ECLI:NL:RBROT:2025:15028

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
C/10/710932 / KG ZA 25-1190
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging van een non-concurrentiebeding in een aandeelhoudersovereenkomst na ontslag van een directeur

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiser], een voormalig directeur van GRM Expertise B.V., en de gedaagden Newco H B.V. en Bfamily B.V. [eiser] vorderde de schorsing en matiging van een non-concurrentiebeding dat was opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst, na zijn ontslag als directeur en de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. De rechtbank oordeelde dat [eiser] een spoedeisend belang had bij zijn vorderingen, aangezien de termijn van het non-concurrentiebeding al was aangevangen. De rechtbank overwoog dat GRM ernstig verwijtbaar had gehandeld door [eiser] te ontslaan, wat leidde tot de vernietiging van het non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst. Echter, de rechtbank oordeelde dat het non-concurrentiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst niet op dezelfde wijze behandeld kon worden, omdat deze overeenkomsten apart van elkaar waren gesloten. De voorzieningenrechter matigde het non-concurrentiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst tot een periode van één jaar, te rekenen vanaf de overdracht van de aandelen op 5 augustus 2025. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten droeg.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710932 / KG ZA 25-1190
Vonnis in kort geding van 19 december 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
wonend te Capelle aan den IJssel,
eisende partij,
advocaat: mr. M.L. de Bruijn,
tegen

1.NEWCO H B.V.,

gevestigd te Rotterdam,
advocaat: mr. D.J. Posthuma,
2.
BFAMILY B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat: mr. D.J. Posthuma,
gedaagde partijen.
Partijen worden hierna [eiser], Newco H en Bfamily genoemd. Newco H en Bfamily worden hierna samen Newco H c.s. genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 december 2025, met producties 1 tot en met 20;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 13;
- de aanvullende producties 21 tot en met 25 van Newco H c.s.;
- de mondelinge behandeling van 9 december 2025;
- de pleitnota van [eiser].

2.De feiten

2.1.
GRM Expertise B.V. (hierna: GRM) is een expertisebureau voor letsel- en overlijdensschaderegelingen en het verrichten van toedrachtsonderzoeken.
2.2.
De enig aandeelhouder van GRM is Newco H. Newco H houdt 100% van de geplaatste aandelen in GRM. Newco H wordt bestuurd door Bfamily.
2.3.
[eiser] is op 1 januari 2020 in dienst getreden bij GRM als operationeel directeur. In de arbeidsovereenkomst is het volgende non-concurrentiebeding opgenomen:

Artikel 15: concurrentiebeding
15.1
Het is werknemer ([eiser], opmerking voorzieningenrechter) verboden zonder voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de werkgever (GRM, opmerking voorzieningenrechter) gedurende 24 maanden na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, direct of indirect in dienst te treden bij of op enigerlei wijze werkzaamheden te verrichten voor een onderneming die gelijke of gelijksoortige diensten verleent als werkgever doet, of voor eigen rekening gelijke of gelijksoortige werkzaamheden te verrichten.
15.2
Bij overtreding van het in 15.1 bepaalde verbeurt de werknemer aan de werkgever (zulks in afwijking van het bepaalde in artikel 7:650 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek) een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete van €100.000,- (zegge: honderdduizend Euro) per overtreding en €3.000,- (zegge: drieduizend Euro) voor elke dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van de werkgever om volledige schadevergoeding te vorderen, indien en voor zover de schade het bedrag van de boeten overtreft.
2.4.
[eiser] is per 1 juni 2021 tevens benoemd tot statutair directeur van GRM.
2.5.
In december 2021 heeft [eiser] 4,99% van de aandelen in Newco H van Bfamily gekocht. De overeenkomst tot koop en verkoop van aandelen (hierna: de koopovereenkomst) houdt voor zover van belang in:
NEMEN IN AANMERKING DAT:
(…)
(E) Koper ([eiser], opmerking voorzieningenrechter) is per het moment van verkoop en levering van 4,99% van de geplaatste aandelen in het kapitaal van de Vennootschap (Newco H, opmerking voorzieningenrechter), zijnde 1.022.950 aandelen genummerd 11.279.101 tot en met 12.302.050 (hierna te noemen: deAandelen) gehouden tot nakoming c.q. naleving van het bepaalde in deze Overeenkomst voor wat betreft onder andere (i) geheimhouding (ii) non-concurrentie en (iii) aanbiedingsplicht;
(…)

