ECLI:NL:RBROT:2025:14966

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11630305 CV EXPL 25-8447
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wetboek van KoophandelArt. 6:119a BWArt. 88 lid 2 RvArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling resterende facturen voor uitgevoerde autoreparaties en incassokosten

In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van het openstaande bedrag van twee facturen voor werkzaamheden aan een auto van de vennootschap onder firma waarvan gedaagde voormalig vennoot is. Eiseres stelde dat zij na een onderhoudsbeurt en diagnose extra werkzaamheden heeft uitgevoerd waarvoor telefonisch toestemming is gegeven. Gedaagde betwistte de hoogte van de facturen en stelde dat slechts een deel betaald was voor de beurt en dat geen opdracht was gegeven voor extra werkzaamheden.

Gedaagde verscheen niet op de zitting, waardoor de kantonrechter de stellingen van eiseres als onweerlegbaar aannam. Op grond van artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel is gedaagde als voormalig vennoot privé aansprakelijk voor de verbintenissen van de VOF. De rechter oordeelde dat gedaagde het resterende bedrag van € 3.357,75, inclusief wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten van € 527,98, aan eiseres moet betalen.

Daarnaast werden de proceskosten van € 1.311,78 aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd. Hiermee wordt bevestigd dat toestemming voor de extra werkzaamheden is gegeven en dat gedaagde zijn betalingsverplichtingen niet is nagekomen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het resterende factuurbedrag met rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11630305 CV EXPL 25-8447
datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde], voorheen vennoot van [naam koeriersbedrijf] , handelende onder de naam
[handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. De vennootschap onder firma [naam VOF] wordt ‘ [naam koeriersbedrijf] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 27 maart 2025, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ;
  • de brief van 28 april 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 18 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens [eiseres] de heer [persoon A] (algemeen directeur) aanwezig, bijgestaan door mr. D.F.M. Fontaine namens de gemachtigde. [gedaagde] is, hoewel hij op de juiste wijze is opgeroepen, zonder enige kennisgeving niet op de zitting verschenen.

