ECLI:NL:RBROT:2025:15175

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
4 januari 2026
Zaaknummer
C/10/703074 / FA RK 25-5280
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 266 lid 1 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder en benoeming voogd over minderjarige

De rechtbank Rotterdam heeft op 22 december 2025 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over een minderjarige geboren in 2023. De Raad voor de Kinderbescherming had verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (GI LDH) tot voogd te benoemen.

De minderjarige verblijft sinds haar geboorte in een perspectiefbiedend pleeggezin vanwege zorgen over de veiligheid en opvoedsituatie bij de moeder, die kampt met psychische problemen en middelengebruik. De moeder is structureel niet in staat gebleken om de verzorging en opvoeding op zich te nemen, mist bezoekmomenten en toont onvoldoende inzicht in de schadelijke effecten van haar gedrag op de relatie met de minderjarige.

De rechtbank oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid kan dragen. Gezien de ernst van de situatie acht de rechtbank geen minder ingrijpende maatregel mogelijk dan beëindiging van het gezag. De GI LDH is bereid de voogdij te aanvaarden en wordt daarom benoemd tot voogd.

De moeder wordt verplicht rekening en verantwoording af te leggen over het vermogen van de minderjarige aan de GI LDH. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder en benoemt de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/703074 / FA RK 25-5280
Datum uitspraak: 22 december 2025
Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, zonder bekende woon- of verblijfplaats,
advocaat: mr. P. van Baaren, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam pleegmoeder] en [naam pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegouders, wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI LDH.
De rechtbank merkt als informanten aan:
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, zonder bekende woon- of verblijfplaats,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI JBRR.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 10 juli 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI LDH, [naam 2] ;
  • de pleegouders;
  • de vader.
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 3] en [naam 4] , jeugdbeschermers van [minderjarige] van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond en heeft de GI JBRR vervolgens aangemerkt als informant.
1.4.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Litouwse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 5] , tolk in de Litouwse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 8 september 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 september 2026. Bij die beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 september 2026.
2.4.
De GI LDH heeft zich bij brief van 2 juli 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI LDH tot voogdes over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] woont sinds zij drie maanden is in een perspectiefbiedend pleeggezin. Hoewel zij een taalachterstand heeft, ontwikkelt zij zich daar goed. Tijdens de bezoekmomenten met haar moeder wordt geen hechting waargenomen, vermoedelijk door de onvoorspelbaarheid van het contact. [minderjarige] zoekt veiligheid bij haar pleegmoeder. Hulpverlening is nodig voor de ouder-kindrelatie. Het is onduidelijk waar de moeder het toekomstperspectief voor [minderjarige] ziet: in Nederland, Litouwen of Engeland. Het is moeilijk om in contact te komen met de moeder, waardoor het maken van afspraken eveneens moeilijk is. Wanneer afspraken al worden gemaakt, worden deze niet nagekomen. Hierdoor is het lastig om praktische zaken voor [minderjarige] te regelen, zoals een zorgverzekering en logopedie. De moeder stelt dat er geen hulpverlening is ingezet, maar de Stichting Ontmoeting was betrokken; deze hulpverlening werd stopgezet omdat de moeder onbereikbaar was. De Raad heeft gedurende twee jaar onderzoek gedaan – een ongebruikelijk lange periode – maar de onderzoekers hebben hun best gedaan om contact met de moeder te leggen en de omstandigheden van [minderjarige] in kaart te brengen. De keuze voor de GI LDH als voogdes is gemaakt omdat deze beter aansluiten bij de problematiek van de ouders, namelijk het ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats en het middelengebruik.
4.
Het standpunt van de GI LDH
4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Wel vraagt de GI zich af wat de meerwaarde is van het beleggen van de voogdij bij de GI LDH in plaats van de bij de GI JBRR. Het klopt dat de ouders vallen binnen de doelgroep van de GI LDH, maar als het de GI JBRR niet lukt contact te krijgen, zal dit ook de GI LDH niet lukken. Hoewel deze twijfel bestaat, ligt er wel een bereidverklaring. Zodra de voogdij wordt uitgesproken, zal de GI LDH hiermee aan de slag gaan.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd. [minderjarige] is vanaf de geboorte uit huis geplaatst. De moeder heeft psychische problemen en krijgt hiervoor geen ondersteuning. Daarnaast ontvangt zij geen hulp om terug te keren naar Litouwen en is zij gedwongen in Nederland te blijven. De moeder doet haar best om een goede moeder te zijn en het gezag te behouden. Zij tekent documenten wanneer dit haar wordt gevraagd en heeft stappen gezet om zichzelf te verbeteren. Momenteel verblijft de moeder in een opvang en zal zij volgende week beginnen aan een detox in een kliniek. Ook wordt er voor huisvesting gezorgd. Zodra de moeder de kliniek verlaat, verwacht de moeder zelfstandig op eigen benen te kunnen staan. Wat de bezoekmomenten betreft, vindt de moeder het pijnlijk dat [minderjarige] de pleegmoeder ‘mama’ noemt en dat er niets wordt gedaan om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te behouden. Wanneer de moeder te laat komt of een bezoekmoment mist, wordt daar niet op een menselijke manier naar gekeken.

