In deze zaak, behandeld door de Regelrechter van de Rechtbank Rotterdam, heeft eiser, vertegenwoordigd door mr. E.M. Prins, een geldvordering ingesteld tegen de gedaagden, die niet zijn verschenen. De eiser, woonachtig in Den Haag, eist een bedrag van € 600,- dat hij stelt te zijn verschuldigd aan hem door de gedaagden, die de borgsom van de huurwoning niet volledig hebben terugbetaald. De huurrelatie is inmiddels beëindigd en de huurders hebben de woning verlaten. Eiser stelt dat bij aanvang van de huur een borg van € 3.000,- is betaald, maar dat hij slechts € 2.400,- heeft teruggekregen. De rechter heeft de eis toegewezen, omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond leek, en heeft de gedaagden veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, evenals de proceskosten, die zijn begroot op € 427,50. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk kan worden uitgevoerd, ook als de gedaagden in hoger beroep gaan. De uitspraak vond plaats op 19 december 2025 en is openbaar gemaakt door mr. B.J.R. van Tongeren.