ECLI:NL:RBROT:2025:14961

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/10/707951 / HA RK 25-977
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechter in civiele zaak ongegrond verklaard

Op 19 december 2025 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan op een wrakingsverzoek van een verzoeker tegen mr. B.J.R. van Tongeren, rechter in een civiele zaak. Het verzoeker was ontevreden over een eerder vonnis en stelde dat de rechter vooringenomen was. De wrakingskamer oordeelde dat er geen concrete gronden waren voor de wraking. De verzoeker had geen feiten of omstandigheden aangedragen die de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd maakten. De wrakingskamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat er bijzondere omstandigheden nodig zijn om dit vermoeden te weerleggen. Aangezien de verzoeker enkel onvrede over een eerdere uitspraak had geuit, werd het verzoek als kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank besloot dat er geen reden was voor een mondelinge behandeling van het verzoek, en verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond. De beslissing werd openbaar uitgesproken, en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
Zaak- en rekestnummer: C/10/707951 / HA RK 25-977
Beslissing van 19 december 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
woonplaats: [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. B.J.R. van Tongeren,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met zaak- en rolnummer 11631671 CV EXPL 25-8563 (‘de hoofdzaak’). De hoofdzaak betreft een geschil tussen Woningstichting Samenwerking Vlaardingen en verzoeker. Het dossier van de hoofdzaak is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het wrakingsverzoek van verzoeker tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak op 7 oktober 2025, waarbij verzoeker een brief aan de rechter van 6 oktober 2025 en een door de rechter gewezen vonnis van 26 september 2025 in een andere procedure heeft overgelegd;
  • de brief van 19 november 2025 van de algemeen secretaris van de wrakingskamer aan verzoeker, inhoudende het verzoek om uiterlijk voor 1 december 2025 aan te geven welke feiten of omstandigheden er in de visie van verzoeker in dit geval toe hebben geleid dat de rechterlijke onpartijdigheid schade heeft geleden;
  • de e-mailcorrespondentie van 27 en 28 november 2025 tussen de algemeen secretaris van de wrakingskamer en verzoeker, waaronder een e-mail waarin aan verzoeker uitstel is gegeven tot 5 december 2025 om aan het in het voorgaande gedachtestreepje genoemde verzoek te voldoen;
  • de e-mail van 5 december 2025 van verzoeker, met twee bijlagen.

2.De beoordeling van het wrakingsverzoek

2.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
2.2.
Naar het oordeel van de wrakingskamer volgt noch uit de brief van verzoeker van 6 oktober 2025 aan de rechter, noch uit de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak op 7 oktober 2025, noch uit de e-mail van verzoeker van 5 december 2025, met twee bijlagen, enige concrete wrakingsgrond die zich richt tegen de rechter. Voor zover verzoeker het niet eens is met een eerder vonnis dat door de rechter is gewezen, hebben daartegen rechtsmiddelen opengestaan. Uit dat eerdere vonnis – overigens gewezen in een geschil tussen verzoeker en een andere partij dan nu in de hoofdzaak het geval is – volgt zonder toelichting, die niet is gegeven, niet dat de rechter in de hoofdzaak vooringenomen is tegenover verzoeker of de schijn van vooringenomenheid tegenover hem heeft gewekt.
2.3.
Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Het verzoek wordt daarom met toepassing van artikel 8, lid 2 sub a, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank ongegrond verklaard. Voor een behandeling van het wrakingsverzoek tijdens een mondelinge behandeling bestaat bij deze stand van zaken geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Gezien het voorgaande wordt aan dat debat niet toegekomen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verklaart het wrakingsverzoek ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.P.M. Jurgens, voorzitter, mr. dr. P.G.J. van den Berg en mr. F.P.J. Schoonen, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.