ECLI:NL:RBROT:2025:15048

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/9738
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 17 december 2025, wordt het verzoek van een verzoeker zonder vaste woon- of verblijfplaats om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor maatschappelijke opvang behandeld. De verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag, die door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam op 27 juni 2025 is gedaan. Eerder had de voorzieningenrechter al een verzoek om voorlopige voorziening afgewezen op 7 augustus 2025. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen belangrijke wijziging van feiten of omstandigheden is die een herbeoordeling van het verzoek rechtvaardigt. De verzoeker heeft in de afgelopen maanden geen onderdak kunnen vinden, maar de voorzieningenrechter concludeert dat hij in staat is om zich met gebruikelijke hulp en een sociaal netwerk te handhaven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, wat betekent dat het college de verzoeker voorlopig niet hoeft toe te laten tot de maatschappelijke opvang. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9738

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoeker

(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. A.J. Wintjes).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van zijn aanvraag om toegang tot de maatschappelijke opvang. Verzoeker is het niet eens met die afwijzing. In de bezwaarfase heeft verzoeker ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarop de voorzieningenrechter met de uitspraak van 7 augustus 2025 heeft beslist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een belangrijke wijziging van feiten en omstandigheden of van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak. De voorzieningenrechter wijst daarom in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend om toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juni 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft met de uitspraak van 7 augustus 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen (ROT 25/5424).
2.1.
Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de afwijzing van de aanvraag voor toegang tot de maatschappelijke opvang gebleven. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?
3. Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde tot 4 februari 2020 in Nederland. Vanaf 4 februari 2020 stond verzoeker ingeschreven op een adres in Spanje. Vanaf 22 augustus 2023 stond verzoeker geregistreerd op een adres in de gemeente Oldambt. Vervolgens is verzoeker teruggekeerd naar Spanje en staat hij sinds 29 april 2024 niet meer ingeschreven in de basisregistratie personen. In juni 2025 is verzoeker naar Nederland gereisd. Verzoeker heeft op dit moment geen vaste woon- of verblijfplaats.
4. Verzoeker heeft op 27 juni 2025 een aanvraag ingediend voor toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 27 juni 2025 afgewezen en de afwijzing in stand gehouden met het bestreden besluit van 8 oktober 2025. Het college vindt dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang. Verzoeker is in staat om zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg en met hulp vanuit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Daarnaast heeft verzoeker volgens het college niet aannemelijk gemaakt dat het noodzakelijk was om eind juni 2025 Spanje te verlaten en dat hij daar niet langer kon verblijven om zijn komst naar Nederland beter voor te bereiden.
5. Verzoeker is het niet eens met het besluit van het college. Verzoeker vindt dat het college hem maatschappelijke opvang moet bieden omdat hij niet in staat is zich te handhaven in de samenleving en zichzelf in onderdak te voorzien. Verzoeker is niet zelfredzaam, het lukt hem immers al maanden niet om een huis te vinden. Verzoeker stelt dat zich in zijn geval feiten en omstandigheden voordoen op grond waarvan een verplichting tot het verstrekken van opvang voortvloeit uit artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij verzoeker is sprake van beperkingen bij het vinden van woonruimte. Zijn beperkingen blijken onder meer uit het feit dat hij in het verleden een ontheffing van de arbeidsverplichting heeft gehad. Verzoeker wenst met het verzoek om een voorlopige voorziening te bereiken dat hem toegang tot de maatschappelijke opvang wordt verleend.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
7. Volgens verzoeker is er een spoedeisend belang omdat hij dakloos is en in een hostel slaapt. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een beoordeling van het verzoek.
Herhaald verzoek om een voorlopige voorziening
8. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Als hangende dat bezwaar of beroep opnieuw om een voorlopige voorziening wordt verzocht, terwijl het standpunt van het bestuursorgaan ongewijzigd is gebleven, is er in beginsel geen aanleiding het eerder gegeven voorlopig oordeel over de uitkomst van de bodemprocedure opnieuw te bezien. Dit is slechts anders als er sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. [1]
9. In de uitspraak van 7 augustus 2025 is beoordeeld of verzoeker zelfredzaam is en of sprake is van multiproblematiek. De voorzieningenrechter heeft daarbij onder meer de psychische problemen en de lichamelijke klachten van verzoeker betrokken. De voorzieningenrechter is tot de conclusie gekomen dat verzoeker in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg en met hulp van zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de weigering tot opvang geen schending van artikel 8 van het EVRM oplevert.
10. Verzoeker voert aan dat ten opzichte van deze eerdere uitspraak sprake is van de gewijzigde omstandigheid dat de winter eraan komt en dat het kouder wordt. Het is daarom onwenselijk als verzoeker op straat moet leven. Hoewel verzoeker inmiddels een voorschot op een bijstandsuitkering ontvangt, is dit volgens verzoeker onvoldoende om onderdak te bekostigen. Daarnaast is het verzoeker nog altijd niet gelukt om onderdak te vinden. Dit tijdsverloop maakt volgens verzoeker dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven het verzoek om een voorlopige voorziening opnieuw inhoudelijk te beoordelen.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. Het college heeft op de zitting onweersproken benoemd dat verzoeker gebruik kan maken van de winteropvang als deze open gaat bij kou. De voorzieningenrechter overweegt dat veranderende weersomstandigheden geen ander licht werpen op de vraag of verzoeker voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor maatschappelijke opvang. Verzoeker weet zich tot nu toe te redden, door bijvoorbeeld in een hostel te verblijven. Ook is gebleken dat hij een sociaal netwerk heeft, waar hij af en toe een nachtje kan verblijven. Verzoeker heeft verder niet met stukken aangetoond dat hij in de periode sinds zijn aanvraag om maatschappelijk opvang op straat heeft geleefd. Het tijdsverloop tussen de bezwaar- en de beroepsfase maakt evenmin dat kan worden gesproken van gewijzigde feiten en omstandigheden. Het is verzoeker de afgelopen maanden gelukt om een bijstandsuitkering aan te vragen en een briefadres te verkrijgen. Dat het hem niet is gelukt om onderdak te vinden betekent, zeker in de huidige tijd waarbij er een groot tekort aan (sociale huur)woningen is, niet automatisch dat verzoeker niet zelfredzaam is.
12. Verzoeker heeft zich niet op het standpunt gesteld dat de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter ernstige onvolkomenheden bevat en ook verder is niet gebleken dat hiervan sprake is.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoeker vooralsnog niet hoeft toe te laten tot de maatschappelijke opvang. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.