10.Aanbiedingsplicht

10.1
Indien en voor zover Koper de Aandelen wil verkopen, dient Koper deze eerst aan te bieden aan Verkoper (Bfamily, opmerking voorzieningenrechter). De koopprijs voor de door Koper aan Verkoper te verkopen Aandelen zal worden bepaald op basis van de navolgende formule: 4,5x het gemiddelde EBITDA niveau van Newco H B.V. gedurende de 2 (twee) jaren voorafgaand aan het jaar van de aanbieding, het jaar van de aanbieding en het jaar volgend op het jaar van de aanbieding. Bij wijze van voorbeeld: bij aanbieding in het jaar 2025, zijn de relevante jaren 2023, 2024, 2025 en 2026. Op het moment van overdracht van de Aandelen door Koper aan Verkoper, zal een inschatting van het jaar waarin de aanbieding heeft plaatsgevonden alsook het toekomstig jaar worden gemaakt op basis van het gemiddelde van de 2 (twee) jaren voorafgaand aan het jaar waarin de aanbieding plaatsvindt. Op basis hiervan zal een voorlopige koopprijs door Verkoper en Koper worden vastgelegd, die door Verkoper aan Koper zal worden voldaan per de overdracht van de Aandelen door Koper aan Verkoper. Indien en zodra de jaarrekening over het lopende boekjaar alsmede het toekomstige boekjaar zijn opgesteld en vastgesteld, zal de definitieve koopprijs voor de Aandelen worden bepaald conform de hiervoor genoemde formule. Het verschil tussen de definitieve koopprijs en de voorlopige koopprijs zal door Verkoper aan Koper worden voldaan indien de definitieve koopprijs hoger is dan de voorlopige koopprijs, respectievelijk zal bij wijze van terugbetaling door Koper aan Verkoper worden voldaan indien de definitieve koopprijs lager uitvalt dan de voorlopige koopprijs.
(…)
10.2
Koper is verplicht de door hem gehouden Aandelen onherroepelijk aan Verkoper te koop aan te bieden, indien en zodra:
(…)
(f) de arbeidsovereenkomst c.q. overeenkomst van opdracht tussen Koper enerzijds en de Vennootschap c.q. Dochtervennootschap (GRM, opmerking voorzieningenrechter) anderzijds wordt beëindigd c.q. eindigt;

