ECLI:NL:RBROT:2025:15101

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
10-045367-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:14 SvArt. 38m lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting ISD-maatregel na tussentijdse toets wegens hoog recidiverisico

De rechtbank Rotterdam behandelde op 9 oktober 2025 een verzoek tot tussentijdse beoordeling van de voortzetting van een ISD-maatregel die op 27 juni 2024 was opgelegd voor twee jaar. De veroordeelde had primair beëindiging van de maatregel gevraagd, met als subsidiair verzoek een nieuwe tussentijdse toets binnen 30 of 60 dagen.

De officier van justitie stelde voortzetting voor vanwege het hoge recidiverisico, mede gebaseerd op een incident waarbij de veroordeelde zich onttrok aan klinische opname op de Afdeling Forensische Zorg. De deskundige bevestigde dit advies en meldde dat de veroordeelde binnenkort een intake voor begeleid wonen heeft.

De rechtbank concludeerde dat voortzetting noodzakelijk is om de maatschappij te beveiligen en recidive te voorkomen. Er is zicht op uitstroom naar begeleid wonen, wat de maatregel zinvol maakt. Het verzoek tot beëindiging werd afgewezen en een nieuwe tussentijdse beoordeling binnen 60 dagen werd bepaald.

Uitkomst: De ISD-maatregel wordt voortgezet wegens hoog recidiverisico en zicht op begeleid wonen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10-045367-24
Datum uitspraak: 9 oktober 2025
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 6:6:14 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in de zaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren in [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1976,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I. 1] , locatie [detentielocatie 1] ,
raadsman mr. P. Lootsma, advocaat in Den Haag.

1.Inleiding

Bij vonnis van deze rechtbank van 27 juni 2024 is aan de veroordeelde opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.
Bij beslissing van deze rechtbank van 4 februari 2025 is het verzoek tot beëindiging afgewezen en is beslist dat de ISD-maatregel wordt voortgezet.

2.Procesverloop

Op 4 augustus 2025 is door de griffie van de rechtbank ontvangen een verzoek namens de veroordeelde als bedoeld in artikel 6:6:14, eerste lid, Sv tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.
De zaak is behandeld op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2025. De officier van justitie mr. S.S.S. Heinerman, de veroordeelde en zijn raadsman zijn gehoord. Tevens is als deskundige gehoord mevrouw [persoon A] , als trajectbegeleider ISD verbonden aan de inrichting waar de veroordeelde verbleef, de Penitentiaire Inrichting [naam P.I. 2] , locatie [detentielocatie 2] . Op 8 september 2025 is de veroordeelde overgeplaatst naar de Penitentiaire Inrichting [naam P.I. 1] , locatie [detentielocatie 1] .

3.Standpunten van partijen

De veroordeelde en de raadsman hebben primair beëindiging van de ISD-maatregel bepleit. De opstartfase van de ISD-maatregel duurde lang en momenteel is nog geen zicht op plaatsing in begeleid wonen. Subsidiair is verzocht over 30 of 60 dagen een tussentijdse toets ter beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in te plannen, zodat er druk wordt gezet op de uitvoer en voortgang van de maatregel. Bij de veroordeelde heerst namelijk de angst dat de ISD-maatregel afloopt, voordat een vangnet tot stand is gekomen. De ervaring leert dat een tussentijdse toets ervoor zorgt dat plaatsing in een instelling voor begeleid wonen sneller in zicht komt.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot voortzetting van de ISD-maatregel. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de veroordeelde zich recentelijk heeft onttrokken aan zijn klinische opname op de Afdeling Forensische Zorg in Portugaal (hierna: AFZ). Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. De veroordeelde heeft aangegeven dat zijn voorkeur uitgaat naar begeleid wonen. Dit kan met voortzetting van de ISD-maatregel worden bewerkstelligd, wat de ISD-maatregel zinvol maakt.

4.Beoordeling

Het rapport over het verloop van het ISD-traject
Uit de rapportage van 17 september 2025 opgesteld door de deskundige en de directeur ISD blijkt onder meer het volgende. Op 6 maart 2025 is de veroordeelde klinisch opgenomen op de AFZ. Over het algemeen houdt de veroordeelde zich op de AFZ aan de regels en afspraken van de afdeling. Stapsgewijs heeft hij tijdens zijn verblijf verloven opgebouwd. Als bij de veroordeelde sprake is van oplopende spanning dan is hij kort in het contact, negeert hij het personeel en kan hij negatieve uitspraken doen richting het personeel. Op 7 augustus 2025 heeft op de AFZ een incident plaatsgevonden waarbij de veroordeelde zich heeft onttrokken aan zijn klinische opname. Naar aanleiding van dit incident is de veroordeelde op 8 september 2025 geplaatst in de PI Alphen. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. De directeur adviseert op basis van de huidige situatie de ISD-maatregel voort te zetten.
Het advies van de deskundige
De deskundige heeft op de zitting het advies om de ISD-maatregel voort te zetten bevestigd. De deskundige heeft verklaard dat de veroordeelde is aangemeld voor begeleid wonen in Rhoon, waar zijn voorkeur naar uit gaat, en op de dag van de zitting heeft de deskundige te horen gekregen dat de veroordeelde daar binnenkort een intake heeft. Omdat de veroordeelde momenteel gedetineerd zit in de PI [naam P.I. 1] zal op korte termijn een overdracht plaatsvinden naar de casemanager van de PI [naam P.I. 1] .
De beoordeling
De rechtbank dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting
van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. In artikel 38m lid 2 van het
Wetboek van Strafrecht is bepaald dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de
maatschappij en de beëindiging van de recidive van de verdachte.
De rechtbank is op grond van de hierboven genoemde stukken van oordeel dat het risico op recidive onverminderd hoog is. Gebleken is dat beëindiging van de ISD-maatregel naar verwachting zal leiden tot onveiligheid, overlast en verloedering van het publieke domein.
De rechtbank acht voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel zinvol, omdat de veroordeelde kan uitstromen naar begeleid wonen. De deskundige heeft aangegeven dat op dit moment zicht is op een plek in begeleid wonen. Bovendien heeft de veroordeelde op zitting aangegeven dat hij graag begeleid zou willen wonen.
Voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is daarom noodzakelijk. Er is geen grond om tot beëindiging van de maatregel over te gaan. Het wordt tevens noodzakelijk geacht dat er over enige tijd opnieuw een tussentijdse beoordeling plaatsvindt. Met het oog daarop zal worden bepaald dat het openbaar ministerie binnen 60 dagen na vandaag de rechtbank over de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel zal berichten. De raadsman heeft ter zitting aangegeven dat hij zal verzoeken tot het achterwege laten van die beoordeling in geval de veroordeelde op dat moment reeds in een begeleide woonvorm is (of binnen afzienbare tijd zal worden) opgenomen.

5.Beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders;
- de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt voortgezet;
- beslist tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en bepaalt dat het openbaar ministerie de rechtbank daarover binnen
60 dagenna vandaag opnieuw zal berichten.
Deze beslissing is gegeven door:
C. Sikkel, voorzitter,
en S.M. den Hollander en T.S.S. Overes, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.