Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:15073

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
10/011610-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WwmArt. 31 WwmArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot medeplegen handelen in strijd met Wet wapens en munitie

De rechtbank Rotterdam heeft op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte geboren in 2006, die werd verdacht van poging tot medeplegen van het overdragen van een vuurwapen en het voorhanden hebben daarvan, in strijd met de Wet wapens en munitie.

De rechtbank achtte op basis van bewijsmiddelen, waaronder chatgesprekken via Telegram, een filmpje van het vuurwapen en het feit dat de verdachte samen met een medeverdachte naar de woning van laatstgenoemde ging, wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking gericht op het overdragen van een vuurwapen met munitie. De verdediging had vrijspraak bepleit, stellende dat de verdachte niet bewust was van het vuurwapen en niet betrokken was, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

De verdachte was op het moment van het feit 17 jaar oud. De rechtbank nam zijn persoonlijke omstandigheden mee, waaronder het feit dat hij niet eerder was veroordeeld voor soortgelijke feiten, zijn positieve ontwikkeling, school, stage, bijbaan en mantelzorg. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een onvoorwaardelijke werkstraf zonder bijzondere voorwaarden. De rechtbank legde een taakstraf op van 90 uur werkstraf, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en rekende de tijd in voorlopige hechtenis mee.

De rechtbank wees een deel van de ten laste gelegde feiten niet bewezen en sprak de verdachte daarvan vrij. Tevens werd het in beslag genomen bedrag van EUR 281,65 teruggegeven aan de verdachte. De straf weerspiegelt de ernst van het feit, het maatschappelijke gevaar van vuurwapenbezit en de positieve persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 uur werkstraf, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 10/011610-24
Datum uitspraak: 30 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
Raadsvrouw: mr. M.S.L. Leeflang, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 30 oktober 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 45 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering van het onder 1 en 2 ten laste gelegde
4.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de ten laste gelegde feiten. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte geen betrokkenheid bij de feiten heeft gehad en dat niet bewezen kan worden dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Verder stelt verdediging dat de verdachte niet bewust was van en de feitelijke macht had over het vuurwapen met bijbehorende munitie.
4.1.2.
Beoordeling
Op grond van de inhoud van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het overdragen van een vuurwapen met bijbehorende munitie en het voorhanden hebben daarvan.
Daarbij is met name van belang de omstandigheid dat de verdachte op 9 januari 2024 samen met de medeverdachte naar de woning van [medeverdachte] is gegaan. Gelet op het voorafgaande gesprek via snapchat en het filmpje van het vuurwapen dat in de woning van [medeverdachte] is opgenomen, is voldoende aannemelijk dat de verdachten het vuurwapen daar hebben opgehaald. De kluis die bij [medeverdachte] is aangetroffen behoort volgens hem toe aan ‘ [naam] ’, waarbij [medeverdachte] het nummer van de verdachte heeft opgegeven. Na het vertrek bij [medeverdachte] zijn de verdachten naar Bleiswijk gegaan, alwaar de overdracht zou plaatsvinden. Gelet op voornoemde omstandigheden is de verklaring van de verdachte dat hij hiervan niet op de hoogte was ongeloofwaardig.
Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte gericht op het overdragen van een vuurwapen met bijbehorende munitie en het voorhanden hebben daarvan.
4.1.3.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij in
of omstreeksde periode van 4 januari 2024 tot en met 9 januari 2024 te Bleiswijk en
/ofRotterdam
en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleenter uitvoering van het door hem, verdachte en
/ofzijn mededader voorgenomen misdrijf om
(een
)wapen
(s)als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie Pro III van de Wet wapens en munitie, te weten een
(of meerdere),vuurwapen
(s)in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, over te dragen,
hebbende
en/of zijnde hij, verdachte en
/ofzijn mededader
(s),
-
op/via de chatapplicatie Telegram een advertentie geplaatst en
/ofcontact gehad en
/ofafspraken gemaakt over de aankoop en
/ofde verkoop en
/ofde vraagprijs en
/ofde beschikbaarheid van bovengenoemde vuurwapens en
/ofonderdelen van
ditwapen
sen
/of- één of meerdere afbeelding
(en
)en
/ofvideo’s van
dezediten/of ander(e)vuurwapen
(s)en
/ofonderdelen van
dezeditvuurwapen
svia voornoemde chat applicatie verzonden en
/ofontvangen en
/of-
(vervolgens
)via voornoemde chat applicatie afspraken gemaakt over onder meer de locatie van de overdracht van
dezediten/of ander(e)vuurwapen
(s)en
/ofhet aankoop
(geld
)bedrag te weten 1050 euro en
/of-
(vervolgens
) (met één
of meerderevuurwapen
(s
))naar de afgesproken locatie, te weten het
parkeerterrein van de KFC aan de [adres 2] te [plaats] , gekomen en
/of-
(vervolgens
)aldaar aan de potentiële koper
(s
)van het vuurwapen aangegeven dat hij alvorens het vuurwapen te laten zien eerst het geld wilde checken en
/ofgesproken en
/ofgevraagd naar
(een
)geld
(bedrag
)en
/of (vervolgens
)gezegd dat hij het vuurwapen zou
dengaan halen en
/ofgezegd dat hij het geld wilde zien en
/ofgezegd dat hij het
(vuur
)wapen bij zich had, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2
hij op
of omstreeks9 januari 2024 te Bleiswijk,
althans in Nederlandtezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen(een
)wapen
(s)als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, van het merk Retay, type 17, kaliber 9 mm kort (.380)
en
/of
(voor voornoemd wapen bestemd
)munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro die wet, van de Categorie III te weten 9 kogelpatronen van het kaliber 380 auto (9 mm kort)
voorhanden heeft gehad
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. poging tot medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van de categorie III,

