ECLI:NL:RBROT:2025:15165

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
C/10/711022 / KG ZA 25-1192
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over exclusief gebruik van de voormalig echtelijke woning en medewerking aan verkoop

In deze zaak, die zich afspeelt in het kader van een echtscheiding, vordert de vrouw het exclusieve gebruik van de echtelijke woning tot het moment van notariële levering aan de man of aan een derde. De vrouw, die samen met haar meerderjarige dochter in de woning verblijft, stelt dat zij geen alternatieve woonruimte heeft en dat de dochter een hondentrimsalon aan huis runt, wat in gevaar komt als de man in de woning gaat wonen. De man, die een glaszetbedrijf heeft, stelt dat hij de woning en het omliggende erf nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering. De rechtbank heeft eerder bepaald dat de vrouw het gebruik van de woning toekomt, maar de man heeft in hoger beroep verzocht om het uitsluitend gebruik van de woning. De voorzieningenrechter weegt de belangen van beide partijen en komt tot de conclusie dat het belang van de vrouw bij het voortgezet gebruik van de woning zwaarder weegt dan dat van de man. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen alternatieve woonruimte heeft en zijn argumenten over de noodzaak van de woning voor zijn bedrijf zijn niet overtuigend. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man af en kent de vrouw het exclusieve gebruik van de woning toe tot het moment van verkoop. De vordering van de man om de vrouw te verbieden de woning te betreden wordt eveneens afgewezen, evenals zijn verzoek om een gebruiksvergoeding. De vrouw krijgt de machtiging om de woning te verkopen, maar de voorzieningenrechter wijst de vordering tot medewerking aan de verkoop af, omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verkoop.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711022 / KG ZA 25-1192
Vonnis in kort geding van 24 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
te Bergschenhoek,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.M. van Wijk,
tegen
[gedaagde],
te Bergschenhoek,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Askamp.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit:
  • de dagvaarding van 8 december 2025 met producties 1 tot en met 9;
  • de conclusie van antwoord, ook eis in reconventie, met producties 1 tot en met 29;
  • de wijziging/vermeerdering van eis van de vrouw bij brief van 17 december 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling vond op 18 december 2025 plaats. Partijen verschenen daar in persoon, ieder vergezeld van hun advocaat.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum] te [plaatsnaam] met elkaar gehuwd. Zij zijn medio maart 2023 feitelijk uit elkaar gegaan.
2.2.
Partijen hebben op 30 juni 1993 huwelijkse voorwaarden laten opmaken. Volgens deze huwelijkse voorwaarden, voor zover hier van belang, bestaat met betrekking tot de echtelijke woning aan de [adres] een eenvoudige gemeenschap.
2.3.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking voorlopige voorzieningen van 7 mei 2024 onder meer als volgt beslist:

4.1. bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ;
4.2.
bepaalt dat de man op doordeweekse dagen (maandag tot en met vrijdag) maximaal twee keer per dag op voor de man voorheen gebruikelijke werktijden op het omliggende erf van de echtelijke woning (over de brug links) mag komen om daar apparatuur en voertuigen op te halen en/of terug te brengen;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;”
2.4.
De rechtbank Rotterdam heeft daartoe overwogen onder randnummer 3.1.3. van deze Vovo-beschikking:
“De rechtbank overweegt als volgt. De man is in maart 2023 uit de echtelijke woning vertrokken. Sindsdien verblijft de vrouw met twee meerderjarige kinderen van partijen in de echtelijke woning. De man verbleef tot juni 2023 bij zijn nicht en hij verblijft sinds die tijd in een gedeelte van een loods van een kennis, waarin hij een slaap- en douchegelegenheid heeft. De vrouw heeft haar stelling dat de man inmiddels feitelijk bij zijn vriendin verblijft in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man niet onderbouwd.
