Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- verzoekster;
- de heer mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat).
2.Het verzoek
3.Het verweer
4.De beoordeling
5.De beslissing
28 november 2025;
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van hun huurwoning opschort. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege een aangekondigde ontruiming op 2 december 2025.
De rechtbank weegt het belang van verzoekers, die in hun woning willen blijven en een minnelijk schuldhulpverleningstraject willen doorlopen, tegen het belang van verweerster, die de ontruiming wil effectueren. Gezien de betaling van de huurtermijnen november en december 2025 en de toezegging dat het inkomen op een betalingsrekening van schuldhulpverlening wordt gestort, acht de rechtbank het aannemelijk dat lopende huurtermijnen zullen worden voldaan.
Daarom wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden betaald. Tevens wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet niet-ontvankelijk verklaard, met de mogelijkheid tot een nieuw verzoek in de toekomst.
De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van het moratorium en schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag uitbrengen. De ontruiming wordt opgeschort tot het einde van de voorziening.
Uitkomst: Moratorium voor zes maanden toegewezen en ontruiming van huurwoning opgeschort onder voorwaarde tijdige huurbetaling.