om de schade niet nodeloos te laten oplopen en met dit verzoek voldoet zij aan die verplichting. Daarbij is van belang dat de bedoeling van deze procedure is dat voor de gasolie een marktconforme prijs wordt verkregen.
Of alle olie die zich nu in het schip bevindt aan Verde Marine toebehoort, doet in dit verband niet ter zake. Voorshands gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat dit wel het geval is en kan dus de gehele lading worden verkocht. Zo nodig kan bij het later verdelen van de opbrengst rekening worden gehouden met dan mogelijk gebleken andere gegevens.
3.15.
Ook het verzoek van Anaco om LINDSAY BLEE & CO Ltd. aan te stellen als de partij die namens Anaco de verkoop ter hand zal nemen, wordt toegewezen. Anaco heeft gesteld dat die partij een bunkerleverancier/broker van faam is en onderbouwt dat in enige mate met een gedeeltelijke afdruk van de website van die partij, terwijl Benelux Barging c.s. hun stellingen dat Anaco probeert de lading te verkopen aan een bevriende partij, niet op normale voorwaarden en niet via een normale brandstof-broker, op geen enkele wijze handen en voeten hebben gegeven. Ook hebben zij geen alternatieve broker voorgesteld. Voorts hebben zij niet concreet gemaakt waarom het bezwaarlijk zou zijn als LINDSAY BLEE & CO Ltd. de verkoop ter hand zou nemen. De voorzieningenrechter ziet daar ook anderszins geen aanknopingspunten voor.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat de verkoop van de lading op marktconforme voorwaarden en tegen een marktconforme prijs moet plaatsvinden.
3.16.
Het verzoek van Anaco om te bepalen dat de verkoopopbrengst mag worden aangewend om de opslagkosten, erkende vrachtvorderingen en overige kosten drukkend op de lading tot en met de dag van verkoop en levering aan een koper te voldoen, wordt slechts voor een klein gedeelte toegewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.16.1.
Duidelijk is dat tussen partijen een meningsverschil bestaat over de verschuldigdheid van een aanzienlijk deel van de door Anaco bij Benelux Barging in rekening gebrachte kosten, waaronder ook de opslagkosten van € 563.320,00 (welke kosten inmiddels alleen maar zijn gestegen). De verschuldigdheid van deze kosten komt in de bodemprocedure tussen Anaco en Benelux Barging aan de orde, waarbij ook het beroep van Benelux Barging op opschorting en het beroep van Anaco op een retentierecht aan de orde komen. Daarbij past dat op dit moment slechts de kosten van de verkoop van de lading uit de verkoopopbrengst worden voldaan en niet ook de overige (slechts zeer ten dele erkende) vorderingen van Anaco. Daardoor is immers verzekerd dat de materiële verweren van Benelux Barging (en Verde Marine) in de bodemprocedure niet worden doorkruist.
3.16.2.
Verder is relevant dat de lading op dit moment nog niet is ingevoerd in de Europese ruimte. In het geval dat dit als gevolg van de verkoop van de lading wel gebeurt, is aannemelijk dat Verde Marine de verplichting draagt om accijnzen, voorraadheffingen, belastingen en/of invoerrechten over de lading te voldoen, voor zover die verplichting bij de verkoop niet overgaat op de koper van de lading.
Om een zo hoog mogelijke netto verkoopopbrengst te genereren, wat in het belang van alle partijen is, verbindt de voorzieningenrechter aan de machtiging de voorwaarde dat Anaco LINDSAY BLEE & CO Ltd. opdracht geeft de lading te verkopen aan een partij die deze voor het internationale scheepvaartverkeer benut of er anderszins voor zorgt dat geen of zo min mogelijk accijnzen, voorraadheffingen, belastingen en/of invoerrechten over de lading verschuldigd raken. Als dit onmogelijk blijkt, zullen deze mogelijke kosten ook uit de verkoopopbrengst mogen worden voldaan, omdat dit kosten zijn die rechtstreeks verband houden met de verkoop van de lading.
3.16.3.
Het restant van de verkoopopbrengst, na aftrek van de hiervoor genoemde (mogelijke) kostenposten, moet in de consignatiekas worden gestort. Nadat in de bodemprocedure is geoordeeld welke partij wat van de andere partij(en) te vorderen heeft/hebben, kan die partij zich (naar rato, gedeeltelijk) verhalen op de verkoopopbrengst in de consignatiekas.
3.17.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
machtigt Anaco om de lading van ongeveer 637,588 mt Gasolie UN 1202, die zich op dit moment aan boord van het MTS Esco (MMSI: 218030600) in Antwerpen (België) bevindt, te laten verkopen door:
LINDSAY BLEE & CO Ltd.
Chiltern House
45 Station Road
Henley-on-Thames
Oxfordshire
RG9 1AT
United Kingdom;
4.2.
bepaalt dat de verkoop van de lading op marktconforme voorwaarden en tegen een marktconforme prijs moet plaatsvinden, met inachtneming van 3.16.2.;
4.3.
bepaalt dat Anaco zich slechts voor de gemaakte kosten uit hoofde van de verkoop kan verhalen op de opbrengst van de verkoop, dat Verde Marine zich voor de eventueel over de lading verschuldigde accijnzen, voorraadheffingen, belastingen en/of invoerrechten kan verhalen op de opbrengst van de verkoop en dat het dan nog resterende saldo van de verkoop ter beschikking van de rechthebbenden in de consignatiekas moet worden gestort;
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
3349 / 106