ECLI:NL:RBROT:2025:15029

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
C/10/695219 / FA RK 25-1596
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 1:404 BWArt. 1:406 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanpassing zorgregeling en vaststelling kinderbijdrage na scheiding

De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot aanpassing van de zorgregeling en vaststelling van de kinderbijdrage tussen gescheiden ouders. De minderjarigen verblijven sinds januari 2025 afwisselend een week bij elk van de ouders. De moeder verzocht om een wijziging van de zorgregeling voor de jongste minderjarige vanwege vermeende stress en onduidelijkheid, terwijl de vader de huidige co-ouderschapsregeling wilde handhaven.

De rechtbank oordeelde dat de huidige regeling in het belang van de kinderen is en dat de problemen voortkomen uit de onderlinge communicatie tussen de ouders, niet uit de zorgverdeling zelf. De rechtbank benadrukte het belang van verbetering van de communicatie, eventueel met hulp van het wijkteam of een therapeut.

Ten aanzien van de kinderbijdrage stelde de rechtbank vast dat de vader vanaf 27 februari 2025 een bijdrage van €134 per maand per kind moet betalen, gebaseerd op de draagkrachtberekening volgens de alimentatienormen. De bijdrage wordt vanaf de datum van de beschikking vastgesteld op €130 per maand per kind. De proceskosten worden door elke partij zelf gedragen.

Uitkomst: Zorgregeling vastgesteld met verblijf in even weken bij moeder en oneven weken bij vader; vader betaalt €134 per maand per kind vanaf 27 februari 2025.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/695219 / FA RK 25-1596
Beschikking van 17 december 2025 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. H.E.M.J. van Poppel te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J. de Jong te Gorinchem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 27 februari 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, tevens gewijzigd verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 14 juli 2025;
  • het gewijzigd verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 31 oktober 2025;
  • het verweerschrift op het gewijzigd verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 7 november 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 3 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 12 november 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
1.3.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ; en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarigen erkend.
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4.
De minderjarigen staan ingeschreven bij de vrouw.

