ECLI:NL:RBROT:2025:15008

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/268
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag kinderbijslag op basis van de Algemene Kinderbijslagwet met betrekking tot de verblijfplaats van het kind

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de aanvraag van eiseres om kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag, die door de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank is gedaan. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 27 november 2025, waarbij de gemachtigde van verweerder aanwezig was, maar eiseres en haar gemachtigde zich afmeldden. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres over het vierde kwartaal van 2022 tot en met het tweede kwartaal van 2024 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat niet kan worden vastgesteld bij welke ouder het kind feitelijk woont. De rechtbank baseert zich op een eerder ouderschapsplan en de verklaringen van de betrokken partijen, die tegenstrijdig zijn. De rechtbank concludeert dat het beleid van verweerder, dat in situaties van onduidelijkheid over het huishouden van het kind het ouderschapsplan als leidend beschouwt, niet onredelijk is. De rechtbank bevestigt dat het kind, [naam 2], tot het huishouden van de ex-partner van eiseres behoort, en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/268

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. B. Özates),
en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres over het vierde kwartaal van 2022 tot en met het tweede kwartaal van 2024 geen recht heeft op kinderbijslag
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 26 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres had een affectieve relatie met [naam 1] (ex-partner) en uit deze relatie is [naam 2] geboren. De ex-partner van eiseres ontving kinderbijslag voor [naam 2]. Op 18 december 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend om kinderbijslag te ontvangen. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.
4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op basis van de verklaringen van eiseres en haar ex-partner niet kan worden vastgesteld bij welke ouder [naam 2] feitelijk woont. Verweerder gaat daarom uit van de rechterlijke beschikking van deze rechtbank van 10 januari 2019 en het ouderschapsplan dat onderdeel uitmaakt van deze beschikking. Op basis daarvan komt verweerder tot de conclusie dat eiseres over het vierde kwartaal van 2022 tot en met het tweede kwartaal van 2024 geen recht heeft op kinderbijslag voor [naam 2].

