ECLI:NL:RBROT:2025:15157

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/9128
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van aanvraag Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) door staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 12 december 2025, wordt de afwijzing van de aanvraag om een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid behandeld. De aanvraag is afgewezen omdat verzoeker in de afgelopen vier jaar is veroordeeld of gedagvaard voor meerdere geweldsdelicten en bedreiging, wat niet verenigbaar is met de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. De staatssecretaris heeft het belang van de samenleving zwaarder laten wegen dan het persoonlijke belang van verzoeker. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 december 2025 behandeld, waarbij verzoeker en zijn gemachtigden aanwezig waren. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van de staatssecretaris en wijst het verzoek af, omdat de strafbare feiten van verzoeker een risico vormen voor de functie van ervaringswerker in de geestelijke gezondheidszorg. De voorzieningenrechter concludeert dat zowel het objectieve als het subjectieve criterium voor afwijzing zijn voldaan, en dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat de VOG niet kan worden verstrekt. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige afweging tussen de belangen van de aanvrager en de samenleving.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9128

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. T. Tesselhof).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van verzoekers aanvraag om een Verklaring omtrent het gedrag (VOG). De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker in de afgelopen vier jaar (en daarbuiten) is veroordeeld of gedagvaard voor meerdere geweldsdelicten en voor bedreiging. Deze delicten laten zich niet verenigen met de functie waarvoor verzoeker de VOG heeft aangevraagd. De staatssecretaris laat verder het belang van de samenleving zwaarder wegen dan het persoonlijke belang van verzoeker. Verzoeker is het met dit besluit niet mee eens en heeft daarom een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter volgt in deze uitspraak het standpunt van de staatssecretaris en wijst het verzoek af.