3.De beoordeling

3.1.
Zorgregeling
3.1.1.
De vrouw verzoekt, bij gewijzigd verzoek, een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen als volgt:
  • [minderjarige 1] verblijft in de even weken bij de vrouw en in de oneven weken bij de man. Het wisselmoment vindt plaats op vrijdag om 18:30 uur;
  • [minderjarige 2] verblijft in de oneven weken van zaterdagmiddag (na voetbal) tot maandag naar school bij de man. Partijen wenden zich beiden tot het wijkteam voor hulp of begeleiding om hun onderlinge communicatie verbeteren en zo toe te werken naar een uitbreiding van voornoemde regeling;
  • Vakanties en feestdagen worden tussen partijen verdeeld volgens het door de vrouw als productie 4 overgelegde schema.
3.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer tegen het gewijzigd verzoek van de vrouw, en verzoekt bij zelfstandig verzoek een zorgregeling vast te stellen conform het oorspronkelijke verzoek van de vrouw, inhoudende dat beide minderjarigen in de oneven weken bij de man verblijven en in de even weken bij de vrouw, met de vrijdag als wisseldag. De man verweert zich niet tegen de door de vrouw verzochte regeling voor de vakanties en feestdagen en verzoekt ook deze regeling vast te leggen.
3.1.3.
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
3.1.4.
De rechtbank stelt vast dat partijen het eens zijn over de vakantie- en feestdagenregeling, zoals vastgelegd in het door de vrouw als productie 4 overgelegde overzicht. Partijen zijn het ook eens over de zorgregeling voor [minderjarige 1] in die zin dat hij in de even weken bij de vrouw verblijft en in de oneven weken bij de man. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen. Wat wel in geschil is, is de zorgregeling voor [minderjarige 2] . De rechtbank overweegt als volgt.
3.1.5.
Sinds januari 2025 hanteren partijen een co-ouderschapsregeling waarbij de minderjarigen afwisselend een week bij de vrouw en een week bij de man verblijven. Partijen vonden deze regeling toen in het belang van de minderjarige. De man vindt dit nog steeds in het belang van de minderjarigen en wil daarom deze huidige regeling officieel vast te leggen. De vrouw heeft dat aanvankelijk ook verzocht, maar heeft twee weken voor de mondelinge behandeling haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij de zorg voor [minderjarige 2] voorlopig anders wil verdelen. De vrouw acht een co-ouderschapsregeling waarbij de zorg gelijkelijk wordt verdeeld niet langer in het belang van [minderjarige 2] . Volgens de vrouw brengt de man [minderjarige 2] niet altijd naar buitenschoolse activiteiten of voetbaltrainingen. Daarnaast gaat [minderjarige 2] bij de man alleen op vrijdag naar de buitenschoolse opvang. De vrouw stelt dat [minderjarige 2] daardoor in de weken dat zij bij de man verblijft, niet weet waar zij aan toe is en daardoor stress ervaart. De vrouw stelt dat er vanuit school ook signalen komen van onrust en stress bij [minderjarige 2] . Volgens de vrouw lukt het partijen niet goed om over deze zaken met elkaar te communiceren en heeft [minderjarige 2] daar last van. De vrouw wil als oplossing de regeling voor [minderjarige 2] aanpassen naar een weekendregeling en met de man naar het wijkteam om te werken aan hun onderlinge communicatie. De man stelt dat de co-ouderschapsregeling die partijen nu hanteren goed verloopt. Beide minderjarigen vinden het fijn om evenveel tijd met beide ouders door te brengen. Voor zover [minderjarige 2] last heeft van stress, wijt de man dit niet aan onduidelijkheid over de zorgregeling, maar aan problemen in de ouderrelatie tussen partijen onderling en problemen tussen de vrouw en de nieuwe partner van de man. De man heeft toegelicht dat zijn nieuwe partner wil helpen met het brengen en halen van [minderjarige 2] naar bijvoorbeeld voetbaltrainingen, maar dat de vrouw dat niet wil. Op enig moment is er op school zelfs een situatie ontstaan waarbij zowel de vrouw als de nieuwe partner van de man aanwezig waren en een (fysieke) ruzie tussen hen is ontstaan, waar [minderjarige 2] getuige van is geweest. Volgens de man gaat het goed met [minderjarige 2] bij hem thuis, en is voor zo ver zij stress ervaart, wijziging van de zorgregeling daarvoor geen oplossing.
3.1.6.
Het is de rechtbank duidelijk dat de onderlinge communicatie tussen partijen te wensen overlaat. De rechtbank kan zich daarbij niet aan indruk onttrekken dat er sprake is van ex-partnerproblematiek en dat partijen niet in staat zijn om dat niet door te laten werken in hun relatie als ouders na scheiding. Het moge duidelijk zijn dat partijen nog hard aan het werk moeten om daar een oplossing voor te vinden, zodat de minderjarigen daar geen last van hebben, want last hebben de minderjarigen hier nu wel van. De oplossing ligt naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet in het aanpassen van de zorgregeling. De problemen die zich voordoen komen niet voort uit dat de zorgverdeling niet passend zou zijn, maar uit de problemen tussen partijen onderling. De huidige zorgregeling die partijen hanteren is de afgelopen periode goed verlopen en stelt [minderjarige 2] in staat om veel tijd met haar beide ouders door te brengen. De rechtbank oordeelt, overeenkomstig het advies van de raad, dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat de huidige regeling waarbij zij afwisselend een week bij de ene ouder, en een week bij de andere ouder verblijft, zo blijft. Van belang is wel dat partijen een manier vinden waarop zijn hun onderlinge communicatie gaan verbeteren en zich daarbij niet meer laten leiden door oud zeer. Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over het wijkteam, Ouderschap na Scheiding en mogelijk ook een relatietherapeut die partijen kan bijstaan in het afhechten van hun relatie. De rechtbank verwacht van partijen dat zij, als het hen niet zonder hulp lukt tot een verbetering van hun communicatie te komen, hierop actie ondernemen zodat de minderjarigen op korte termijn twee ouders hebben die op positieve en respectvolle wijze als ouders na scheiding met elkaar omgaan.
