Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor kinderbijslag voor haar kind, maar deze werd door de Sociale Verzekeringsbank afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld bij welke ouder het kind feitelijk woont. De rechtbank heeft het beroep van eiseres behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde afwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat het niet vaststaat bij welke ouder het kind vanaf het vierde kwartaal van 2022 tot en met het tweede kwartaal van 2024 heeft verbleven. Er zijn tegenstrijdige verklaringen van beide ouders en het kind zelf. Verweerder heeft daarom terecht het ouderschapsplan uit 2018, bevestigd in een beschikking van 10 januari 2019, als leidend genomen.
Eiseres stelde dat het onderzoek van verweerder onzorgvuldig was en dat het ouderschapsplan achterhaald is, mede vanwege de inschrijving van het kind op haar adres. De rechtbank acht het beleid van verweerder, dat in geval van onduidelijkheid het ouderschapsplan als doorslaggevend beschouwt, niet onredelijk en wijst op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres geen recht heeft op kinderbijslag voor de betreffende periode. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.