11.Non-concurrentiebeding

11.1
Het is Koper gedurende de periode dat Koper de Aandelen houdt alsmede gedurende een periode van twee (2) jaren nadat de Koper de Aandelen heeft vervreemd, verboden om direct of indirect, voor eigen rekening of in dienst van of anderszins voor rekening van een of meer derden:
(a) met betrekking tot een onderneming die concurreert met de Dochtervennootschap in Nederland, enige activiteit ontplooien of financieel betrokken zijn (als verstrekker van kapitaal, vreemd vermogen of anderszins) of een dergelijke onderneming oprichten, besturen, overnemen of anderszins betrokken zijn;
(. . .)
een en ander behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van Verkoper, welke niet op onredelijke gronden zal worden onthouden of vertraagd en welke specifieke bepalingen en beperkingen kan bevatten.
11.2
Indien en voor zover Koper het bepaalde in artikel 11.1 overtreedt, verbeurt Koper, zonder dat enige ingebrekestelling vereist is, voor iedere overtreding een boete ten bedrage van EUR 100.000 (honderd duizend euro), alsmede een boete ten bedrage van EUR 2.500 (twee duizend vijfhonderd euro) voor elke dag dat de overtreding heeft plaatsgevonden en voortduurt. Het voorstaande laat onverlet het recht van Verkoper om nakoming te vorderen en/of volledige schadevergoeding te vorderen.”
2.6.
In de algemene vergadering van aandeelhouders van GRM van 27 mei 2025 is [eiser] als statutair directeur ontslagen. Bij brief van 30 mei 2025 is de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 augustus 2025.
2.7.
[eiser] is vervolgens een procedure gestart tegen GRM waarin hij onder meer een billijke vergoeding heeft gevorderd omdat er volgens [eiser] geen grond bestond voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast heeft [eiser] vernietiging van de non-concurrentiebedingen, inclusief boetebedingen, in zowel de arbeidsovereenkomst als de koopovereenkomst gevorderd.
2.8.
Bij beschikking van 27 oktober 2025 (C/02/438031 / HA RK 25-173) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, heeft die rechtbank onder meer geoordeeld dat GRM ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door [eiser] te ontslaan en is aan [eiser] (een deel van) de gevorderde billijke vergoeding toegekend. Daarnaast zijn het non-concurrentiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding in de arbeidsovereenkomst vernietigd op grond van artikel 7:653 lid 4 BW. [eiser] is niet-ontvankelijk verklaard in onder meer zijn verzoek tot vernietiging van het non-concurrentiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding in de koopovereenkomst. Daarover heeft de rechtbank geoordeeld dat deze vorderingen niet kunnen worden aangemerkt als vorderingen die verband houden met het einde van het dienstverband, hetgeen is vereist op basis van artikel 7:686a lid 3 BW, omdat Newco H en Bfamily geen partij zijn bij de arbeidsovereenkomst tussen GRM en [eiser].
2.9.
[eiser] heeft de aandelen, conform de regeling in de koopovereenkomst, aangeboden en teruggeleverd op 5 augustus 2025. Daarvoor is een conform artikel 10 van de koopovereenkomst bepaalde prijs aan hem betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het concurrentiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding in de aandeelhoudersovereenkomst te schorsen, althans het concurrentiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst te matigen in die zin dat het concurrentiebeding geldt voor de duur van maximaal één jaar, althans een duur die de voorzieningenrechter in goede justitie acht, te rekenen vanaf 27 mei 2025, althans vanaf 5 augustus 2025, althans een datum die de voorzieningenrechter in goede justitie acht;
II. Newco H en Bfamily hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand aan [eiser] van
€ 4.996,00 exclusief btw, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te betalen bedrag;