3.1.7.
De rechtbank merkt verder nog het volgende op. Onderdeel van de discussie tussen partijen zijn de activiteiten van [minderjarige 2] doordeweeks en in het weekend. Tijdens de mondelinge behandeling is het gebleken dat het voor de man niet altijd mogelijk is om [minderjarige 2] zelf naar voetbal of andere sociale activiteiten zoals feestjes te brengen. De man heeft daarvoor wel een oplossing aangedragen, ook al is de man het niet eens geweest met de gang van zaken bij het uitkiezen van de voetbalclub waar [minderjarige 2] voetbalt. In de visie van de rechtbank is dat iets wat partijen ook met elkaar moeten bespreken. Buiten kijf staat dat beide ouders er voor zorg moeten dragen dat [minderjarige 2] aan alle activiteiten kan deelnemen waar zij aan gewend is. Dat betekent ook dat de man er voor dient te zorgen dat [minderjarige 2] ook in zijn week naar voetbaltraining gaat. Als het hem niet lukt [minderjarige 2] zelf te brengen, moet hij ervoor zorgen dat een ander haar brengt en haalt. Dat is aan hem, net zoals dat het aan hem is of de minderjarige in de week dat zij bij de man verblijft wel of niet naar de buitenschoolse opvang gaat. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [minderjarige 2] deel kan nemen aan sociale activiteiten zoals feestjes, dat hij daar zorg voor draagt en dat zal blijven doen.
3.1.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen in die zin dat beide minderjarigen in de even weken bij de vrouw verblijven en in de oneven weken bij de man, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag om 18:30 uur, en de vakantie- en feestdagenregeling als bijlage 1 aanhechten aan deze beschikking.
3.2.
Onderhoudsbijdrage
3.2.1.
De rechtbank begrijpt dat nu de rechtbank de onder 3.1.8. genoemde zorgregeling vaststelt, de vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen als volgt.
De vrouw verzoekt primair:
  • met ingang van 1 juli 2023 een bijdrage van € 129,- per maand voor [minderjarige 1] en € 210,- per maand voor [minderjarige 2] ;
  • met ingang van 27 februari 2025 een bijdrage van € 137,- per kind per maand;
  • met ingang van de datum van de beschikking een bijdrage van € 130,- per kind per maand.
Subsidiair verzoekt de vrouw:
  • met ingang van 19 januari 2024 een bijdrage van € 129- per maand voor [minderjarige 1] en € 210,- per maand voor [minderjarige 2] ;
  • en met ingang van 27 februari 2025 een bijdrage van € 137,- per kind per maand;
  • met ingang van de datum van de beschikking een bijdrage van € 130,- per kind per maand;
Meer subsidiair verzoekt de vrouw:
  • met ingang van 27 februari 2025 een bijdrage van € 137,- per kind per maand;
  • met ingang van de datum van de beschikking een bijdrage van € 130,- per kind per maand.
3.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek een door de man te betalen kinderbijdrage van € 117,- per kind per maand vast te stellen met ingang van de datum van de beschikking.
3.2.3.
Op grond van artikel 1:404 BW Pro zijn ouders verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Komt een ouder die verplichting niet of niet behoorlijk na, dan kan de andere ouder op grond van artikel 1:406 BW Pro de rechtbank verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van de minderjarige zal moeten voldoen.
3.2.4.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De ingangsdatum
3.3.1.
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen. Het verzoekschrift is op 27 februari 2025 bij de rechtbank ingediend, zodat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventuele vaststelling van de kinderbijdrage. De rechtbank betrekt daarbij dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij in de periode van mei 2024 tot januari 2025 een vast bedrag van € 125,- per maand en een bedrag van ongeveer € 4.000,- aan verschillende kosten voor zijn rekening heeft genomen. Daarom zal de rechtbank de datum van indiening van het verzoek als ingangsdatum vaststellen.
De behoefte
3.3.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) in 2025 € 473,- per kind per maand bedraagt. Partijen zijn het er over eens dat de behoefte niet, zoals de vrouw aanvankelijk had verzocht, dient te worden verhoogd met opvangkosten.
Draagkrachtberekening
3.3.3.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.3.4.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-1.
Draagkracht van de man
3.3.5.
