ECLI:NL:RBROT:2025:15100

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
22-002978-18 (rechtsmiddel van 10-690167-17 en 10-692088-17) en 99-000473-58
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling met bijzondere voorwaarden

De veroordeelde kreeg een gevangenisstraf van elf jaar opgelegd door het gerechtshof Den Haag, met een oorspronkelijke voorwaardelijke invrijheidstelling gepland op 19 september 2024. Meerdere keren werd deze invrijheidstelling uitgesteld vanwege disciplinaire incidenten en het ontbreken van een passende beschermde woonvorm.

Het openbaar ministerie verzocht op 10 september 2025 om een uitstel van 365 dagen, onderbouwd met rapporten van de reclassering en het verblijf in de penitentiaire inrichting. De veroordeelde en zijn raadsman verzetten zich hiertegen en stelden dat een verblijf op een door hem aangedragen adres met elektronische monitoring mogelijk is.

De rechtbank overwoog dat ondanks eerdere negatieve adviezen, het verblijfadres geschikt is en dat het ontbreken van aanvullend persoonlijkheidsonderzoek geen belemmering vormt voor invrijheidstelling. De recente incidenten werden gezien als uitingen van frustratie. De rechtbank besloot de vordering tot uitstel af te wijzen, stelde bijzondere voorwaarden vast en bepaalde dat de veroordeelde op 31 oktober 2025 voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling af en stelt voorwaarden voor begeleiding en monitoring.

Uitspraak

Rechtbank ROtterdam
Team straf 1
VI-zaaknummer: 99-000473-58
Parketnummer: 22-002978-18 (rechtsmiddel van 10-690167-17 en 10-692088-17)
Datum uitspraak: 17 oktober 2025
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank in de zaak tegen de veroordeelde

[veroordeelde] ,

geboren in [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 1994,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode 1] [woonplaats] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] ,
raadsman mr. M.L. van Gaalen, advocaat in Amsterdam.

Opgelegde straf

Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 december 2020 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van elf jaar, met aftrek van voorarrest.
De veroordeelde kwam aanvankelijk in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling
op 19 september 2024. De meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank heeft op
3 september 2024 beslist tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met een
termijn van drie maanden. Bij beslissing van deze rechtbank van 7 januari 2025 is de
voorwaardelijke invrijheidstelling uitgesteld met een termijn van 90 dagen en bij
beslissing van deze rechtbank van 14 maart 2025 is de voorwaardelijke invrijheidsstelling
uitgesteld met een termijn van 4 maanden. Bij beslissing van deze rechtbank van 1 juli 2025 is de voorwaardelijke invrijheidstelling opnieuw uitgesteld met een termijn van 3 maanden.

Vordering

Op 10 september 2025 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde voor de duur van 365 dagen.
Bij de vordering is overgelegd het rapport van 5 september 2025 van Reclassering
Nederland (hierna: de reclassering) en het advies van 22 augustus 2025 van de inrichting waar de veroordeelde op dat moment verbleef (hierna ook: VI-advies).

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van
9 oktober 2025.
De officier van justitie mr. S.S.S. Heinerman en de veroordeelde, bijgestaan door zijn
raadsman, zijn gehoord. Voorts is reclasseringswerker [persoon A] als deskundige
gehoord.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De veroordeelde is recentelijk in de PI in een korte tijd vier keer
disciplinair gestraft vanwege het bezit van een telefoon en cannabis en het weigeren van een urinecontrole. Verder moet de reclassering het onderzoek naar plaatsing op een forensisch
psychiatrische afdeling (hierna: FPA) of beschermd wonen kunnen voortzetten. Op dit
moment is er nog geen zicht op een plaatsing. De re-integratie van de veroordeelde dient stapsgewijs plaats te vinden en noodzakelijk is dat dit gebeurt binnen een sterk gestructureerde en gecontroleerde setting van een FPA of beschermd wonen. Op deze manier is in de beginfase van de re-integratie in de samenleving voldoende begeleiding en sturing van de veroordeelde mogelijk.

