ECLI:NL:RBROT:2025:15069

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
10-221614-24 en 10-163609-24 (gevoegd ter terechtzitting)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van openlijke geweldpleging, bedreiging en poging tot zware mishandeling door een minderjarige

Op 23 oktober 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2010, die zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en poging tot zware mishandeling. De zaak betreft twee incidenten: op 8 maart 2024 in Capelle aan den IJssel en op 8 juli 2024 in Rotterdam. Tijdens het eerste incident heeft de verdachte een ander meisje aan de haren getrokken en geslagen, terwijl zij op de grond lag. Het tweede incident vond plaats in het Alexandrium Shopping Center, waar de verdachte samen met een medeverdachte meerdere meisjes heeft aangevallen, hen heeft geslagen en bedreigd met de dood. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf van 40 uur, met een proeftijd van 1 jaar, en heeft de schadevorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar jeugdige leeftijd en de positieve veranderingen in haar thuissituatie. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte, ondanks de ernst van de feiten, niet met jeugddetentie kan worden bestraft, gezien haar motivatie voor rehabilitatie en de hulp die zij ontvangt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummers: 10-221614-24 en 10-163609-24 (gevoegd ter terechtzitting)
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Tegenspraak
Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman: mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 23 oktober 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 10-221614-24, onder 1 en 2, en het onder 10-163609-24 primair ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewezenverklaring
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
parketnummer 10-221614-24, onder 1:
zij op
of omstreeks8 juli 2024 te Rotterdam, openlijk, te weten, in Alexandrium Shopping Center, gelegen aan de Korte Poolsterstraat, in elk geval op
of aande openbare weg en
/ofop een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
een ofmeerdere personen, te weten,
- [slachtoffer 1] en
/of
- [slachtoffer 2] en
/of
- [slachtoffer 3]
door die [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3] meermalen,
althans eenmaal,
- te slaan/stompen
in/op/tegen het gezicht en
/ofop
/tegenhet hoofd,
althans
op/tegen het lichaamen
/of
- te trappen in
/tegende buik,
althans tegen het lichaamvan die [slachtoffer 3] en
/of
- aan de haren van die [naam] (
[slachtoffer 1] )te trekken;
parketnummer 10-221614-24, onder 2:
zij op
of omstreeks8 juli 2024 te Rotterdam,
[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "je moet me niet aanraken, je weet niet wie mijn moeder is, ik maak je dood."
, althans woorden van gelijke
dreigende aard en/of strekking;
parketnummer 10-163609-24, primair:
zij op
of omstreeks8 maart 2024 te Capelle aan den IJssel (
de rechtbank begrijpt: Rotterdam), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- aan de haren van die [slachtoffer 4] heeft getrokken waardoor die [slachtoffer 4] ten val komt
en
/of
- die [slachtoffer 4] aan de haren over de grond heeft gesleept en
/of
terwijl die [slachtoffer 4] op de grond heeft gelegen
-
één ofmeermalen die [slachtoffer 4] in het gezicht,
althans tegen het hoofd, heeft
geschopt en
/of heeftgeslagen en
/of
-
één ofmeermalen die [slachtoffer 4] tegen het lichaam heeft geslagen en
/of heeft
geschopt en
/of
-
één of meermalendie [slachtoffer 4] een knietje heeft gegeven tegen de neus,
althans het
gezicht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
4.2.
Kwalificatie
4.2.1.
Conclusie
De bewezen feiten leveren op:
parketnummer 10-221614-24, onder 1:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
parketnummer 10-221614-24, onder 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
parketnummer 10-163609-24, primair:
poging tot zware mishandeling
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
4.3.
Strafbaarheid
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