2.De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[eiseres] levert diensten op het gebied van auto’s. Zij heeft in opdracht van [naam koeriersbedrijf] werkzaamheden uitgevoerd aan de auto van [naam koeriersbedrijf] . [eiseres] heeft op 6 februari 2023 een factuur van € 3.049,85 en op 11 juni 2024 een factuur van € 1.179,92 aan [naam koeriersbedrijf] gestuurd. Hiervan is slechts een deel betaald. [eiseres] eist daarom in deze zaak dat [gedaagde] wordt veroordeeld het restant van de facturen, met rente en buitengerechtelijke kosten, aan haar te betalen.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiseres] . Hij voert met betrekking tot de eerste factuur aan dat de auto alleen voor een beurt naar [eiseres] is gebracht en dat die beurt € 1.100,- zou kosten. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] allerlei werkzaamheden in rekening gebracht waarvoor geen opdracht is gegeven. [gedaagde] vindt dat met een betaling van € 1.200,- aan de verplichtingen is voldaan. [gedaagde] wil ook de (tweede) factuur van 6 juni 2024 niet betalen. Hij voert aan dat de auto toen alleen voor een diagnose naar [eiseres] is gebracht en dat geen opdracht is gegeven om verdere werkzaamheden uit te voeren.
2.3.
De kantonrechter beslist dat [gedaagde] het restant van de facturen, met de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten, aan [eiseres] moet betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[gedaagde] moet het restant van de facturen aan [eiseres] betalen
2.4.
[gedaagde] is niet op de zitting verschenen en heeft daardoor niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om zijn verweer nader toe te lichten en/of te onderbouwen danwel te reageren op datgene wat [eiseres] op de zitting heeft aangevoerd. Uit het niet verschijnen van een partij op de zitting kan de rechter de gevolgtrekking maken die zij geraden acht (artikel 88 lid 2 Rv Pro). Dat betekent in dit geval het volgende.
2.5.
Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] op grond van artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel als (voormalig) vennoot van de vennootschap onder firma [naam koeriersbedrijf] in privé aansprakelijk is voor de nakoming van de voor de VOF uit overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen.
2.6.
Uit de eerste factuur van [eiseres] volgt dat zij diverse werkzaamheden aan de auto bij [naam koeriersbedrijf] in rekening heeft gebracht. Tijdens de zitting heeft [eiseres] toegelicht dat de auto inderdaad in 2023 voor een onderhoudsbeurt naar de garage is gebracht en dat [eiseres] , nadat duidelijk werd dat er extra werkzaamheden noodzakelijk waren, telefonisch contact heeft opgenomen over die werkzaamheden en daarmee gemoeide extra kosten. [eiseres] heeft gesteld dat [naam koeriersbedrijf] telefonisch akkoord is gegaan met die extra werkzaamheden en de extra kosten.
2.7.
Ook heeft [eiseres] tijdens de zitting toegelicht dat de auto van [naam koeriersbedrijf] in 2024 voor een diagnose naar [eiseres] is gebracht en dat, toen uit die diagnose bleek dat de NOX-sensor vervangen moest worden, [eiseres] telefonisch aan [naam koeriersbedrijf] toestemming heeft gevraagd en gekregen voor de extra werkzaamheden en de kosten.
2.8.
Omdat [gedaagde] niet op de zitting is verschenen en – dus – de nadere stellingen van [eiseres] niet heeft weersproken, gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan. Daarmee staat vast dat [naam koeriersbedrijf] toestemming heeft gegeven voor het uitvoeren van alle werkzaamheden die in rekening zijn gebracht bij de facturen van 6 februari 2023 en 11 juni 2024. Dat betekent – met inachtneming van wat hiervoor in 2.5 is overwogen – dat [gedaagde] die facturen volledig aan [eiseres] moet betalen.
[gedaagde] moet € 527,98 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
2.9.
Voldoende gebleken is dat [eiseres] buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. [gedaagde] heeft dat ook niet betwist. Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 527,98 toegewezen. Dit is het bedrag waarop [eiseres] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Niet gebleken is dat [eiseres] recht heeft op een hoger bedrag.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen
2.10.
In de facturen van [eiseres] is een betalingstermijn van acht dagen opgenomen. Tijdens de zitting heeft [eiseres] echter verklaard dat zij, anders dan in de facturen vermeld staat, een betalingstermijn van 14 dagen hanteert. Vast staat dat de facturen niet (volledig) binnen de termijn van 14 dagen zijn betaald. [eiseres] maakt daarom terecht aanspraak op de rente.
2.11.
Uit de onbetwiste stellingen van [eiseres] ter zitting volgt dat hier sprake is van een handelstransactie (de overeenkomst is gesloten tussen [eiseres] en [naam koeriersbedrijf] ), zodat [gedaagde] de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW verschuldigd is over het achterstallige bedrag. Uit de dagvaarding kan niet worden afgeleid of [eiseres] bij de berekening van de rente tot 30 januari 2025 de juiste betalingstermijn van 14 dagen heeft gehanteerd. Daarom wordt de rente toegewezen op de wijze zoals hierna bij de beslissing is vermeld.
Er is al een deel betaald
2.12.
Vast staat dat € 1.400,- (€ 200,- + € 1.200,-) is betaald. Dat betekent dat daarmee de buitengerechtelijke kosten volledig betaald zijn en dat er aan hoofdsom een bedrag resteert van € 3.357,75 (€ 4.229,77 + € 527,98 -/- € 1.400,-). Dat bedrag wordt toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.13.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 120,78 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 542,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 271,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.311,78. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 3.357,75 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van de facturen van 6 februari 2023 en 11 juni 2024 dat heeft opengestaan vanaf de vijftiende dag na de respectieve factuurdata tot de dag dat volledig is betaald, met dien verstande dat aan wettelijke rente tot 30 januari 2025 geen hoger bedrag dan € 940,65 verschuldigd is;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.311,78;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
44487