Standpunt veroordeelde

De veroordeelde en zijn raadsman hebben verzocht de vordering af te wijzen. Daartoe is aangevoerd dat de rechtbank in haar twee meest recente beslissingen een termijn heeft
gesteld waarbinnen plaatsing in een beschermde woonvorm diende plaats te vinden. Een plaatsing is tot op heden niet gelukt. In afwachting van een definitieve plaatsing zou
onderzoek plaatsvinden naar mogelijke verblijfadressen waarop elektrische monitoring kan plaatsvinden. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat elektronische monitoring op een
aangedragen verblijfadres mogelijk is. De veroordeelde kan daar verblijven tot een definitieve plaatsing in een beschermde woonvorm.
De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat eerder in deze procedure plaatsing op een FPA niet aan de orde was. Ook wordt gesteld dat een persoonlijkheidsonderzoek een
voorwaarde is voor plaatsing, terwijl nergens uit blijkt dat dit een vereiste is om in
aanmerking te komen voor een plaatsing in een beschermde woonvorm. De veroordeelde heeft in de PI in oktober 2024 meegewerkt aan verdiepingsdiagnostiek en daaruit volgde dat de veroordeelde geen behandeldoelen heeft.
Gelet op het voorgaande weet de veroordeelde langzamerhand niet meer hoe hij in
aanmerking kan komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling. In zijn optiek wordt het hem steeds moeilijker gemaakt. De incidenten die recentelijk in de PI hebben plaatsgevonden zijn het gevolg van teleurstelling die hij te verwerken had omdat de voorwaardelijke
invrijheidstelling op 1 juli 2025 wederom was uitgesteld. Dit waren relatief kleine
incidenten en in elk geval geen incidenten waarbij agressie een rol speelde. De veroordeelde is bereid zich aan de voorwaarden te houden die aan een voorwaardelijke invrijheidstelling worden verbonden.