III. Newco H en Bfamily hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Newco H c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen omdat de termijn van het non-concurrentiebeding reeds is aangevangen zodat de vorderingen naar hun aard spoedeisend zijn.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen onder meer het volgende ten grondslag. Gelet op de beschikking van 27 oktober 2025 staat vast dat GRM als werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [eiser] door [eiser] te ontslaan. Vanwege dit ernstig verwijtbaar handelen zijn het non-concurrentiebeding en boetebeding in de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:653 lid 4 BW vernietigd. [eiser] is van mening dat de vergaande beschermingsgedachte van dit artikel analoog moet worden toegepast op het non-concurrentiebeding en het boetebeding in de aandeelhoudersovereenkomst (de voorzieningenrechter begrijpt: de koopovereenkomst; er bestaat wel een aandeelhoudersovereenkomst, maar daarbij is [eiser] naar vast staat geen partij). De arbeidsovereenkomst en de koopovereenkomst zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De in de arbeidsovereenkomst opgenomen bepalingen zouden anders kunnen worden omzeild via de koopovereenkomst. Voor [eiser] is het van belang dat hij binnen dezelfde branche werkzaam kan blijven, hetgeen door het non-concurrentiebeding in de koopovereenkomst niet mogelijk is. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) dienen het non-concurrentiebeding en het boetebeding in de koopovereenkomst dan ook te worden geschorst, dan wel te worden gematigd.
4.3.
Newco H c.s. voert onder meer het volgende aan. Het is feitelijk en juridisch onjuist om het non-concurrentbeding in de arbeidsovereenkomst en het non-concurrentiebeding in de koopovereenkomst op gelijke wijze te behandelen; dat volgt ook uit de onder rechtsoverweging 2.8 bedoelde beschikking. Verder had Bfamily de aandelen niet aan [eiser] verkocht als [eiser] niet akkoord was gegaan met de tekst van de koopovereenkomst. Met het non-concurrentiebeding wil Newco H c.s., naast de belangen van Bfamily en Newco H vanwege hun aandelenbezit en investeringen, de (inkomens)belangen van 36 werknemers van GRM beschermen. Dit is nodig omdat [eiser] GRM wil beconcurreren op haar werkterrein. Dit blijkt uit de onderhandelingen voorafgaand aan de koopovereenkomst van 27 mei 2025, de onderhandelingen omtrent de vaststellingsovereenkomst en uit de vorderingen van [eiser].
4.4.
De vraag die allereerst voorligt is welke rol het oordeel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over het non-concurrentiebeding en boetebeding in de arbeidsovereenkomst speelt bij het oordeel over het non-concurrentiebeding en boetebeding in de koopovereenkomst in deze zaak.
4.5.
Voorop gesteld wordt dat de vraag of al dan niet beroep wordt (of is) ingesteld tegen de uitspraak van 27 oktober 2025 niet ter zake doet. Volgens de afstemmingsregel dient de kortgedingrechter zich immers te richten naar de beoordeling van het geschil door de bodemrechter, ook als die beslissing nog niet onherroepelijk is. Vereist is daarbij wel dat die beoordeling (en beslissing) ziet op hetzelfde geschil. Aan die laatste eis is niet voldaan, zodat de afstemmingsregel niet van toepassing is. De voorzieningenrechter baseert dit op het volgende.
4.6.
De koop van de aandelen betreft een apart van de arbeidsovereenkomst overeengekomen transactie. Daarbij is van belang is dat tussen het sluiten van de arbeidsovereenkomst en de koopovereenkomst ruim een jaar is verstreken. Daarnaast was het non-concurrentiebeding al in de considerans van de koopovereenkomst (onder E) aangekondigd. De betreffende clausule is ook uitdrukkelijk uitgeschreven in artikel 11 van de koopovereenkomst. Er is dus geen sprake van een situatie waarin het non-concurrentiebeding stilzwijgend/impliciet vanuit de arbeidsovereenkomst in de koopovereenkomst is overgenomen. Ook als juist is wat [eiser] stelt over de wijze waarop de transactie tot stand is gekomen (feestelijk, zonder aandacht voor deze clausule) mocht Bfamily (en Newco H) er dus vanuitgaan dat [eiser] zich bewust was van deze bepaling. Bovendien staan Bfamily en [eiser] niet in een werkgever-werknemer relatie tot elkaar, zodat er geen sprake is van het machtsverschil dat kenmerkend is voor een dergelijke verhouding.
4.7.
Hoewel aannemelijk is dat er wel een verband bestond tussen de arbeidsovereenkomst en koopovereenkomst in die zin dat [eiser] niet de gelegenheid zou hebben gehad om aandelen te verwerven als hij geen directeur bij GRM was geweest, is het niet zo dat de overeenkomsten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn zoals [eiser] meent. Gelet hierop is het oordeel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over het non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst niet te beschouwen als een beslissing in de bodemzaak waarop het oordeel in dit kort geding moet worden afgestemd. Dat neemt niet weg dat deze beschikking wel kan worden meegewogen.
