Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- de dagvaarding van 8 december 2025 met producties 1 tot en met 9;
- de conclusie van antwoord, ook eis in reconventie, met producties 1 tot en met 29;
- de wijziging/vermeerdering van eis van de vrouw bij brief van 17 december 2025.
2.De feiten
4.1. bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ;
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres], die onder andere aan de man toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;
- ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.287,-- per maand;
- de wijze van verdeling van de eenvoudig gemeenschap (dit betreft de woning) gelast zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.4.6. tot en met 3.4.15.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw meer belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning dan de man en overweegt daartoe als volgt. De vrouw bewoont de woning al bijna twee jaar samen met de meerderjarige dochter van partijen die een hondentrimsalon aan huis runt. De dochter heeft te kennen gegeven dat als de vrouw de woning moet verlaten, zij haar trimsalon ook zal staken, omdat zij een slechte verstandhouding heeft met de man en niet met hem in de woning wil wonen.
Ingevolge artikel 821 lid 1 Rv kan ieder der echtgenoten in zaken van echtscheiding bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 en 823 Rv verzoeken. Een voorlopige voorziening kan worden gevraagd tot het moment waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, ingevolge artikel 826 Rv haar kracht verliest. Nu in onderhavige procedure is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 30 juni 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, kunnen de in artikel 822 lid 1 onder a Rv bedoelde voorzieningen – zoals in deze zaak aan de orde – niet langer worden verzocht. De man dient derhalve in zijn verzoek tot het treffen van deze voorlopige voorziening niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
Hetgeen de vrouw verzoekt kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een ordemaatregel die geldt voor de duur van het geding. Toewijzing van de verzoeken van de vrouw zal leiden tot een definitieve beslechting van het geschil over de verdeling, waarvoor in de huidige stand van zaken van de procedure nog geen plaats is. Bovendien leent artikel 3:174 BW zich niet om tot een behoorlijke verdeling te komen. De wens om tot een behoorlijke verdeling te komen vormt geen gewichtige reden in de zin van artikel 3:174 lid 1 BW. Het primaire verzoek van de vrouw wordt op grond van het voorafgaande afgewezen. Wat betreft het subsidiaire verzoek van de vrouw ter zake de woning overweegt het hof als volgt.
3.Het geschil
na wijziging/vermeerdering van eis– kort gezegd – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair, de verlenging van het voortgezet uitsluitend gebruiksrecht van de woning tot het moment van notariële levering van de woning aan de man of in geval van verkoop aan een derde;
primair, een machtiging ex artikel 3:174 BW om de woning te verkopen aan een derde, met de mogelijkheid tot reële executie ex artikel 3:300 BW ter zake de ondertekening van de transportakte;