Omdat de man, anders dan de vrouw, over vervangend onderdak beschikt, en omdat er ook twee meerderjarige kinderen van partijen in de echtelijke woning verblijven, waarvan de dochter haar bedrijf runt vanuit de echtelijke woning, weegt het belang van de vrouw bij het gebruik van de echtelijke woning zwaarder dan het belang van de man daarbij. Dat deel van het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen, onder afwijzing van dat deel van het verzoek van de man.
Wel zal de rechtbank bepalen dat de man op doordeweekse dagen (maandag tot en met vrijdag) maximaal twee keer per dag op voor de man voorheen gebruikelijke werktijden op het omliggende erf van de woning (over de brug links) mag komen om daar apparatuur en voertuigen op te halen en/of terug te brengen. Over een betaalbaar alternatief beschikt de man niet. De broer van de vrouw, waar de man eerder een opslag had, neemt geen contact meer op met de man en de broer van de man heeft geen mogelijkheid voor opslag. De rechtbank gaat er vanuit dat de man zich tijdens het gebruikmaken van het erf zal onthouden van het opnemen van contact met de vrouw en de bij haar verblijvende meerderjarige kinderen van partijen en niet langer dan strikt noodzakelijk daar zal zijn. Onder die omstandigheden heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek om ook het uitsluitend gebruik van een deel van het omliggende erf te hebben.”
2.5.
De rechtbank Rotterdam heeft, kort gezegd en voor zover nu van belang, in de bodemzaak bij beschikking van 25 februari 2025:
  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
  • bepaald dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres], die onder andere aan de man toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;
  • ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.287,-- per maand;
  • de wijze van verdeling van de eenvoudig gemeenschap (dit betreft de woning) gelast zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.4.6. tot en met 3.4.15.
2.6.
De rechtbank heeft met betrekking tot het voortgezet gebruik van de woning overwogen onder randnummer 3.2.4. van de beschikking:

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw meer belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning dan de man en overweegt daartoe als volgt. De vrouw bewoont de woning al bijna twee jaar samen met de meerderjarige dochter van partijen die een hondentrimsalon aan huis runt. De dochter heeft te kennen gegeven dat als de vrouw de woning moet verlaten, zij haar trimsalon ook zal staken, omdat zij een slechte verstandhouding heeft met de man en niet met hem in de woning wil wonen.
De man stelt dat hij de woning en het omliggende werf nodig heeft om zijn glaszetbedrijf voort te zetten, zijn bedrijfsmiddelen in een schuur op het erf op te slaan en zijn bedrijfsvoertuigen op het erf te stallen.
De vrouw heeft onbetwist gesteld dat de bedrijfsvoertuigen tijdens het huwelijk nooit op het erf van de woning gestald zijn geweest maar bij de zwager van de man en dat het glas altijd elders is geleverd. Dat één en ander nu wel noodzakelijk is wegen gebrek aan projecten en dat hij niet meer welkom is bij zijn zwager, heeft de man, gezien de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft de man al die tijd elders onderdak weten te vinden en gezien zijn inkomsten moet hij in staat worden geacht deze situatie voort te zetten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en beide verzoeken van de man afwijzen.
2.7.
De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 30 juni 2025.
2.8.
De man is tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2025 in hoger beroep gegaan. Hij heeft in hoger beroep, onder meer, bij wijze van voorlopige voorziening, gevraagd om het uitsluitend gebruik van de voormalig echtelijke woning.
De vrouw heeft, onder meer, primair gevraagd te bepalen dat aan haar een machtiging wordt verleend om over te gaan tot verkoop van de woning aan een derde en daarbij te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van de medewerking van de man. Subsidiair verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de man zijn medewerking verleent aan de verkoop van de woning aan de hand van een door de vrouw voorgesteld “spoorboekje”. Volgens de vrouw geldt het door de rechtbank bepaalde spoorboekje niet meer omdat de aan de man gegeven termijn van drie maanden is verlopen.
2.9.
