Op 26 maart 2023 vond in een kelderruimte in Rotterdam een mislukte overdracht van verdovende middelen plaats waarbij verdachte en slachtoffer allebei geladen vuurwapens hadden. Tijdens deze confrontatie werd er over en weer geschoten, waarbij het slachtoffer schotverwondingen opliep en de broer van verdachte door het slachtoffer dodelijk werd getroffen.
De verdachte voerde noodweer aan, stellende dat hij handelde uit zelfverdediging en ter bescherming van zijn broer. De rechtbank oordeelde echter dat het noodweerverweer niet aannemelijk was, mede door de heimelijkheid van de situatie en het ontbreken van overtuigend forensisch bewijs over wie als eerste schoot.
De rechtbank veroordeelde verdachte voor poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het incident, de maatschappelijke impact en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De straf werd vastgesteld op 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege wederzijdse letselschade en de veroordeling van de benadeelde partij zelf. De voorlopige hechtenis van verdachte werd opgeheven en de tijd in voorarrest werd in mindering gebracht op de straf.