5.Motivering straf

5.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
5.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich allereerst op dertienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan een poging tot een zware mishandeling bij metrostation Oosterflank. Op 8 maart 2024 ziet de verdachte een voor haar onbekend meisje huilen en zij wijst naar aangeefster die met haar heeft gevochten. Hierop is de verdachte naar aangeefster toe gelopen om verhaal te halen. De verdachte heeft aangeefster aan haar haren getrokken en meegesleurd over de straat, in haar gezicht geslagen en hard tegen het hoofd geschopt, ook terwijl zij op de grond lag. Het slachtoffer heeft ook meerdere knietjes in haar gezicht gehad van de verdachte. Door zo te handelen heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het had veel erger kunnen aflopen. Het handelen van de verdachte zal ook gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders, onder andere klasgenoten en docenten, hebben veroorzaakt aangezien zij getuige zijn geweest van het geweld.
Vervolgens heeft de verdachte zich op 8 juli 2024 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte, die op dat moment veertien jaar was, was samen met de medeverdachte in het winkelcentrum Alexandrium. Daar hebben zij twee voormalig vriendinnen, aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] , geslagen en getrapt tegen het hoofd en in de buik. De verdachte heeft daarbij aangeefster [slachtoffer 3] aan haar haren getrokken. Toen aangeefster [slachtoffer 2] het gevecht probeerde te stoppen heeft de verdachte ook tegen haar fors geweld gebruikt. Daarbij heeft de verdachte aangeefster [slachtoffer 2] bedreigd met de dood. De verdachte heeft met haar handelen een bijzonder dreigende situatie gecreëerd voor zowel de aangeefsters als omstanders, aangezien de geweldpleging en bedreiging in het openbaar hebben plaatsgevonden. De aangeefsters hebben bovendien letsel opgelopen en het handelen van de verdachte heeft bij hen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. De rechtbank rekent de verdachte dat aan.
5.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
5.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
5.3.2.
Rapportage
De Raad voor de Kinderbeschermingheeft op 2 augustus 2024 een adviesrapport opgemaakt. Dit rapport is verouderd. Het rapport houdt - zakelijk weergeven en voor zover van belang - het volgende in. Het recidiverisico wordt laag ingeschat. De verdachte kent een belast verleden, omdat in de thuissituatie bij de moeder sprake was van alcoholmisbruik en fysieke agressie. De thuissituatie van de verdachte is inmiddels positief veranderd. Zij woont bij de vader en daar gaat het naar omstandigheden goed. Het is van belang dat de verdachte hulp krijgt voor het verwerken van haar belaste verleden en haar emotieregulatie, maar ook dat er meer zicht komt op de sociale relaties van de verdachte. Het is daarnaast nodig dat de verdachte naar school gaat en een zinvolle vrijetijdsbesteding heeft.
Ter zitting is gebleken dat de verdachte inmiddels naar School2Care gaat en daar zowel onderwijs volgt als behandeling en begeleiding krijgt. De verdachte heeft aangegeven hier veel van geleerd te hebben en spijt te hebben van haar handelen. Verdachte is gemotiveerd om ook in de toekomst aan alle begeleiding en hulpverlening van School2Care mee te werken.
5.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte echter aanleiding om daarvan af te zien. De verdachte is een first offender en zij is sinds de bewezenverklaarde feiten, inmiddels alweer een geruime tijd geleden, niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. De verdachte zat in een moeilijke thuissituatie. Inmiddels is de situatie veranderd. De verdachte woont bij haar vader en zij heeft een betrokken netwerk. De verdachte gaat inmiddels naar School2Care en krijgt daar naast onderwijs, de hulp en begeleiding die zij nodig heeft. De verdachte is gemotiveerd en ontwikkelt zich positief. De rechtbank ziet daarom met de officier van justitie en verdediging aanleiding om een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk op te leggen, zonder het opleggen van bijzondere voorwaarden. Het voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf, te weten een taakstraf, in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uur, waarvan 20 uur voorwaardelijk, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis en een proeftijd van een jaar, passend en geboden.

6.Vorderingen benadeelde partijen

6.1.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer 4] , ter zake van het onder parketnummer 10-163609-24 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 275,- aan materiële schade en een bedrag van € 700,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan materiële schade niet is onderbouwd en heeft verzocht de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie heeft verzocht het gevorderde bedrag aan immateriële schade toe te wijzen gelet op de ernst van het feit.
6.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich voor wat betreft de gevorderde materiële schade aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. De verdediging heeft het gevorderde immateriële bedrag betwist en zich op het standpunt gesteld dat het immateriële bedrag gezien het letsel naar redelijkheid moet worden gematigd tot een bedrag van € 350,-.
6.1.3.
De beoordeling
Uit het dossier en de informatie die door de benadeelde partij is verschaft blijkt onvoldoende dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] door het bewezen strafbare feit materiële schade heeft opgelopen en nader onderzoek daarnaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom zal de benadeelde in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wel blijkt dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde heeft aangevoerd dat zij door het bewezenverklaarde handelen fors letsel heeft opgelopen en onderbouwt dit met een medisch journaal. De door de benadeelde partij gestelde schade is genoegzaam onderbouwd en zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 700,-. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal dus geheel worden toegewezen.
De verdachte had ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet bereikt. Hierom worden de ouders van de verdachte tot de betaling van schadevergoeding veroordeeld.
De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 maart 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Omdat de wet niet de mogelijkheid biedt een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten laste van ouders, die ten tijde van het tenlastegelegde feit jonger was dan 14 jaar, zal de schadevergoedingsmaatregel niet worden opgelegd.
6.2.
Vorderingen benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer 3] , ter zake van het onder parketnummer 10-221614-24, onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Als benadeelde partij heeft zich ook in het geding gevoegd, [slachtoffer 1] , ter zake van het onder parketnummer 10-221614-24, onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 350,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Daarnaast heeft de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , zich in het geding gevoegd ter zake van het onder parketnummer 10-221614-24, onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij refereert zich voor de hoogte van het bedrag aan schadevergoeding aan het oordeel van de rechtbank.
6.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een bedrag van € 175,- aan immateriële schade dient te worden toegekend en de vorderingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren, conform de uitspraak in de zaak van de mededader.
6.2.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. De verdediging heeft daarbij aangevoerd dat onderbouwing van het (psychisch) letsel van benadeelde [slachtoffer 3] ontbreekt.
6.2.3.
De beoordeling
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partijen door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Door de benadeelde partijen is aangevoerd dat zij letsel hebben opgelopen. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 175,-, conform de uitspraak in de zaak van de mededader.
De benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Zij kunnen dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 juli 2024.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Nu de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