De zitting bij het gerechtshof Den Haag over de voorlopige voorzieningen was op 28 augustus 2025. Het gerechtshof heeft op 8 oktober 2025 beide partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken tot het treffen van voormelde voorlopige voorzieningen.
2.10.
Het hof heeft wat betreft het verzoek van de man (om het uitsluitend gebruik van de woning) onder randnummer 5.1. overwogen:

Ingevolge artikel 821 lid 1 Rv kan ieder der echtgenoten in zaken van echtscheiding bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 en 823 Rv verzoeken. Een voorlopige voorziening kan worden gevraagd tot het moment waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, ingevolge artikel 826 Rv haar kracht verliest. Nu in onderhavige procedure is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 30 juni 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, kunnen de in artikel 822 lid 1 onder a Rv bedoelde voorzieningen – zoals in deze zaak aan de orde – niet langer worden verzocht. De man dient derhalve in zijn verzoek tot het treffen van deze voorlopige voorziening niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
2.11.
Het hof heeft wat betreft het verzoek van de vrouw (machtiging te gelde making) onder randnummer 5.11. en 5.12. overwogen:

Hetgeen de vrouw verzoekt kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een ordemaatregel die geldt voor de duur van het geding. Toewijzing van de verzoeken van de vrouw zal leiden tot een definitieve beslechting van het geschil over de verdeling, waarvoor in de huidige stand van zaken van de procedure nog geen plaats is. Bovendien leent artikel 3:174 BW zich niet om tot een behoorlijke verdeling te komen. De wens om tot een behoorlijke verdeling te komen vormt geen gewichtige reden in de zin van artikel 3:174 lid 1 BW. Het primaire verzoek van de vrouw wordt op grond van het voorafgaande afgewezen. Wat betreft het subsidiaire verzoek van de vrouw ter zake de woning overweegt het hof als volgt.
De rechtbank heeft met betrekking tot de verdeling van de echtelijke woning een spoorboekje opgesteld. Deze wijze van verdeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vrouw bij voorlopige voorziening (dat het hof bepaalt dat de man zijn medewerking verleent aan de verkoop van de woning aan de hand van een door de vrouw voorgesteld “spoorboekje”), de bodemprocedure doorkruist en niet kan worden aangemerkt als een ordemaatregel te treffen voor de duur van het geding.
Ten overvloede overweegt het hof het volgende. Ter zitting bij het hof hebben partijen aangegeven dat zij graag op korte termijn een definitieve oplossing bereiken over hetgeen hen tot op heden verdeeld blijft houden over de (verdeling van de) woning. Partijen maken elkaar over en weer het verwijt dat de ander niet meewerkt aan het bereiken van een oplossing en partijen voeren hier een strijd over. Het voortzetten van dit strijdpatroon zal naar verwachting niet tot een oplossing leiden. Partijen zullen daarom het patroon van strijd los moeten laten. Het hof vindt het in dit kader positief dat partijen ter zitting daartoe de eerste stappen hebben gezet door af te spreken dat zij over en weer zullen meewerken aan het laten plaatsvinden van de door de man gewenste NWWI-taxatie. Die taxatie en de reeds in opdracht van de vrouw uitgevoerde taxatie kunnen voor partijen wellicht gaan dienen als basis om te komen tot een bepaling van de waarde van de woning. De man kan dan vervolgens laten onderzoeken wat zijn mogelijkheid is om de overname van de woning te financieren. Als de man de overname van de woning kan financieren onder uitkoop van de vrouw dan kunnen partijen gaan afspreken hoe het traject tot overname er uit gaat zien. Mocht blijken dat de man de woning niet kan overnemen dan komt het traject van verkoop van de woning aan een derde in beeld.
2.12.
Het hof heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep bepaald op 10 maart 2026. Van de kant van de man is naderhand om uitstel gevraagd wegens een nieuw opgekomen verhindering van zijn advocaat.
