ECLI:NL:RBROT:2025:15151
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in faillissementszaak met betrekking tot huurbetalingen
In deze zaak hebben verzoekers op 17 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 en 287b van de Faillissementswet (Fw) om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek was gericht op het verbieden van de verhuurder om een vonnis tot ontruiming van hun woning, uitgesproken op 7 augustus 2025, ten uitvoer te leggen. De rechtbank heeft op 13 oktober 2025 een zitting gehouden, maar verzoekers zijn niet verschenen. De advocaat van verzoekers heeft wel een aanvullend e-mailbericht gestuurd na de zitting. De rechtbank heeft op 20 oktober 2025 uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekers in een bedreigende situatie verkeren, aangezien er een vonnis tot ontruiming is en de verhuurder heeft aangekondigd tot ontruiming over te gaan. Echter, de rechtbank oordeelt dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij in staat zijn om de lopende huurbetalingen tijdig te voldoen. De huur voor oktober 2025 is niet betaald en het schuldhulpverleningstraject is niet opgestart. De rechtbank heeft de belangen van verzoekers en de verhuurder afgewogen en geconcludeerd dat het belang van de verhuurder zwaarder weegt. Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en zijn verzoekers niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank heeft de beslissing als volgt geformuleerd: het verzoek ex artikel 287b Fw wordt afgewezen en verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw. Verzoekers kunnen in de toekomst een nieuw verzoek indienen indien nodig.