Beoordeling door de rechtbank

5. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
6. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de aanvraag dient te beoordelen op basis van de feitelijke situatie. De beschikking van 10 januari 2019 is achterhaald en kan mede gelet op de inschrijving van [naam 2] op het adres van eiseres per 12 oktober 2023 niet voor juist worden gehouden. Volgens eiseres is het onderzoek van verweerder onzorgvuldig geweest. Tijdens het huisbezoek op het adres van de ex-partner heeft namelijk alleen een gesprek met de ex-partner plaatsgevonden en heeft er geen onderzoek plaatsgevonden naar de verblijfplek van [naam 2]. Er is niet gecontroleerd waar [naam 2] in de woning zou slapen, of haar persoonlijke spullen daar liggen en of zij dus daadwerkelijk bij de ex-partner verblijft. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de verklaringen van [naam 2] niet bij verweerders oordeel betrokken mogen worden, aangezien zij door de ex-partner wordt geïntimideerd en gemanipuleerd, waardoor [naam 2] in een loyaliteitsconflict verkeert. Verder heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de ov-reistransacties van [naam 2].
7. Bij de beoordeling aan wie kinderbijslag moet worden uitbetaald is van belang tot wiens huishouden het kind behoort.
8. Eiseres heeft erop gewezen dat [naam 2] vanaf 12 oktober 2023 staat ingeschreven op haar adres en dat [naam 2] al ruim voor die datum bij haar woonde. Uit de stukken is echter gebleken dat de ex-partner van eiseres heeft verklaard dat hij niet op de hoogte was van deze adreswijziging en dat [naam 2] vanaf 22 juli 2024 weer op zijn adres ingeschreven staat. Eiseres en haar ex-partner hebben tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de vraag bij wie [naam 2] in ieder geval vanaf 12 oktober 2023 hoofdzakelijk heeft verbleven. Uit het dossier blijkt verder dat ook [naam 2] zelf, los van de vraag of sprake is van een loyaliteitsconflict, op verschillende momenten tegenstrijdig heeft verklaard over bij welke ouder zij heeft verbleven. Gelet op de hiervoor benoemde tegenstrijdigheden is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de reisbewegingen van [naam 2] op zichzelf niet voldoende zijn om te concluderen dat zij in de periode in geding bij eiseres woonde.
9. Verweerder heeft voor een situatie waarin niet op voorhand duidelijk is tot welk huishouden het kind behoord, beleidsregel SB1014 ontwikkeld. In dit beleid is vastgelegd dat, ingeval niet op voorhand duidelijk is tot welk huishouden een kind behoort, terwijl er tussen de betrokkenen een opgelegde of overeengekomen regeling betreffende opvoeding en verblijf van het kind bestaat, verweerder dan hetgeen daarover in de betrokken regeling is geregeld doorslaggevend acht. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 29 mei 1991 (LJN: AK9387) waarin bij de beantwoording van de vraag tot welk huishouden het kind behoort, ook doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de inhoud en strekking van de tussen betrokkenen geldende regeling. In deze uitspraak is ook geoordeeld dat, als de regeling niet (meer) overeenstemt met de werkelijkheid, het aan betrokkenen is om deze regeling aan te passen of te doen aanpassen. Alleen als een dergelijke regeling ontbreekt of te weinig uitsluitsel biedt, kunnen andere aanknopingspunten op de voorgrond treden. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit gehandeld heeft overeenkomstig het hiervoor genoemde beleid.
10. Deze rechtbank heeft met de beschikking van 10 januari 2019 bevestigd dat [naam 2] haar hoofdverblijf heeft bij de ex-partner. De rechtbank stelt vast dat het in 2018 afgesproken ouderschapsplan die bij deze beschikking is opgenomen duidelijk is. Niet is gebleken van het bestaan van een nader ouderschapsplan of nieuwe afspraak tussen eiseres en haar ex-partner waarbij dit ouderschapsplan is gewijzigd. Gelet op het beleid van verweerder en de uitspraak van de Raad, vormt dit ouderschapsplan dan ook het uitgangspunt voor de beantwoording van de vraag tot wiens huishouden [naam 2] behoort. Verweerder was daarbij niet gehouden onderzoek naar de verblijfplek van [naam 2] in de woning van de ex-partner te doen.
11. Nu op basis van de overgelegde stukken niet is vast te stellen bij wie van de ouders [naam 2] in ieder geval vanaf 12 oktober 2023 heeft verbleven, heeft verweerder op goede gronden doorslaggevende betekenis toegekend aan het in 2018 opgestelde ouderschapsplan, dat met de beschikking van 10 januari 2019 is bevestigd. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat [naam 2] in het vierde kwartaal van 2022 tot en met het tweede kwartaal van 2024 tot het huishouden van de ex-partner behoorde. Verweerder heeft dan ook op terecht besloten dat eiseres voor deze kwartalen geen recht had op kinderbijslag voor [naam 2].

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene Kinderbijslagwet
Artikel 7, eerste lid, bepaalt dat de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht heeft op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en dat:
a. tot zijn huishouden behoort, of
b. door hem wordt onderhouden.
Artikel 18, vierde lid, bepaalt dat indien twee of meer personen waaronder één persoon tot wiens huishouden het kind behoort, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, de kinderbijslag waarop degene recht heeft, tot wiens huishouden dit kind niet behoort, niet wordt betaald.
Artikel 18, zesde lid, bepaalt dat zolang de persoon aan wie op grond van het vierde of vijfde lid kinderbijslag zou moeten worden betaald geen aanvraag daartoe heeft ingediend, de kinderbijslag, in afwijking van het vierde en vijfde lid, betaald blijft worden aan de persoon die daartoe wel een aanvraag heeft ingediend. Indien de persoon die geen aanvraag heeft ingediend, alsnog een aanvraag indient, wordt de kinderbijslag aan die persoon betaald:
a. na afloop van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, indien deze is ingediend in de eerste twee maanden van dat kalenderkwartaal; of
b. na afloop van het kalenderkwartaal volgend op het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, indien deze is ingediend in de laatste maand van dat kalenderkwartaal.