2.13.
De termijn van het door de rechtbank aan de vrouw toegekende uitsluitend gebruik van de woning eindigt op 30 december 2025.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert
na wijziging/vermeerdering van eis– kort gezegd – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I.
primair, de verlenging van het voortgezet uitsluitend gebruiksrecht van de woning tot het moment van notariële levering van de woning aan de man of in geval van verkoop aan een derde;
subsidiair, in het geval deze verlenging rechtens niet mogelijk is:
dat de vrouw de woning tot het moment van notariële levering van de woning aan de man of in geval van verkoop aan een derde exclusief mag gebruiken, met oplegging van een verbod aan de man om de echtelijke woning en het terrein daaromheen te betreden;
II.
primair, een machtiging ex artikel 3:174 BW om de woning te verkopen aan een derde, met de mogelijkheid tot reële executie ex artikel 3:300 BW ter zake de ondertekening van de transportakte;
subsidiair, de veroordeling van de man tot medewerking aan de verkoop van de woning aan een derde volgens ‘het spoorboekje’ zoals omschreven in de brief van de vrouw van 17 december 2025, op straffe van een dwangsom.
3.2.
De man voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten met wettelijke rente.
in reconventie
3.3.
De man vordert – kort gezegd – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair,
I. het exclusieve gebruik van de woning aan de man toe te kennen met ingang van de datum van dit vonnis;
II. de veroordeling van de vrouw om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen en ontruimd te houden, met medeneming van al haar roerende zaken, en de sleutels in te leveren bij de deurwaarder of de advocaat van de man,
met de bepaling dat de man gerechtigd is om na afloop van deze termijn de woning binnen te treden, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
III. de vrouw te verbieden de woning en/of het erf te betreden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de man;
IV. de veroordeling van de vrouw tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 1.400,- per maand aan de man voor de periode vanaf 31 december 2025 tot de datum van ontruiming,
een en ander (punt I. tot en met IV.) op straffe van een dwangsom.
subsidiair,
I. dat de woning aan de [adres] binnen één week na dit vonnis in verkoop moet worden gegeven aan een derde;
II. dat de man gerechtigd is DB NVM Makelaars te Bergschenkhoek aan te wijzen voor de verkoop;
III. de veroordeling van de vrouw binnen één week na schriftelijke aanwijzing door de man:
haar opdracht aan DB NVM Makelaars te Bergschenhoek te verlenen;
alle benodigde stukken te verstrekken;
toegang te verlenen voor bezichtigingen;
mee te werken aan alle handelingen die nodig zijn voor een voortvarende verkoop waaronder begrepen: dat partijen met voornoemde makelaar in overleg gaan en de vraag- en laatprijs van de woning vaststellen, waarbij het advies van de makelaar doorslaggevend is bij onenigheid van partijen; de vraag- en laatprijs van de woning, bij het niet geraken tot verkoop van de woningen binnen 2 maanden na de laatste vaststelling of wijziging daarvan, telkens met een bedrag van € 10.000,- wordt verlaagd, tenzij de makelaar uitdrukkelijk anders adviseert en beide partijen het advies van de makelaar wensen op te volgen,
met de mogelijkheid van reële executie ex artikel 3:300 lid 1 BW;
IV. de veroordeling van de vrouw binnen één week na het tot stand komen van een koopovereenkomst:
de koopovereenkomst te ondertekenen;
mee te werken aan levering via de notaris;
de woning vóór levering te ontruimen en schoon op te leveren;
met de mogelijkheid van reële executie ex artikel 3:300 lid 1 BW;
V. veroordeling van de vrouw tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 1.400,- per maand aan de man voor de periode vanaf 31 december 2025 tot de datum van levering aan een derde, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag;
VI. dat de man dagelijks ongehinderd toegang heeft tot het erf, en wel tot dat deel waar zijn bedrijfsvoertuigen en materialen staan, zodat de man zijn werkzaamheden als ondernemer kan continueren,
een en ander (punt I tot en met VI) op straffe van een dwangsom;
in alle gevallen,
I. bij voorlopige voorziening, voor de duur van dit geding, opschorting dan wel vermindering van de verplichting van de man tot betaling van partneralimentatie van € 2.287,- bruto per maand aan de vrouw,
II. de veroordeling van de vrouw in de proceskosten, met wettelijke rente.
3.4.