Beoordeling

In het VI-advies wordt, anders dan in de vorige VI-adviezen, negatief geadviseerd. Uit het rapport blijkt dat de veroordeelde recentelijk in korte tijd vier keer disciplinair gestraft is. Over het algemeen functioneert de veroordeelde goed en laat hij goed gedrag zien, zowel richting het personeel als richting medegedetineerden.
De reclassering adviseert uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling en tevens om een uitgebreid diagnostisch onderzoek te doen. Voordat de veroordeelde voorwaardelijk in
vrijheid kan worden gesteld moeten de risicogebieden in kaart worden gebracht. Hiervoor is nodig dat de veroordeelde meewerkt aan persoonlijkheidsonderzoek.
De deskundige [persoon A] heeft op de terechtzitting het rapport van de reclassering toegelicht en daarbij verklaard dat persoonlijkheidsonderzoek nodig is om de veroordeelde te plaatsen op een FPA. De verdiepingsdiagnostiek die heeft plaatsgevonden en waaraan de
veroordeelde heeft meegewerkt is onvoldoende voor plaatsing op een FPA of beschermd wonen. De deskundige ervaart de veroordeelde als een hele open en vriendelijke man.
De rechtbank overweegt als volgt.
Voorafgaand aan de beslissing van de rechtbank van 14 maart 2025, werd in het VI-advies en het advies van de reclassering positief geadviseerd over een voorwaardelijke invrijheidsstelling. Er was op dat moment echter geen passende beschermde woonvorm voor de
veroordeelde beschikbaar. Hierom wees de rechtbank de vordering van de officier van
justitie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe. De rechtbank overwoog daarbij dat als plaatsing in een beschermde woonvorm niet mogelijk zou zijn binnen de
termijn van vier maanden, ook alternatieven onderzocht dienden te worden, zoals de door de veroordeelde zelf aangedragen woonadressen, zodat hij eventueel in afwachting van een plaatsing in een beschermde woonvorm op een andere locatie zou kunnen verblijven.
Uit de beslissing van de rechtbank van 1 juli 2025 blijkt dat op dat moment nog altijd geen (beschermde) woonvorm voor de veroordeelde was gevonden. Om die reden heeft de
rechtbank de vordering van de officier van justitie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling opnieuw toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek naar de door de veroordeelde aangedragen adressen, zoals opgedragen bij de beslissing van 14 maart 2025, niet had plaatsgevonden en heeft zij de reclassering opgedragen dit alsnog te doen.
Inmiddels heeft dit onderzoek naar de door de veroordeelde aangedragen woonadressen plaatsgevonden. De conclusie van dat onderzoek is dat elektronische monitoring kan
plaatsvinden op één van de onderzochte verblijfadressen. Gelet op de in de eerdere
beslissingen ingezette lijn ligt het in beginsel voor de hand dat de veroordeelde op het door hem aangedragen en geschikt bevonden woonadres gaat verblijven, dit in afwachting van een plaatsing in een beschermde woonvorm. Dat er aanleiding is om van deze ingezette lijn af te wijken is de rechtbank niet gebleken. Hierbij geldt dat de omstandigheid dat de
veroordeelde geen nadere verdiepingsdiagnostiek heeft ondergaan geen belemmering vormt voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling. De veroordeelde heeft in 2024 meegewerkt aan verdiepingsdiagnostiek in de PI en hieruit bleek dat de veroordeelde geen behandeldoelen meer heeft. Voorts volgt uit het huidige reclasseringsadvies en het VI-advies niet dat een FPA de (enige) aangewezen plek zou zijn voor de veroordeelde. Evenmin is dit de lijn in de eerdere VI-adviezen en reclasseringsadviezen.
Nu een verblijfadres bekend is en de rechtbank het noodzakelijk vindt dat de veroordeelde stapsgewijs en gestructureerd op re-integratie in de samenleving wordt voorbereid, is
verblijven op een goedgekeurd adres, alvorens definitief te worden geplaatst in beschermd
wonen, een passende stap. Bij deze beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met de recente incidenten in de PI. Op de zitting heeft de veroordeelde verklaard dat deze
incidenten voortkwamen uit frustratie en teleurstelling wat gelet op het verloop van deze procedure niet geheel onvoorstelbaar is.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat door het stellen van
voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt. De
veroordeelde heeft verklaard dat hij bereid is zich aan de voorwaarden te houden die aan een voorwaardelijke invrijheidstelling worden verbonden, ook als dat inhoudt meewerken aan een beschermde woonvorm.
Gelet op het vorenstaande zal de vordering worden afgewezen. De rechtbank zal in de
beslissing adviseren aan de voorwaardelijke invrijheidstelling de onderstaande bijzondere voorwaarden te verbinden.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
bepaalt dat de veroordeelde op 31 oktober 2025 voorwaardelijk in vrijheid zal worden
gesteld;
adviseert aan de voorwaardelijke invrijheidstelling de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden:
- de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Dit kan ook huisbezoeken inhouden. De veroordeelde volgt de aanwijzingen op die door of namens de reclassering gegeven worden voor zover niet reeds in andere voorwaarden benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waar de veroordeelde aan zal werken om deze te
behalen;
- de veroordeelde zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of
maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra er een plek vrij is. Voorwaarde daarbij is dat de intake positief is verlopen. Het
verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- in afwachting van de definitieve plaatsing bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, zal de veroordeelde op het verblijfadres, [verblijfadres]
, [postcode 2] in [verblijfplaats] , aanwezig zijn op vooraf vastgestelde tijdstippen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft de
veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, werk of
behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft de veroordeelde een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Een ander adres voor het locatiegebod is
alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft;
- de veroordeelde zal zich niet bevinden in het verboden gebied, zoals aangegeven in de bijlage (bijlage: kaart van het verboden gebied - Rotterdam Zuid) van het
EM-deeladvies van 5 september 2025. De veroordeelde werkt mee aan elektrische monitoring op dit locatieverbod;
  • de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
  • de veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en
ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
- de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen indien dat door de reclassering noodzakelijk wordt geacht.
Deze beslissing is genomen door mr. C. Sikkel, voorzitter,
en mrs. S.M. den Hollander en T.S.S. Overes, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2025.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.

Bijlage

Kaart van het verboden gebied – Rotterdam Zuid