Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker;
- mevrouw M. van den Berg, beschermingsbewindvoerder.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet, waarmee verweerster wordt verboden het vonnis tot ontruiming van de huurwoning ten uitvoer te leggen. De ontruiming is gepland naar aanleiding van een vonnis van 11 juli 2025. Verzoeker heeft verklaard dat de schulden zijn ontstaan door het overlijden van zijn vader en heeft sinds september 2024 een baan. Sinds augustus 2025 is verzoeker onder beschermingsbewind gesteld en ontvangt hij een maandelijks inkomen dat voldoende is om de lopende huur te voldoen.
Tijdens de zitting op 20 oktober 2025 was verweerster niet aanwezig. De advocaat van verzoeker overhandigde een betaalbewijs van de huur over oktober 2025. De beschermingsbewindvoerder bevestigde dat de vaste lasten, waaronder de huur, worden voldaan en dat een schuldhulpverleningstraject op korte termijn kan starten.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.
De voorziening schort de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis op en verlengt de huurovereenkomst voor de duur van zes maanden vanaf 5 september 2025. De rechtbank legt een rapportageverplichting op aan de schuldhulpverlening twee weken voor het einde van de voorziening.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden opschort onder de voorwaarde van tijdige huurbetaling.