De vrouw voert verweer.

4.De beoordeling

4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke beoordeling.
4.2.
Partijen hebben over en weer voldoende gesteld dat zij een spoedeisend belang hebben bij de beoordeling van hun vorderingen. Gelet hierop zijn zij ieder, in conventie en in reconventie, ontvankelijk in hun vorderingen.
Exclusief gebruik van de woning
4.3.
De rechtbank heeft aan de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] (hierna: de woning) toegekend voor de duur van zes maanden na de inschrijving van de beschikking. Deze termijn eindigt op 30 december 2025. Anders dan de vrouw primair vordert, bestaat voor een verlenging van het zogenaamde voortgezet gebruik geen wettelijke grondslag. Partijen kunnen wel het exclusief gebruik van de woning vorderen en hebben dat in deze procedure over en weer gedaan. Zij vorderen over en weer het exclusief gebruik van de woning tot het moment dat de woning wordt geleverd aan de man dan wel, na verkoop, aan de koper.
4.4.
De voorzieningenrechter geeft in deze procedure slechts een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen over het exclusief gebruik van de woning. Deze beslissing geldt tot het moment dat in de bodemprocedure uitspraak is gedaan (of partijen iets anders overeenkomen).
4.5.
De voorzieningenrechter neemt tot uitgangspunt dat partijen, die gezamenlijk eigenaar zijn van de woning, in beginsel gelijke rechten hebben. Ter beantwoording van de vraag wie het exclusief gebruiksrecht van de woning krijgt toegewezen, moet de voorzieningenrechter de belangen van partijen tegen elkaar afwegen. In deze afweging worden vooral de huidige omstandigheden betrokken, omdat het gaat om een voorlopige ordemaatregel.
4.6.
De vrouw heeft met verwijzing naar wat zij in de eerdere procedures heeft aangevoerd als concreet belang bij het exclusief gebruik van de woning genoemd:
De vrouw heeft geen alternatieve woonruimte en beschikt niet over de financiële middelen om een andere woonruimte te bekostigen.
De bij de vrouw inwonende dochter van partijen exploiteert een hondentrimsalon op het terrein van de woning. Deze dochter wil geen contact met de man en zal genoodzaakt zijn haar onderneming te staken als hij het exclusief gebruik van de woning krijgt.
4.7.
De man voert kort samengevat als concreet belang bij het exclusief gebruik van de woning het volgende aan:
De man heeft de woning en het erf nodig voor zijn bedrijfsuitoefening. Hij exploiteert een eenmanszaak in glaszetterij en heeft de schuren en het erf nodig voor de opslag van bedrijfsmiddelen en het stallen van bedrijfsvoertuigen.
De vrouw frustreert al jaren de verdeling van de woning. Als de man het exclusief gebruik van de woning heeft, kan hij ervoor zorgen dat de woning te koop wordt aangeboden en dat alle handelingen worden verricht om het verkooptraject voortvarend te laten verlopen.
De man verblijft sinds een jaar in een Airbnb. Per 2026 kan hij niet meer in het betreffende pand verblijven en heeft hij geen alternatieve woonruimte meer. Volgens de man is het wettelijk niet toegestaan langer dan drie maanden per kamer in een Airbnb te verblijven. Aangezien de Airbnb vier kamers beschikbaar heeft, kan hij daar niet langer dan een jaar verblijven.
4.8.
