Op 19 december 2025 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan op een wrakingsverzoek van een verzoeker tegen mr. B.J.R. van Tongeren, rechter in een civiele zaak. Het verzoeker was ontevreden over een eerder vonnis en stelde dat de rechter vooringenomen was. De wrakingskamer oordeelde dat er geen concrete gronden waren voor de wraking. De verzoeker had geen feiten of omstandigheden aangedragen die de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd maakten. De wrakingskamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat er bijzondere omstandigheden nodig zijn om dit vermoeden te weerleggen. Aangezien de verzoeker enkel onvrede over een eerdere uitspraak had geuit, werd het verzoek als kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank besloot dat er geen reden was voor een mondelinge behandeling van het verzoek, en verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond. De beslissing werd openbaar uitgesproken, en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.