ECLI:NL:RBROT:2025:15136

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
C/10/702156 / FA RK 25-4877
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 15 HKV 1996Art. 16 HKV 1996Art. 223 RvArt. 10:3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek gezamenlijk gezag wegens vreemd recht en bestaande gezagssituatie

De man verzocht de rechtbank om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind met de vrouw toe te wijzen. De vrouw is van Belgische nationaliteit en het kind is in België geboren, waar het gezamenlijk gezag volgens het toepasselijke Belgische recht automatisch ontstaat bij geboorte.

De rechtbank stelde vast dat het gezamenlijk gezag naar buitenlands recht al bestond en ononderbroken voortduurde ondanks verplaatsing van het kind tussen Nederland en België. Hierdoor had de man geen belang bij zijn verzoek tot gezamenlijk gezag in Nederland.

Daarnaast werd een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro ingediend, maar dit werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat de hoofdzaak reeds was beslist en de voorlopige voorziening slechts voor de duur van het geding geldt.

De vrouw, de gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming waren niet verschenen bij de mondelinge behandeling. De rechtbank bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: Het verzoek tot gezamenlijk gezag en de voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het reeds bestaande gezamenlijk gezag volgens vreemd recht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/702156 / FA RK 25-4877
Beschikking van 11 december 2025 over het ouderlijk gezag en de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.-M.F. Honders te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
In deze zaak is belanghebbende:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 26 juni 2025;
  • het bericht met bijlage van de man van 2 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij is de man verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.
De vrouw, de GI en de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ).
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Belgische nationaliteit.
2.4.
Op 27 augustus 2025 is als status van de vrouw in de basisregistratie personen opgenomen “emigratie”, met als land van verblijf België. Rond die tijd is zij ook feitelijk met de minderjarige verhuisd naar België.

3.De beoordeling

Hoofdzaak
3.1.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.1.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige, op het moment van indiening van het verzoekschrift, in Nederland was gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige.
3.1.2.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 (HKV 1996) Nederlands recht toe op het verzoek.
3.2.
Gezag
3.2.1.
De man verzoekt te bepalen dat hij gezamenlijk met de vrouw met het gezag over de minderjarige wordt belast.
3.2.2.
De vrouw verweert zich niet tegen dit verzoek.
3.2.3.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3.2.4.
Op grond van artikel 16, eerste lid, HKV 1996 wordt het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Dat was, op het moment van geboorte, België. De hoofdregel in het Belgische recht is dat de juridische ouders van het kind gezamenlijk gezag uitoefenen. De rechtbank is niet gebleken van een uitzondering of van enige beslissing die het gezamenlijk gezag na het ontstaan daarvan heeft aangetast.
3.2.5.
Op grond van artikel 16, derde lid, HKV 1996 blijft de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid bestaan na verplaatsing van de gewone verblijfplaats naar een andere staat. Dat betekent dat, na verplaatsing van het hoofdverblijf naar Nederland, het gezamenlijk gezag in stand bleef. Het houdt ook in dat na de recente verplaatsing van het hoofdverblijf naar België het gezamenlijk gezag in stand is gebleven.
3.2.6.
De rechtbank concludeert dan ook dat er al sprake is van gezamenlijk gezag. Daarom heeft de man geen belang bij zijn verzoek. Om die reden zal de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren.
3.2.7.
Dat Nederlandse (jeugdbeschermings-)instanties, naar de man stelt, wel altijd uit zijn gegaan van eenhoofdig gezag van de vrouw, maakt dit alles niet anders. De gezagssituatie is immers niet afhankelijk van het oordeel van dergelijke instanties.
Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro
3.3.
Toepasselijk recht
3.3.1.
Op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter is het Nederlandse recht van toepassing (artikel 10:3 BW Pro). Daarom is het Nederlands procesrecht van toepassing op een verzoek om een voorlopige voorziening, zoals is verzocht op grond van artikel 223 Rv Pro.
3.3.2.
Omdat de voorlopige voorziening en de bodemprocedure gelijktijdig zijn behandeld en op het verzoek in de bodemzaak is beslist, heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek in het kader van de voorlopige voorziening. Immers, een op basis van artikel 223 Rv Pro gegeven voorlopige voorziening geldt slechts voor de duur van het geding en het geding eindigt met deze beschikking. De man is daarom ook niet-ontvankelijk in dit verzoek.
Hoofdzaak en voorlopige voorziening
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart de man niet-ontvankelijk;
4.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, voorzitter tevens (kinder)rechter, en mr. M. Fiege en mr. L.E.D. Tjeertes, (kinder)rechters en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 11 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.