3.3.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.3.1.Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen. Het verzoekschrift is op 27 februari 2025 bij de rechtbank ingediend, zodat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventuele vaststelling van de kinderbijdrage. De rechtbank betrekt daarbij dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij in de periode van mei 2024 tot januari 2025 een vast bedrag van € 125,- per maand en een bedrag van ongeveer € 4.000,- aan verschillende kosten voor zijn rekening heeft genomen. Daarom zal de rechtbank de datum van indiening van het verzoek als ingangsdatum vaststellen.
3.3.2.Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) in 2025 € 473,- per kind per maand bedraagt. Partijen zijn het er over eens dat de behoefte niet, zoals de vrouw aanvankelijk had verzocht, dient te worden verhoogd met opvangkosten.
3.3.3.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.3.4.Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-1.
3.3.5.Nu de rechtbank de ingangsdatum heeft vastgesteld 27 februari 2025, zal de rechtbank het NBI van de man in berekenen op basis van zijn salarisspecificatie van februari 2025. De vrouw stelt dat daarbij eveneens rekening gehouden moet worden met inkomsten uit overwerk die de man ontvangt. De vrouw verwijst daarvoor naar zijn meest recente salarisspecificaties van augustus, september en oktober 2025, waarop een (gelijkblijvend) bedrag staat vermeld van € 539,46,-. De man betwist dat hij inkomsten uit overwerk ontvangt. Hij heeft daarover toegelicht dat hij nooit overwerkt en dus ook nooit een betaling heeft ontvangen voortkomend uit overwerk. De man stelt dat het bedrag waar de vrouw naar verwijst voortkomt uit een CAO-afspraak en al in zijn basisloon verwerkt is. Het bedrag aan overwerk is op de salarisspecificatie van februari 2025 niet vermeld. De rechtbank kan uit de salarisspecificaties van de man ook niet afleiden dat hij daadwerkelijk uren heeft overgewerkt en daarvoor een betaling heeft ontvangen die niet al opgenomen is in zijn brutoloon. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met het door de vrouw genoemde bedrag.
3.3.6.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 2 gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2025 op € 3.616,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 4.263,- per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 158,- per maand
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
3.3.7.De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 855,- per maand.
3.3.8.De rechtbank heeft geen gegevens over het inkomen van de vrouw ten tijde van de ingangsdatum van de kinderalimentatie. De vrouw heeft toegelicht dat zij een nieuwe werkgever heeft en dat zij minder is gaan werken en dat daarom rekening gehouden moet worden met een lager salaris zoals vermeld op de pro forma loonstroken van haar nieuwe werk die zij heeft overgelegd. De rechtbank ziet, zoals de man ook aanvoert, geen aanleiding om rekening te houden met verminderde inkomsten van de vrouw omdat zij heeft toegelicht dat zij minder is gaan werken vooruitlopend op een wijziging van de zorgregeling waardoor [minderjarige 2] vaker bij de vrouw zou verblijven. De rechtbank stelt echter de huidige week-op-week-af verdeling vast als zorgregeling. De rechtbank zal daarom het NBI van de vrouw berekenen op basis van de meest recente loonstrook van voor de ingangsdatum van de kinderalimentatie.
3.3.9.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 3 gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2025 op € 2.875,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de salarisspecificatie over juni 2024):
- basisloon € 1.941 per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
3.3.10.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 9.347,- op jaarbasis, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.3.11.De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 492,- per maand.
3.3.12.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 855 / € 1.347 x € 946 = € 600
het deel van de vrouw bedraagt: € 492 / € 1.347 x € 946 =
€ 346 +
samen € 946
Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 600,- per maand ofwel € 300,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 346,- per maand ofwel € 173,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
3.3.13.Gezien de nu vast te stellen zorgregeling wordt de zorg voor de minderjarigen bij helfte tussen partijen verdeeld. Hierbij hoort een zorgkorting van 35%.
3.3.14.Omdat de behoefte van de minderjarigen € 946,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 332,- per maand.
3.3.15.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 268,- per maand, oftewel € 134,- per kind per maand.
3.3.16.Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 134,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Nu de vrouw verzoekt de kinderbijdrage met ingang van 27 februari 2025 op € 137,- per kind per maand en met ingang van de datum van de beschikking een bijdrage van € 130,- per kind per maand vast te stellen en de rechtbank niet meer kan vaststellen dan is verzocht, zal de rechtbank dus bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van de minderjarigen in de periode van 27 februari 2025 tot de datum van deze beschikking met een bedrag van € 134,- per kind per maand en met ingang van de datum van deze beschikking met een bedrag van € 130,- per kind per maand.
3.3.17.Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.