De voorzieningenrechter stelt vast dat ieder van partijen grotendeels dezelfde argumenten heeft aangedragen als in de voorlopige voorzieningenprocedure in het kader van de echtscheiding en in de echtscheidingsprocedure. De rechtbank heeft in beide procedures de betreffende belangen van partijen gewogen en beslist dat het belang van de vrouw bij de woning zwaarder weegt dan dat van de man. De voorzieningenrechter komt in deze procedure niet tot een andere uitkomst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van de vrouw bij instandhouding van de huidige situatie zwaarder dan het belang van de man bij wijziging daarvan. Daartoe overweegt zij als volgt.
4.9.
De vrouw woont bijna twee en een half jaar in de woning, samen met de meerderjarige dochter van partijen, die een hondentrimsalon aan huis runt. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er niets is veranderd in de situatie dat zij geen alternatieve woonruimte heeft. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de dochter van partijen de woning moet verlaten en haar trimsalon ook zal staken, als de man in de woning gaat wonen, omdat zij een slechte verstandhouding met hem heeft en niet met hem in de woning wil wonen. De man heeft ter zitting verklaard dat dit niet klopt en dat hij prima kan opschieten met de dochter, maar onderbouwing daarvoor heeft hij niet gegeven. Dat had gelet op de consequente verklaringen van de vrouw over de relatie tussen de betreffende dochter en de man wel op zijn weg gelegen.
4.10.
De man stelt opnieuw dat hij de woning en het omliggende erf nodig heeft om zijn glaszetbedrijf voort te zetten, zijn bedrijfsmiddelen in een schuur op het erf op te slaan en zijn bedrijfsvoertuigen op het erf te stallen, zodat hij waar nodig in het winterseizoen onderhoud kan plegen aan die voertuigen. De vrouw heeft herhaald dat dit tijdens het huwelijk nooit het geval is geweest en dat de man tot op heden de bedrijfsmiddelen en bedrijfsvoertuigen altijd elders heeft ondergebracht. De man heeft hiertegen, voor zover de voorzieningenrechter kan zien, niets anders ingebracht dan dat hij het onterecht vindt dat hij nog langer kosten moet maken voor het elders stallen van zijn spullen terwijl dat kosteloos op het terrein van de woning kan. De voorzieningenrechter vindt dat echter op zichzelf geen doorslaggevende reden om de bestaande situatie nu te wijzigen. De man maakt deze kosten al sinds jaar en dag en moet gezien zijn inkomsten in staat worden geacht deze situatie voort te zetten.
4.11.
De man heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij geen alternatieve woonruimte heeft of kan vinden. Tegenover de betwisting van de vrouw heeft hij niet onderbouwd dat hij niet langer in de Airbnb kan verblijven of elders onderdak kan vinden.
4.12.
De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het betoog van de man dat het beter is dat hij in de woning gaat wonen, omdat de verdeling van de woning dan tenminste voortvarend zal worden afgewikkeld. De vrouw betwist dit en stelt van haar kant dat het om dezelfde reden juist beter is dat zij in de woning woont. De voorzieningenrechter kan niet vaststellen wie van partijen zich met meer recht beroept op het argument dat de ander een voortvarende verdeling (door uitkoop van de vrouw door de man, dan wel door verkoop van de woning aan een derde) in de weg staat. Zij kan slechts vaststellen, net als het hof recent nog in de uitspraak van 8 oktober 2025, dat partijen vast zitten in een strijdpatroon. Partijen, en ook de advocaten onderling, maken elkaar over en weer voortdurend verwijten dat de ander niet meewerkt aan het bereiken van een oplossing en onwaarheden naar voren brengt. In wat de man in dit kader naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter ook geen reden de bestaande situatie te wijzigen.
4.13.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw toewijzen, onder afwijzing van de vordering van de man.
4.14.
De vordering van de man om de vrouw te bevelen de woning te ontruimen, wordt afgewezen. Hetzelfde geldt voor zijn vordering dat het de vrouw wordt verboden de woning en het erf te betreden.
