5.1.Verzoeker heeft op de zitting aangevoerd dat hij al geruime tijd werkzaam was bij de zorginstelling, in de ouderenpsychiatrie. Sinds twee weken zit verzoeker thuis in afwachting van een VOG. Hij wil heel graag weer aan het werk, maar zonder de vereiste VOG mag hij niet werken. Als de beslissing op bezwaar op zich laat wachten is de kans groot dat ‘zijn’ functie aan iemand anders wordt gegeven. De voorzieningenrechter neemt op grond hiervan enig spoedeisend belang aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. De staatssecretaris heeft de aanvraag beoordeeld aan de hand van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025. Hieruit volgt kort gezegd:
- als iemand niet voorkomt in het JDS, dan wordt een VOG afgegeven;
- als iemand wel voorkomt in het JDS, dan wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van het objectieve en het subjectieve criterium.
8. Verzoeker komt voor in het JDS, zodat bij hem moet worden gekeken naar het objectieve en naar het subjectieve criterium. Omdat in het JDS van verzoeker in de afgelopen vier jaar een geweldsmisdrijf is aangetroffen, geldt in beginsel een beperkte terugkijktermijn van vier jaar. De staatssecretaris kan van deze terugkijktermijn afwijken als binnen de terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen. In dat geval worden ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen bij de beoordeling van de aanvraag betrokken.
Is voldaan aan het objectieve criterium?
9. De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.
10. Bij het objectieve criterium wordt niet gekeken naar de persoon van verzoeker zelf. Er wordt alleen gekeken of de delicten waarvoor verzoeker is veroordeeld, of gedagvaard, een risico vormen bij het vervullen van de functie van ervaringswerker. De beoordeling van het objectieve criterium gaat dus niet om de vraag hoe aannemelijk het is dat de overtreding nog een keer door verzoeker zal worden gepleegd in de toekomst (reëel recidivegevaar). Ook is niet relevant of het strafbare feit plaatsvond in de privésfeer.
11. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de strafrechtelijke feiten waarmee verzoeker voorkomt in het JDS, indien herhaald, een belemmering vormen voor de behoorlijke uitoefening van de functie van ervaringswerker. Volgens de Beleidsregels heeft de staatssecretaris hierbij ook mogen kijken naar strafbare feiten waarvoor verzoeker enkel nog is gedagvaard, maar (nog) niet onherroepelijk is veroordeeld.Alleen al de enkele verdenking van een strafbaar feit is relevant. De voorzieningenrechter gaat ook uitdrukkelijk niets zeggen over die verdenking. Daarover gaat de strafrechter. Ook de staatssecretaris heeft zich terecht buiten een inhoudelijke beoordeling van de strafzaak gehouden. Als gezegd is bij de beoordeling van het objectieve criterium ook niet relevant – anders dan verzoeker betoogt – of het strafbare feit plaatsvond in de privésfeer.
12. De staatssecretaris heeft verzoeker niet hoeven volgen in de stelling dat de strafbare feiten geen verband houden met de functie waarvoor de VOG is aangevraagd.Als ervaringswerker in de (geestelijke) gezondheidszorg is verzoeker verantwoordelijk voor het welzijn, de gezondheid en de veiligheid van veelal kwetsbare personen. Deze personen kunnen thuis zijn of in een zorginstelling. Ook is sprake van een afhankelijkheidsrelatie. Gezien de strafbare feiten waarvan verzoeker wordt verdacht en de feiten waarvoor hij eerder is veroordeeld, bestaat het risico dat personen die aan de zorg van verzoeker worden toevertrouwd bloot worden gesteld aan, of slachtoffer worden van, verbaal en/of fysiek geweld.
13. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan het objectieve criterium is voldaan.
Is voldaan aan het subjectieve criterium?
14. Op grond van het subjectieve criterium wordt gekeken of het belang van de aanvrager bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving. Hierbij spelen de persoonlijke omstandigheden van verzoeker dus wel een rol.
Omstandigheden die verder in de beoordeling worden betrokken zijn: de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.
15. Verzoeker heeft meerdere strafrechtelijke antecedenten op zijn naam. Niet alleen in de terugkijktermijn, maar ook daarbuiten. De staatssecretaris stelt daarom terecht dat sprake is van recidive. De staatssecretaris heeft daarom mogen aannemen dat in verzoekers geval de kans groter is dat hij opnieuw met justitie in aanraking komt. Bovendien dateert het laatst bekende strafbare feit van 18 april 2025 en is sprake van een nog lopende proeftijd tot 22 april 2027. Daarnaast kan de veroordeling in hoger beroep op 2 april 2024 niet worden gezien als een lichte straf. De staatssecretaris heeft deze aspecten zwaar in de beoordeling mogen laten meewegen.
16. Als gezegd mag de staatssecretaris in de beoordeling ook de strafbare feiten betrekken waarvoor verzoeker nog niet is veroordeeld, maar wel gedagvaard. In het kader van het subjectieve criterium is van belang dat sprake is van een redelijke verdenking. Tot de strafrechter hierover uitspraak heeft gedaan, mag de staatssecretaris uitgaan van de informatie die hij van het openbaar ministerie heeft ontvangen. Uit de door het openbaar ministerie overgelegde tenlasteleggingen blijkt dat sprake is van een redelijke verdenking. Verzoeker wordt ervan verdacht dat hij verbaal geweld heeft gebruikt (onder meer via sociale media) en daarbij “met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling” heeft gedreigd.
16. De staatssecretaris heeft op basis hiervan het belang van de samenleving zwaar(der) mogen laten meewegen. Hetgeen verzoeker daartegenover heeft gesteld legt onvoldoende gewicht in de schaal om de belangenafweging in zijn voordeel te laten uitvallen. Het risico op herhaling van de strafbare feiten is daarvoor te groot. De voorzieningenrechter volgt de staatssecretaris daarbij in het standpunt dat de strafbare feiten waarvoor verzoeker in 2024 is veroordeeld en de strafbare feiten waarvan hij zeer recentelijk wordt verdacht, zich niet verenigen met een functie in de gezondheidszorg.
18. De voorzieningenrechter is gezien het voorgaande van oordeel dat ook aan het subjectieve criterium is voldaan.
19. Verzoeker heeft aangevoerd dat hem de gevraagde VOG had moeten worden verleend, aangezien hem eerder, onder vergelijkbare omstandigheden en voor een vrijwel identieke functie, (na het indienen van de zienswijze) wel een VOG is verleend. De voorzieningenrechter kan verzoeker hierin niet volgen. De eerdere toekenning heeft plaatsgevonden voordat verzoeker in hoger beroep is veroordeeld. De nieuwe strafbare feiten waarvoor verzoeker recentelijk is gedagvaard waren op dat moment nog niet aan de orde. Van vergelijkbare omstandigheden is daarom geen sprake. Bovendien is niet duidelijk of destijds aan hetzelfde screeningsprofiel is getoetst.
20. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.