Deze uitspraak betreft de afwijzing van de aanvraag van eiseres om kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag, die door de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank is gedaan. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 27 november 2025, waarbij de gemachtigde van verweerder aanwezig was, maar eiseres en haar gemachtigde zich afmeldden. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres over het vierde kwartaal van 2022 tot en met het tweede kwartaal van 2024 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat niet kan worden vastgesteld bij welke ouder het kind feitelijk woont. De rechtbank baseert zich op een eerder ouderschapsplan en de verklaringen van de betrokken partijen, die tegenstrijdig zijn. De rechtbank concludeert dat het beleid van verweerder, dat in situaties van onduidelijkheid over het huishouden van het kind het ouderschapsplan als leidend beschouwt, niet onredelijk is. De rechtbank bevestigt dat het kind, [naam 2], tot het huishouden van de ex-partner van eiseres behoort, en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.