4.8.
Het toetsingskader dat in deze zaak dient te worden toegepast is de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Newco H c.s. [eiser] houdt aan het in de koopovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding, inclusief de duur daarvan.
4.9.
De markt waarop [eiser] al zeer lang werkzaam is laat zich, naar tussen partijen vast staat, in grote lijnen verdelen in bureaus/ondernemingen die aan de kant van verzekeraars optreden en bureaus/ondernemingen die aan de kant van slachtoffers en hun belangenbehartigers optreden. [eiser] heeft lang aan die laatste kant gewerkt en is relatief kort geleden overgestapt naar de andere zijde. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij op dit moment werkzaam is als zzp’er voor een onderneming ‘aan de slachtofferkant’ tegen een marktconform salaris. Naast zijn huidige baan is er bij soortgelijke ondernemingen voldoende ander werk beschikbaar voor hem. Partijen zijn het erover eens dat die werkzaamheden niet in strijd met het non-concurrentiebeding zijn. [eiser] is dus niet (financieel) afhankelijk van werkzaamheden aan de verzekeraarskant.
4.10.
[eiser] voorkeur gaat echter uit naar het uitvoeren van werkzaamheden aan de verzekeraarskant waaraan het non-concurrentiebeding in beginsel in de weg staat. In dat verband heeft Newco H c.s. ter zitting benadrukt dat, gelet op artikel 11.1 in de koopovereenkomst, overleg mogelijk is indien [eiser] concreet aangeeft welke werkzaamheden hij wil uitvoeren. In dat geval zal Newco H c.s. bekijken of zij redelijke gronden heeft om toestemming voor die betreffende werkzaamheden te onthouden.
4.11.
Dit een en ander brengt mee dat het beding [eiser] als zodanig weliswaar hindert in het ten volle en naar eigen inzicht benutten van zijn kennis en ervaring, doch niet zodanig dat de hoge drempel van de onaanvaardbaarheid wordt gehaald. Voor een algehele schorsing met ingang van heden is dan ook geen aanleiding. Daarbij is meegewogen dat schorsing van het non-concurrentiebeding in feite neerkomt op een definitieve beslissing. Tegen de tijd dat een bodemrechter over deze kwestie oordeelt, is de reële verwachting [eiser] al concurrerende werkzaamheden verricht en dus de door Newco H c.s. gevreesde schade al is aangericht.
4.12.
Gelet op het voorgaande is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op zichzelf niet onaanvaardbaar dat Newco H c.s. [eiser] houdt aan het in de koopovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding. De termijn van twee jaar na overdracht van de aandelen acht de voorzieningenrechter echter wel onaanvaardbaar lang. Daarbij is meegewogen de op zichzelf al lang te achten termijn van twee jaar, de leeftijd van [eiser] en het algemene gegeven dat de schadelijke gevolgen van concurrentie door een ex-aandeelhouder zich het meest doen gevoelen als deze kort geleden is vertrokken en de andere aandeelhouder(s) zich nog niet behoorlijk hebben kunnen instellen op de nieuwe situatie. Ook zijn twee omstandigheden meegewogen die het aannemelijk maken dat [eiser] niet zal proberen GRM ‘kapot te maken’ en dat hij haar belangen en die van Newco H c.s. serieus zal nemen, te weten het financiële belang dat [eiser] (via de regeling van artikel 10 in de koopovereenkomst) heeft bij het behoorlijk renderen van GRM en het geheimhoudingsbeding dat blijft gelden
4.13.
Dit betekent dat het non-concurrentiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding in de koopovereenkomst worden gematigd in die zin dat deze bedingen gelden voor de duur van één jaar, te rekenen vanaf 5 augustus 2025, de datum dat de aandelen zijn overgedragen.
4.14.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
matigt het non-concurrentiebeding en het daaraan gekoppelde boetebeding in de koopovereenkomst in die zin dat deze bedingen gelden voor de duur van één jaar, te rekenen vanaf 5 augustus 2025,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 19
december 2025.
[3894/106]