en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Motivering straf

6.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
6.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op 9 januari 2024 schuldig gemaakt aan een poging tot het handelen in en aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Hij was op dat moment 17 jaar oud. Het ongecontroleerde handelen in en bezit hebben van vuurwapens en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft een enorme maatschappelijke impact. Het voorhanden hebben van vuurwapens leidt immers maar al te vaak ook tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien. Gelet op de toename van het vuurwapenbezit en het gevaarzettend karakter daarvan, dient er streng tegen te worden opgetreden. De verdachte heeft door zijn handelen onvoldoende stil gestaan bij de risico’s van het vuurwapenbezit met alle ernstige gevolgen van dien. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
6.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
6.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
6.3.2.
Rapportages
De Raad voor de Kinderbescherming(hierna: de Raad) heeft op 4 september 2025 een rapport over de verdachte uitgebracht. Dit rapport houdt - verkort en zakelijk weergeven - het volgende in. De verdachte is een first offender en het recidiverisico is laag. De verdachte groeit op in een betrokken en liefdevol gezin. Daarnaast gaat de verdachte naar school en loopt stage. De verdachte heeft ook een bijbaan en in zijn vrije tijd sport hij en is hij mantelzorger. De verdachte is gemotiveerd en hij heeft een groot verantwoordelijkheidsgevoel. De verdachte heeft zich in de afgelopen periode goed gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en zich begeleidbaar opgesteld. De verdachte is na het strafbare feit nog wel in aanraking gekomen met politie en justitie vanwege het rijden zonder rijbewijs. De Raad adviseert een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen, zodat de verdachte leert dat er consequenties zitten aan zijn gedrag en het gedrag maatschappelijk niet acceptabel is. De Raad ziet geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden, omdat de verdachte ruim anderhalf jaar in een schorsing heeft gelopen en hij zich positief ontwikkelt.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond(hierna: de jeugdreclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd op 3 september 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. De verdachte heeft zich goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en goed meegewerkt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering. Daarnaast heeft hij geen politiecontacten en een gestructureerde en positieve dag- en vrijetijdsbesteding. De jeugdreclassering onthoudt zich van een advies en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
6.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte echter aanleiding om daarvan af te zien. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten en hij heeft zich sinds de bewezenverklaarde feiten, inmiddels alweer een ruime tijd geleden, positief ontwikkeld. De verdachte volgt een opleiding, loopt stage en in zijn vrije tijd heeft hij een bijbaan en is hij mantelzorger. De verdachte heeft zich bovendien tijdens de (lange) schorsing van de voorlopige hechtenis goed aan de voorwaarden en afspraken gehouden. De verdachte is gemotiveerd voor de toekomst. De rechtbank ziet daarom met de officier van justitie en verdediging aanleiding om een taakstraf, in de vorm van een wekstraf op te leggen. De rechtbank legt daarnaast een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk op, zonder het opleggen van bijzondere voorwaarden. Het voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de proeftijd rekening gehouden de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en passend en geboden.

7.In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn in beslag genomen en nog niet teruggegeven:
1. EUR 281,65
7.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geld terug te geven aan de verdachte.
7.2.
Beoordeling
Ten aanzien van het in beslag genomen geld zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
90 (negentig)
uren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek
84 (vierentachtig) urente verrichten werkstraf resteren;
bepaalt dat een deel van deze taakstraf
groot 40 (veertig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 22 (tweeëntwintig) dagen;
stelt de proeftijd vast op
1 (een)jaar onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
gelast de teruggave aan de verdachte van:
- EUR 281,65
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.P. van de Beek, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. W.J. Loorbach en J. Groot, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2025.
De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij in of omstreeks de periode van 4 januari 2024 tot en met 9 januari 2024 te Bleiswijk en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
ter uitvoering van het door hem, verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie Pro III van de Wet wapens en munitie, te weten een (of meerdere), vuurwapen(s) in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, over te dragen, hebbende en/of zijnde hij, verdachte en/of zijn mededader(s),
- op/via de chatapplicatie Telegram een advertentie geplaatst en/of contact gehad en/of afspraken gemaakt over de aankoop en/of de verkoop en/of de vraagprijs en/of de beschikbaarheid van bovengenoemde vuurwapens en/of onderdelen van deze wapens en/of
- één of meerdere afbeelding(en) en/of video’s van deze en/of ander(e) vuurwapen(s) en/of
onderdelen van deze vuurwapens via voornoemde chat applicatie verzonden en/of ontvangen en/of
- (vervolgens) via voornoemde chat applicatie afspraken gemaakt over onder meer de locatie van de overdracht van deze en/of ander(e) vuurwapen(s) en/of het aankoop (geld)bedrag te weten 1050 euro en/of
- (vervolgens) (met één of meerdere vuurwapen(s)) naar de afgesproken locatie, te weten het
parkeerterrein van de KFC aan de [adres 2] te [plaats] , gekomen en/of
- (vervolgens) aldaar aan de potentiële koper(s) van het vuurwapen aangegeven dat hij alvorens het vuurwapen te laten zien eerst het geld wilde checken en/of gesproken en/of gevraagd naar (een) geld(bedrag) en/of (vervolgens) gezegd dat hij het vuurwapen zouden gaan halen en/of gezegd dat hij het geld wilde zien en/of gezegd dat hij het (vuur)wapen bij zich had, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2
hij op of omstreeks 9 januari 2024 te Bleiswijk , althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
(een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, van het merk Retay, type 17, kaliber 9 mm kort (.380)
en/of
(voor voornoemd wapen bestemd) munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro die wet, van de Categorie III te weten 9 kogelpatronen van het kaliber 380 auto (9 mm kort)
voorhanden heeft gehad