De veroordeelde kreeg een gevangenisstraf van elf jaar opgelegd door het gerechtshof Den Haag, met een oorspronkelijke voorwaardelijke invrijheidstelling gepland op 19 september 2024. Meerdere keren werd deze invrijheidstelling uitgesteld vanwege disciplinaire incidenten en het ontbreken van een passende beschermde woonvorm.
Het openbaar ministerie verzocht op 10 september 2025 om een uitstel van 365 dagen, onderbouwd met rapporten van de reclassering en het verblijf in de penitentiaire inrichting. De veroordeelde en zijn raadsman verzetten zich hiertegen en stelden dat een verblijf op een door hem aangedragen adres met elektronische monitoring mogelijk is.
De rechtbank overwoog dat ondanks eerdere negatieve adviezen, het verblijfadres geschikt is en dat het ontbreken van aanvullend persoonlijkheidsonderzoek geen belemmering vormt voor invrijheidstelling. De recente incidenten werden gezien als uitingen van frustratie. De rechtbank besloot de vordering tot uitstel af te wijzen, stelde bijzondere voorwaarden vast en bepaalde dat de veroordeelde op 31 oktober 2025 voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld.