Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 26 juni 2025;
- het bericht met bijlage van de man van 2 november 2025.
Rechtbank Rotterdam
De man verzocht de rechtbank om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind met de vrouw toe te wijzen. De vrouw is van Belgische nationaliteit en het kind is in België geboren, waar het gezamenlijk gezag volgens het toepasselijke Belgische recht automatisch ontstaat bij geboorte.
De rechtbank stelde vast dat het gezamenlijk gezag naar buitenlands recht al bestond en ononderbroken voortduurde ondanks verplaatsing van het kind tussen Nederland en België. Hierdoor had de man geen belang bij zijn verzoek tot gezamenlijk gezag in Nederland.
Daarnaast werd een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro ingediend, maar dit werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat de hoofdzaak reeds was beslist en de voorlopige voorziening slechts voor de duur van het geding geldt.
De vrouw, de gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming waren niet verschenen bij de mondelinge behandeling. De rechtbank bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: Het verzoek tot gezamenlijk gezag en de voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het reeds bestaande gezamenlijk gezag volgens vreemd recht.