Procesverloop

1. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 de aanvraag van verzoeker om een VOG afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft op 17 juli 2025 een VOG aangevraagd voor de functie van ervaringswerker in de GGZ bij de Parnassia Groep (de zorginstelling). Een VOG is een verklaring waaruit blijkt dat iemands gedrag in het verleden geen bezwaar vormt voor het vervullen van een specifieke taak of functie. Bij de beoordeling van een VOG-aanvraag kijkt de staatssecretaris of iemand strafbare feiten op zijn naam heeft staan die een risico vormen voor die specifieke taak of functie. [1] Het kan dus gebeuren dat iemand die strafbare feiten heeft gepleegd, wel een VOG krijgt voor de ene functie maar niet voor de andere functie.
3. De staatssecretaris heeft de aanvraag in behandeling genomen en beoordeeld op basis van het door de werkgever opgegeven screeningsprofiel “45. Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier”. [2] De staatssecretaris heeft hiertoe het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) geraadpleegd. In dit systeem worden alle misdrijven en een groot aantal overtredingen van natuurlijke personen en rechtspersonen geregistreerd. Voor de functie van ervaringswerker geldt in beginsel een terugkijktermijn van vier jaar. [3]
3.1.
De staatssecretaris heeft geconstateerd dat verzoeker volgens het JDS binnen de terugkijktermijn voorkomt.
  • Verzoeker is op 18 april 2025 met justitie in aanraking gekomen wegens bedreiging (artikel 285, lid 1, Wetboek van strafrecht (WvS)). Deze zaak staat nog open. Verzoeker is wel gedagvaard;
  • In de periode van 1 februari 2025 tot en met 15 maart 2025 is verzoeker volgens het JDS eerder met justitie in aanraking gekomen wegens bedreiging (artikel 285, lid 1, WvS). Ook deze zaak staat nog open. Verzoeker is wel gedagvaard.
  • Op 2 april 2024 is verzoeker in hoger beroep veroordeeld wegens mishandeling (artikel 300, lid 1, WvS), bedreiging (artikel 285, lid 1, WvS) en het niet voldoen aan een ambtelijk bevel (artikel 184, lid 1, WvS), tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden. Deze proeftijd is nog van kracht tot 22 april 2027. De uitspraak is op 22 april 2025 onherroepelijk geworden.
3.2.
De staatssecretaris heeft geconstateerd dat verzoeker ook buiten de terugkijktermijn met justitie in aanraking is gekomen. Op 3 april 2006 is verzoeker veroordeeld tot 60 uren werkstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van twee jaren, wegens een poging tot zware mishandeling (artikel 302, lid 1, WvS in samenhang met artikel 45, lid 1, WvS).
3.3.
De staatsecretaris vindt deze delicten niet verenigbaar met de functie van ervaringswerker. Daarom heeft de staatssecretaris de VOG geweigerd.
4. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hem een VOG wordt verstrekt.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als er sprake is van ‘onverwijlde spoed’, waardoor verzoeker niet kan wachten tot op zijn bezwaren is beslist. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom eerst of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek.
5.1.
Verzoeker heeft op de zitting aangevoerd dat hij al geruime tijd werkzaam was bij de zorginstelling, in de ouderenpsychiatrie. Sinds twee weken zit verzoeker thuis in afwachting van een VOG. Hij wil heel graag weer aan het werk, maar zonder de vereiste VOG mag hij niet werken. Als de beslissing op bezwaar op zich laat wachten is de kans groot dat ‘zijn’ functie aan iemand anders wordt gegeven. De voorzieningenrechter neemt op grond hiervan enig spoedeisend belang aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. De staatssecretaris heeft de aanvraag beoordeeld aan de hand van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025. Hieruit volgt kort gezegd:
- als iemand niet voorkomt in het JDS, dan wordt een VOG afgegeven;
- als iemand wel voorkomt in het JDS, dan wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van het objectieve en het subjectieve criterium.
8. Verzoeker komt voor in het JDS, zodat bij hem moet worden gekeken naar het objectieve en naar het subjectieve criterium. Omdat in het JDS van verzoeker in de afgelopen vier jaar een geweldsmisdrijf is aangetroffen, geldt in beginsel een beperkte terugkijktermijn van vier jaar. De staatssecretaris kan van deze terugkijktermijn afwijken als binnen de terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen. In dat geval worden ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. [4]
Is voldaan aan het objectieve criterium?
9. De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. [5]
10. Bij het objectieve criterium wordt niet gekeken naar de persoon van verzoeker zelf. Er wordt alleen gekeken of de delicten waarvoor verzoeker is veroordeeld, of gedagvaard, een risico vormen bij het vervullen van de functie van ervaringswerker. De beoordeling van het objectieve criterium gaat dus niet om de vraag hoe aannemelijk het is dat de overtreding nog een keer door verzoeker zal worden gepleegd in de toekomst (reëel recidivegevaar). Ook is niet relevant of het strafbare feit plaatsvond in de privésfeer.
11. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de strafrechtelijke feiten waarmee verzoeker voorkomt in het JDS, indien herhaald, een belemmering vormen voor de behoorlijke uitoefening van de functie van ervaringswerker. Volgens de Beleidsregels heeft de staatssecretaris hierbij ook mogen kijken naar strafbare feiten waarvoor verzoeker enkel nog is gedagvaard, maar (nog) niet onherroepelijk is veroordeeld. [6] Alleen al de enkele verdenking van een strafbaar feit is relevant. De voorzieningenrechter gaat ook uitdrukkelijk niets zeggen over die verdenking. Daarover gaat de strafrechter. Ook de staatssecretaris heeft zich terecht buiten een inhoudelijke beoordeling van de strafzaak gehouden. Als gezegd is bij de beoordeling van het objectieve criterium ook niet relevant – anders dan verzoeker betoogt – of het strafbare feit plaatsvond in de privésfeer. [7]
12. De staatssecretaris heeft verzoeker niet hoeven volgen in de stelling dat de strafbare feiten geen verband houden met de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. [8] Als ervaringswerker in de (geestelijke) gezondheidszorg is verzoeker verantwoordelijk voor het welzijn, de gezondheid en de veiligheid van veelal kwetsbare personen. Deze personen kunnen thuis zijn of in een zorginstelling. Ook is sprake van een afhankelijkheidsrelatie. Gezien de strafbare feiten waarvan verzoeker wordt verdacht en de feiten waarvoor hij eerder is veroordeeld, bestaat het risico dat personen die aan de zorg van verzoeker worden toevertrouwd bloot worden gesteld aan, of slachtoffer worden van, verbaal en/of fysiek geweld.
13. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan het objectieve criterium is voldaan.
Is voldaan aan het subjectieve criterium?
14. Op grond van het subjectieve criterium wordt gekeken of het belang van de aanvrager bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving. Hierbij spelen de persoonlijke omstandigheden van verzoeker dus wel een rol.
Omstandigheden die verder in de beoordeling worden betrokken zijn: de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.
15. Verzoeker heeft meerdere strafrechtelijke antecedenten op zijn naam. Niet alleen in de terugkijktermijn, maar ook daarbuiten. De staatssecretaris stelt daarom terecht dat sprake is van recidive. De staatssecretaris heeft daarom mogen aannemen dat in verzoekers geval de kans groter is dat hij opnieuw met justitie in aanraking komt. Bovendien dateert het laatst bekende strafbare feit van 18 april 2025 en is sprake van een nog lopende proeftijd tot 22 april 2027. Daarnaast kan de veroordeling in hoger beroep op 2 april 2024 niet worden gezien als een lichte straf. De staatssecretaris heeft deze aspecten zwaar in de beoordeling mogen laten meewegen.
16. Als gezegd mag de staatssecretaris in de beoordeling ook de strafbare feiten betrekken waarvoor verzoeker nog niet is veroordeeld, maar wel gedagvaard. In het kader van het subjectieve criterium is van belang dat sprake is van een redelijke verdenking. Tot de strafrechter hierover uitspraak heeft gedaan, mag de staatssecretaris uitgaan van de informatie die hij van het openbaar ministerie heeft ontvangen. Uit de door het openbaar ministerie overgelegde tenlasteleggingen blijkt dat sprake is van een redelijke verdenking. Verzoeker wordt ervan verdacht dat hij verbaal geweld heeft gebruikt (onder meer via sociale media) en daarbij “met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling” heeft gedreigd.
16. De staatssecretaris heeft op basis hiervan het belang van de samenleving zwaar(der) mogen laten meewegen. Hetgeen verzoeker daartegenover heeft gesteld legt onvoldoende gewicht in de schaal om de belangenafweging in zijn voordeel te laten uitvallen. Het risico op herhaling van de strafbare feiten is daarvoor te groot. De voorzieningenrechter volgt de staatssecretaris daarbij in het standpunt dat de strafbare feiten waarvoor verzoeker in 2024 is veroordeeld en de strafbare feiten waarvan hij zeer recentelijk wordt verdacht, zich niet verenigen met een functie in de gezondheidszorg.
18. De voorzieningenrechter is gezien het voorgaande van oordeel dat ook aan het subjectieve criterium is voldaan.
Rechtszekerheidsbeginsel
19. Verzoeker heeft aangevoerd dat hem de gevraagde VOG had moeten worden verleend, aangezien hem eerder, onder vergelijkbare omstandigheden en voor een vrijwel identieke functie, (na het indienen van de zienswijze) wel een VOG is verleend. De voorzieningenrechter kan verzoeker hierin niet volgen. De eerdere toekenning heeft plaatsgevonden voordat verzoeker in hoger beroep is veroordeeld. De nieuwe strafbare feiten waarvoor verzoeker recentelijk is gedagvaard waren op dat moment nog niet aan de orde. Van vergelijkbare omstandigheden is daarom geen sprake. Bovendien is niet duidelijk of destijds aan hetzelfde screeningsprofiel is getoetst.
20. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Conclusie en gevolgen

21. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen VOG krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).
2.www.justis.nl/.../screeningsprofielen voor werkgevers.
3.Paragraaf 3.1.1. van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
4.Paragraaf 3.1.1. van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
5.Artikel 35, eerste lid, van de Wjsg en paragraaf 3.1.3. van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025
6.Zie ook paragraaf 3.1.3.1. van de Beleidsregels.
7.Zie ook paragraaf 3.1.3.2. van de Beleidsregels.
8.Zie ook paragraaf 3.1.3.4. van de Beleidsregels.