9.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het onder 10-221614-24, onder 1 en 2, en het onder 10-163609-24 primair ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
40 (veertig)
uren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek
36 (zesendertig) urente verrichten werkstraf resteren;
bepaalt dat een deel van deze taakstraf
groot 20 (twintig) uren, niet ten uitvoer zal worden
gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 8 (acht) dagen;
stelt de proeftijd vast op
1 (een)jaar onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.
veroordeelt de ouders van de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij
[slachtoffer 4], te betalen een bedrag van
€ 700,- (zegge: zevenhonderd), bestaande aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de ouders van de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 4] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij
[slachtoffer 3], te betalen een bedrag van
€ 175,- (zegge: honderdvijfenzeventig), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] te betalen
€ 175,-(hoofdsom,
zegge: honderdvijfenzeventig), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij
[slachtoffer 1], te betalen een bedrag van
€ 175,- (zegge: honderdvijfenzeventig), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen
€ 175,-(hoofdsom,
zegge: honderdvijfenzeventig), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij
[slachtoffer 2], te betalen een bedrag van
€ 175,- (zegge: honderdvijfenzeventig), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen
€ 175,-(hoofdsom,
zegge: honderdvijfenzeventig), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. D.I. Hendriks-van Wel en K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 oktober 2025.
Bijlage I
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
parketnummer 10-221614-24, onder 1:
zij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam, openlijk, te weten, in Alexandrium Shopping Center, gelegen aan de Korte Poolsterstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten,
- [slachtoffer 1] en/of
- [slachtoffer 2] en/of
- [slachtoffer 3]
door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal,
- te slaan/stompen in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, althans
op/tegen het lichaam en/of
- te trappen in/tegen de buik, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of
- aan de haren van die [slachtoffer 1] te trekken;
parketnummer 10-221614-24, onder 2:
zij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam,
[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "je moet me niet aanraken, je weet niet wie mijn moeder is, ik maak je dood.", althans woorden van gelijke
dreigende aard en/of strekking;
parketnummer 10-163609-24, primair:
zij op of omstreeks 8 maart 2024 te Capelle aan den IJssel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- aan de haren van die [slachtoffer 4] heeft getrokken waardoor die [slachtoffer 4] ten val komt
en/of
- die [slachtoffer 4] aan de haren over de grond heeft gesleept en/of
terwijl die [slachtoffer 4] op de grond heeft gelegen
- één of meermalen die [slachtoffer 4] in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft
geschopt en/of heeft geslagen en/of
- één of meermalen die [slachtoffer 4] tegen het lichaam heeft geslagen en/of heeft
geschopt en/of
- één of meermalen die [slachtoffer 4] een knietje heeft gegeven tegen de neus, althans het
gezicht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
zij op of omstreeks 8 maart 2024 te Capelle aan den IJssel,
[slachtoffer 4] heeft mishandeld door
- aan de haren van die [slachtoffer 4] te trekken waardoor die [slachtoffer 4] ten val komt en/of
- die [slachtoffer 4] aan de haren over de grond te slepen en/of
terwijl die [slachtoffer 4] op de grond lag
- één of meermalen die [slachtoffer 4] in het gezicht, althans tegen het hoofd, te schoppen
en/of te slaan en/of
- één of meermalen die [slachtoffer 4] tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen en/of
- één of meermalen die [slachtoffer 4] een knietje te geven tegen de neus, althans het
gezicht;