In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 23 oktober 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van de uitvoer van heroïne. De verdachte werd ervan beschuldigd samen met een medeverdachte opzettelijk ongeveer 10 kilogram heroïne te hebben vervoerd met als bestemming België. De officier van justitie eiste een veroordeling voor het medeplegen van verlengde uitvoer van heroïne, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte voor deze beschuldiging. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte op de dag van de feiten in een auto met Belgisch kenteken van België naar Nederland zijn gereden. Na de overdracht van een tas met heroïne werd de auto door de politie staande gehouden en werd de heroïne aangetroffen in een verborgen ruimte. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat de verdachte de intentie had om de heroïne buiten Nederland te brengen, en sprak de verdachte vrij van de primaire beschuldiging van uitvoer. Echter, de rechtbank heeft wel vastgesteld dat de verdachte opzettelijk 10 kilogram heroïne heeft vervoerd en aanwezig gehad, wat bewezen is verklaard. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn rol in het delict en de impact op zijn gezin.