4.15.
De vrouw heeft ook gevorderd dat het de man wordt verboden om het erf te betreden. De beslissing dat aan de vrouw voorlopig het exclusief gebruiksrecht van de woning toekomt, betekent dat de man de woning en het bijbehorende terrein niet mag betreden. De voorzieningenrechter zal het door de vrouw hiertoe gevorderde verbod toewijzen, onder afwijzing van de vordering van de man om hem juist toegang te geven tot het erf. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij toegang tot het erf, nu zijn bedrijfsmiddelen en bedrijfsvoertuigen al sinds jaar en dag elders ondergebracht worden. Daarentegen heeft de vrouw wel voldoende onderbouwd dat zij, gelet op de verstoorde verstandhouding tussen partijen, er belang bij heeft dat de man de woning en het erf niet betreedt. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de man zich aan dit verbod zal houden en ziet geen aanleiding daaraan een dwangsom te verbinden.
Gebruiksvergoeding
4.16.
De man vordert dat de vrouw aan hem een gebruiksvergoeding zal betalen van € 1.400,00 per maand. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af. De man heeft niet concreet gemaakt dat hij op dit punt een spoedeisend belang heeft bij een ordemaatregel.
Machtiging te gelde making
4.17.
De vrouw vordert een machtiging te gelde making ex artikel 3:174 BW. De voorzieningenrechter wijst deze vordering als te verstrekkend af. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de man uit te sluiten van het verkoopproces, want dat is waar de vordering in feite op neerkomt. Voor zover deze vordering is gebaseerd op het verwijt dat de man de verdeling van de woning frustreert, gaat de voorzieningenrechter daaraan voorbij met verwijzing naar de overweging onder randnummer 4.12.
Medewerking verkoop woning
4.18.
De vrouw heeft bij de aanvang van deze procedure het standpunt ingenomen dat de woning moet worden verkocht en dat de man daaraan zijn medewerking moet verlenen.
4.19.
De man heeft kort voor de mondelinge behandeling in deze procedure bevestigd dat ook wat hem betreft de woning zo snel mogelijk te koop moet worden aangeboden.
4.20.
De voorzieningenrechter heeft ter zitting uitdrukkelijk gevraagd of partijen het erover eens zijn dat de woning moet worden verkocht. Partijen hebben dit bevestigd en zij waren het ook eens over het inschakelen van DB NVM Makelaars te Bergschenhoek om de verkoop ter hand te nemen. Toch konden partijen ter zitting niet tot overeenstemming komen over de route naar de verkoop, allereerst omdat zij ieder het exclusieve gebruiksrecht van de woning claimden tot aan de levering.
Het lijkt dus zo te zijn dat zij ieder, anders dan in het verleden en in eerdere procedures, inmiddels geen aanspraak meer maken op de overname van de woning, die in zou houden dat de één de ander uitkoopt en de ander moet laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld. De vrouw was in een veel eerder stadium al tot de conclusie gekomen dat de uitkoop van de man voor haar, ook als kinderen mee zouden doen, een financieel onhaalbare kaart was.
De man bevestigde op zitting dat hij wel wil dat de woning wordt verkocht, maar dat hij zich het recht voorbehoudt om, als de woning eenmaal op de markt wordt aangeboden, tezamen met de oudste zoon van partijen alsnog een bod uit te brengen op de woning en deze te kopen. De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat de man tot de conclusie is gekomen dat hij de vrouw niet kan uitkopen zonder dat de zoon van partijen vanuit zijn inkomen bijdraagt in de financiering.
4.21.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij op heel korte termijn na de zitting gezamenlijk een verkoopopdracht zullen geven aan DB NVM Makelaars te Bergschenhoek.
4.22.
