ECLI:NL:RBROT:2025:15137

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
C/10/704817 / FA RK 25-6101
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • mr. drs. J. van den Bos
  • mr. M. Fiege
  • mr. L.E.D. Tjeertes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor verplaatsing van het hoofdverblijf van een minderjarige van stiefmoeder in Nederland naar biologische moeder in België

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 24 december 2025 uitspraak gedaan over de hoofdverblijfplaats van een minderjarige. Het verzoek is ingediend door [naam 1], de biologische moeder van de minderjarige, die verzoekt om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te wijzigen van haar stiefmoeder, [naam 2], naar haarzelf in België. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minderjarige sinds juli 2025 bij [naam 1] in België woont, na een periode van verblijf bij [naam 2] in Nederland. De rechtbank heeft de procedure gestart op basis van de gewijzigde omstandigheden en de wens van de minderjarige om in België te wonen. Tijdens de mondelinge behandeling is de minderjarige in de gelegenheid gesteld haar mening te geven, wat zij ook heeft gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat de zorgen van [naam 2] over de minderjarige niet zodanig zijn dat de verhuizing naar België niet in het belang van de minderjarige is. De rechtbank heeft het verzoek van [naam 1] om de hoofdverblijfplaats te wijzigen toegewezen en de zorgregeling vastgesteld, waarbij de minderjarige eens per drie weken bij [naam 2] verblijft. Tevens is het verzoek van [naam 1] om vervangende toestemming voor inschrijving op school afgewezen, omdat [naam 2] al toestemming had verleend. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij elke partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/704817 / FA RK 25-6101
Beschikking van 24 december 2025 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de vervangende toestemming op grond van artikel 1:253a BW
in de zaak van:
[naam 1], hierna: [naam 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. L.A. Jansen te Oud-Beijerland,
t e g e n
[naam 2], hierna: [naam 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. B. Laurman te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van [naam 1] , ingekomen op 7 augustus 2025;
  • het aanvullend verzoekschrift met bijlage, ingekomen op 9 september 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlage, ingekomen op 3 november 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • [naam 1] , bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 2] , bijgestaan door haar advocaat.
De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben zowel de advocaat van [naam 1] als de advocaat van [naam 2] een pleitnotitie overgelegd.
1.4.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hier gebruik van gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
[naam 1] en [naam 3] (hierna: de man) zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ).
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is vanaf 2016 bij de man die op dat moment samenwoonde met [naam 2] .
2.3.
De man is op [datum 1] gehuwd met [naam 2] en op [datum 2] overleden. De minderjarige is bij [naam 2] blijven wonen.
2.4.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2023 is bepaald dat [naam 1] en [naam 2] het ouderlijk gezag over de minderjarige gezamenlijk uitoefenen. Zij waren het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij [naam 2] bleef. In juli 2025 is de minderjarige bij [naam 1] in België gaan wonen.