Nu de rechtbank de ingangsdatum heeft vastgesteld 27 februari 2025, zal de rechtbank het NBI van de man in berekenen op basis van zijn salarisspecificatie van februari 2025. De vrouw stelt dat daarbij eveneens rekening gehouden moet worden met inkomsten uit overwerk die de man ontvangt. De vrouw verwijst daarvoor naar zijn meest recente salarisspecificaties van augustus, september en oktober 2025, waarop een (gelijkblijvend) bedrag staat vermeld van € 539,46,-. De man betwist dat hij inkomsten uit overwerk ontvangt. Hij heeft daarover toegelicht dat hij nooit overwerkt en dus ook nooit een betaling heeft ontvangen voortkomend uit overwerk. De man stelt dat het bedrag waar de vrouw naar verwijst voortkomt uit een CAO-afspraak en al in zijn basisloon verwerkt is. Het bedrag aan overwerk is op de salarisspecificatie van februari 2025 niet vermeld. De rechtbank kan uit de salarisspecificaties van de man ook niet afleiden dat hij daadwerkelijk uren heeft overgewerkt en daarvoor een betaling heeft ontvangen die niet al opgenomen is in zijn brutoloon. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met het door de vrouw genoemde bedrag.
3.3.6.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 2 gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2025 op € 3.616,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 4.263,- per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 158,- per maand
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
3.3.7.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 855,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
3.3.8.
De rechtbank heeft geen gegevens over het inkomen van de vrouw ten tijde van de ingangsdatum van de kinderalimentatie. De vrouw heeft toegelicht dat zij een nieuwe werkgever heeft en dat zij minder is gaan werken en dat daarom rekening gehouden moet worden met een lager salaris zoals vermeld op de pro forma loonstroken van haar nieuwe werk die zij heeft overgelegd. De rechtbank ziet, zoals de man ook aanvoert, geen aanleiding om rekening te houden met verminderde inkomsten van de vrouw omdat zij heeft toegelicht dat zij minder is gaan werken vooruitlopend op een wijziging van de zorgregeling waardoor [minderjarige 2] vaker bij de vrouw zou verblijven. De rechtbank stelt echter de huidige week-op-week-af verdeling vast als zorgregeling. De rechtbank zal daarom het NBI van de vrouw berekenen op basis van de meest recente loonstrook van voor de ingangsdatum van de kinderalimentatie.
3.3.9.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 3 gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2025 op € 2.875,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de salarisspecificatie over juni 2024):
- basisloon € 1.941 per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
3.3.10.
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 9.347,- op jaarbasis, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.3.11.
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 492,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.3.12.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 855 / € 1.347 x € 946 = € 600
het deel van de vrouw bedraagt: € 492 / € 1.347 x € 946 =
€ 346 +
samen € 946
Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 600,- per maand ofwel € 300,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 346,- per maand ofwel € 173,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.3.13.
Gezien de nu vast te stellen zorgregeling wordt de zorg voor de minderjarigen bij helfte tussen partijen verdeeld. Hierbij hoort een zorgkorting van 35%.
3.3.14.
Omdat de behoefte van de minderjarigen € 946,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 332,- per maand.
3.3.15.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 268,- per maand, oftewel € 134,- per kind per maand.
Conclusie
3.3.16.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 134,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Nu de vrouw verzoekt de kinderbijdrage met ingang van 27 februari 2025 op € 137,- per kind per maand en met ingang van de datum van de beschikking een bijdrage van € 130,- per kind per maand vast te stellen en de rechtbank niet meer kan vaststellen dan is verzocht, zal de rechtbank dus bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van de minderjarigen in de periode van 27 februari 2025 tot de datum van deze beschikking met een bedrag van € 134,- per kind per maand en met ingang van de datum van deze beschikking met een bedrag van € 130,- per kind per maand.
3.3.17.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
stelt vast de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, als volgt:
- de minderjarigen verblijven in de even weken bij de vrouw en in de oneven weken bij de man, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag om 18:30 uur;
4.2.
neemt op in deze beschikking de tussen partijen overeengekomen zorgregeling voor de vakanties en feestdagen, die als bijlage 1 is gehecht aan deze beschikking;
4.3.
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen met ingang van 27 februari 2025, € 134,- per maand per kind en met ingang van de datum van deze beschikking € 130,- per maand per kind;
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.6. wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.C.M. van Gils, griffier, op 17 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.