Bij deze stand van zaken wijst de voorzieningenrechter de vordering van de man om te bepalen dat de woning moet worden verkocht, bij een gebrek aan spoedeisend belang af. Datzelfde geldt voor de vorderingen van partijen over en weer tot veroordeling van de ander tot medewerking aan de verkoop van de woning volgens de door ieder van hen beschreven ‘spoorboekjes’, met de daaraan gekoppelde dwangsommen en mogelijkheid tot reële executie. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen hun toezegging de woning spoedig ter verkoop aan te bieden gestand zullen doen, nu zij daar ook beiden persoonlijk en/of financieel belang bij hebben.
4.23.
Omdat het voor partijen tot op heden lastig is geweest het verkooptraject op een goede manier in te richten, geeft de voorzieningenrechter partijen in overweging gezamenlijk de verkoopmakelaar de verkoopopdracht te geven, en hem de vraag- en laatprijs bindend vast te laten stellen ingeval partijen het daarover niet eens worden, en ook aan de makelaar de regie te laten voor wat betreft alle handelingen die nodig zijn om de verkoop vlot te laten verlopen.
Opschorting of vermindering partneralimentatie
4.24.
De man vordert dat zijn verplichting tot betaling van partneralimentatie wordt opgeschort dan wel verminderd. De man voert daartoe aan dat de vrouw substantiële inkomsten ontvangt waarmee zij in haar behoefte kan voorzien. Volgens hem betalen de bij de vrouw inwonende kinderen van partijen huur, dan wel kostgeld aan de vrouw ter hoogte van € 900,00 per maand. Hij heeft daartoe als productie 19 foto’s overgelegd van de trimsalon van de dochter van partijen en van haar agenda, waaruit blijkt dat zij in de periode januari tot en met november 2025 huurbetalingen aan de vrouw doet. De man stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij deze vordering, omdat hij in ernstige financiële problemen komt door alle kosten die hij moet dragen.
4.25.
De vrouw voert verweer. Zij betwist het door de man gestelde spoedeisend belang. Volgens haar beschikt de man over voldoende financiële middelen om zijn alimentatieverplichting na te komen. De vrouw betwist daarnaast uitdrukkelijk dat zij huur of kostgeld van de kinderen ontvangt. Volgens haar heeft de man zich heimelijk toegang verschaft tot de trimsalon en heeft hij zelf in de agenda van de dochter van partijen geschreven dat er huurbetalingen worden gedaan. De vrouw heeft hieraan nog toegevoegd dat als zij het gestelde bedrag aan huur zou ontvangen, wat uitdrukkelijk niet het geval is, dit geen effect zou hebben op de hoogte van de door de man te betalen partneralimentatie, omdat haar behoefte veel hoger is dan de door de man te betalen alimentatie.
4.26.
De voorzieningenrechter wijst de vordering van de man af. Hij heeft tegenover het gemotiveerde verweer van de vrouw niet concreet gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij opschorting, dan wel vermindering van zijn verplichting tot betaling van partneralimentatie. Hij heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw evenmin aannemelijk gemaakt dat de vrouw inkomsten ontvangt uit huur, dan wel kostgeld.
Slotsom
4.27.
De voorzieningenrechter zal beslissen dat de vrouw de woning tot het moment van notariële levering van de woning aan een derde (of aan de man, als hij de woning samen met de oudste zoon van partijen koopt nadat de woning te koop is aangeboden), exclusief mag gebruiken. Voor het overige worden de vorderingen van partijen, in conventie en in reconventie, afgewezen.
Proceskosten
4.28.
Het is in zaken tussen ex-partners gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat partijen hun eigen proceskosten moeten betalen.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.29.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat volgt uit de aard van de voorziening.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
bepaalt dat de vrouw de woning tot het moment van notariële levering van de woning na verkoop exclusief mag gebruiken;
5.2.
verbiedt de man de echtelijke woning en het terrein daaromheen te betreden;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen af;
in conventie en in reconventie
5.6.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
3280 / 638