3.De beoordeling

3.1.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.1.
Op het moment van het indienen van het verzoekschrift woonde de minderjarige nog maar kort in België. Haar gewone verblijfplaats was daarom nog in Nederland gelegen. Dit betekent dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd is te beslissen op het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, het verzoek tot wijziging van de zorgreling en het verzoek tot vervangende toestemming.
3.1.2.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.2.
Verblijfplaats en zorgregeling
3.2.1.
[naam 1] verzoekt:
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt gewijzigd en bij haar zal zijn;
- een zorgregeling vast te stellen, waarbij de minderjarige eens per drie weken een weekend van vrijdagavond tot zondag alsmede ongeveer een kwart van de vakanties en in de zomervakantie tweemaal een week bij [naam 2] verblijft. [naam 2] haalt de minderjarige op en brengt haar terug.
3.2.2.
[naam 2] voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt:
- het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats af te wijzen, althans de zaak gedurende drie maanden aan te houden om te bezien of het in het belang van de minderjarige is het verzoek toe of af te wijzen;
- het verzoek ten aanzien van de zorgregeling af te wijzen;
- een voorlopige zorgregeling te bepalen, waarbij de minderjarige een keer per drie weken van vrijdagavond 19.30 uur tot zondagavond 19.30 uur bij [naam 2] zal verblijven, alsmede de helft van de schoolvakanties, kerst en oud en nieuw jaarlijks afgewisseld in die zin dat de minderjarige in 2025 met kerst bij [naam 1] en met oud en nieuw bij [naam 2] zal zijn. [naam 1] zal steeds halen en brengen.
3.2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 1] haar verzoek aangevuld en gevraagd om een vergoeding voor reiskosten die zij moet maken bij het halen en brengen van de minderjarige.
Verblijfplaats
3.2.4.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over de hoofdverblijfplaats of een door ouders onderling getroffen regeling over de hoofdverblijfplaats wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank neemt een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij deze beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen. Dat kan er soms ook toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, ook al moet het belang van het kind een overweging van de eerste orde zijn bij de afweging van alle belangen.
3.2.5.
[naam 1] stelt dat de minderjarige graag een frisse start wil maken en na een serieuze overweging heeft besloten naar België te verhuizen. [naam 2] zou daarvoor toestemming hebben gegeven, maar deze later hebben ingetrokken, aldus [naam 1] .
[naam 2] betwist toestemming te hebben gegeven voor de verhuizing naar België. Daarnaast heeft zij zorgen over de minderjarige wanneer zij bij [naam 1] verblijft, zoals afwezigheid op school, voldoende slaap, persoonlijke hygiëne en social mediagebruik. Over de wens van de minderjarige om naar België te verhuizen, heeft de minderjarige aangegeven te twijfelen of ze daar definitief wil blijven, aldus [naam 2] .
3.2.6.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank is van oordeel, dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, zodat wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
3.2.7.
De rechtbank zal het verzoek van [naam 1] met betrekking tot de wijziging van de hoofdverblijfplaats toewijzen.
3.2.8.
In de eerste plaats is het de uitdrukkelijke wens van de minderjarige om in België te wonen en heeft zij inmiddels een leeftijd waarop haar mening steeds zwaarder weegt. Dit heeft ze in een gesprek met de voorzitter voorafgaand aan de zitting nogmaals bevestigd. Zij heeft hierbij goed kunnen aangeven waarom zij dit wil. Hoewel de rechtbank de zorgen van [naam 2] begrijpt, acht de rechtbank deze niet zodanig dat de verhuizing naar België niet in het belang van de minderjarige is.
3.2.9.
Ook ziet de rechtbank geen noodzaak de zaak aan te houden zoals door [naam 2] is voorgesteld. Het is juist belangrijk dat de partijen en de minderjarige duidelijkheid krijgen of de minderjarige wel of niet bij [naam 1] in België mag wonen. Wel is het belangrijk dat partijen zo snel mogelijk met elkaar gaan praten over de opvoeding van de minderjarige en daarover afspraken maken. Dat is tot op heden niet gebeurd.
Zorgregeling
3.2.10.
Op grond van artikel 1:253a BW, voor zover hier van belang, kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen.
3.2.11.
Partijen zijn het erover eens dat de minderjarige eens per drie weken van vrijdagavond tot en met zondagavond bij [naam 2] verblijft, waarbij de begin- en eindtijden door partijen in onderling overleg worden ingevuld. Partijen zijn ook overeengekomen dat zij de schoolvakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte zullen verdelen. De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen opnemen in deze beschikking.
3.2.12.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 1] toegezegd het halen en brengen van de minderjarige voor haar rekening te nemen, omdat [naam 2] geen rijbewijs heeft. [naam 1] heeft daarvoor een vergoeding verzocht. De rechtbank wijst dit verzoek af. De kosten van halen en brengen van de minderjarige vormen slechts een onderdeel van de totale kosten die moeten worden gemaakt voor haar verzorging. Hoewel de rechtbank bevoegd is een regeling te treffen buiten een alimentatieverzoek om, ziet de rechtbank daar in deze zaak geen aanleiding toe, omdat de rechtbank totaal geen inzicht heeft in de financiële positie van partijen en dus ook niet kan bepalen op welke wijze deze kosten eerlijk verdeeld kunnen worden.
3.3.
Vervangende toestemming
3.3.1.
[naam 1] verzoekt haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven op basisschool [naam school] in [plaatsnaam] .
3.3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 2] aangegeven al toestemming te hebben verleend. Dit is niet door [naam 1] betwist. Nog afgezien daarvan gaat de minderjarige al naar de school waarvoor vervangende toestemming wordt verzocht. [naam 1] heeft daarom geen belang bij haar verzoek en zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij [naam 1] zal zijn;
4.2.
neemt op de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen, te weten:
- de minderjarige verblijft eens per drie weken van vrijdagavond tot zondagavond bij [naam 2] , waarbij [naam 1] de minderjarige zal halen en brengen,
- de vakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte verdeeld;
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
verklaart [naam 1] niet-ontvankelijk in het verzoek om vervangende toestemming;
4.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, voorzitter tevens (kinder)rechter, en mr. M. Fiege en mr. L.E.D. Tjeertes, (kinder)rechters en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 24 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.