6.Het standpunt van de pleegouders

6.1.
De pleegouders stemmen in met het verzoek. Als je kijkt naar de afgelopen twee jaar dat [minderjarige] bij de pleegouders woont, is te zien dat zij zich goed ontwikkelt. [minderjarige] had veel huilbuien als baby, maar is nu een vrolijk meisje. De pleegouders zullen voor haar zorgen zo lang dat nodig is. Hopelijk ontstaat op korte termijn een stabiele en duidelijke situatie. De stap van het gezag beëindigen is een belangrijke eerste stap. Hoewel dit een ingrijpend verzoek is, zowel voor de moeder als voor [minderjarige] , ontstaat daardoor duidelijkheid voor de ouders en kan er vanuit duidelijke kaders worden gewerkt aan hun relatie met [minderjarige] .

7.Informatie van de GI JBRR

7.1.
Er bestaan al geruime tijd zorgen over de rol van de moeder in het leven van [minderjarige] . De GI heeft ruim een jaar geen fysiek contact met de moeder kunnen krijgen. Het lukt de moeder niet om naar de afspraken te komen; sporadisch is er contact via WhatsApp. Sinds de geboorte van [minderjarige] is geprobeerd een identiteitsbewijs of paspoort aan te vragen, maar dit is niet gelukt. Omdat [minderjarige] de Litouwse nationaliteit heeft, moet dit via de ambassade worden geregeld. Gelukkig hebben de pleegouders zelf de logopedie kunnen opstarten.

8.De beoordeling

Rechtsmacht
8.1.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland ligt, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarigen.
Toepasselijk recht
8.2.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 het Nederlands recht op het verzoek toe.
Gezagsbeëindiging
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
8.4. 7.4.
7.4. De internationale wettelijke kaders voor de beoordeling van dit verzoek worden vormgegeven door artikel 8 van Pro het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.
8.5.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig bedreigd en kan de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen, zoals wordt bedoeld in artikel 266, eerste lid, onder a, van boek van het Burgerlijk Wetboek (BW).
8.6.
[minderjarige] verblijft sinds haar geboorte in een pleeggezin vanwege zorgen over haar veiligheid en de opvoedsituatie bij de moeder. De zorgen om [minderjarige] begonnen al tijdens de zwangerschap doordat de moeder harddrugs gebruikte. De afgelopen twee jaar is gebleken dat het de moeder niet lukt om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. De moeder komt structureel niet naar de bezoekmomenten met [minderjarige] , waardoor er geen sprake is van hechting tussen hen. Deze afspraken waren aanvankelijk wekelijks, later maandelijks, maar de moeder verschijnt vaker niet dan wel. Wanneer er contact plaatsvindt, sluit zij onvoldoende aan bij [minderjarige] , die tijdens deze momenten vooral veiligheid zoekt bij haar pleegmoeder. De moeder toont onvoldoende inzicht in de schadelijke effecten van haar gedrag op haar band met [minderjarige] , waardoor die band nu volledig ontbreekt. De moeder ziet niet in dat dit aan haarzelf ligt en niet aan anderen ligt. Door het gedrag en nalaten van de moeder stagneren ook praktische zaken die van belang zijn voor [minderjarige] , zoals het aanvragen van een identiteitsbewijs. Er is een patroon zichtbaar waarbij de moeder moeilijk bereikbaar is en geen openheid geeft over haar verblijfplaats of mogelijk middelengebruik. Zo gaf de moeder tijdens de zitting aan dat zij bij een opvang verblijft voor een detox, maar heeft zij geen naam of adres van behandelaar(s) of behandelinstelling (aan de Raad) verstrekt, waardoor onduidelijk is of de moeder de waarheid spreekt. Bovendien schuift de moeder de schuld af op anderen en stelt dat zij geen hulp krijgt, terwijl eerder ingezette hulpverlening is stopgezet, omdat contact met de moeder niet mogelijk was. De moeder heeft niet het besef dat zij verantwoordelijk is om van haar verslaving af te komen, hoe moeilijk dat ook is.
8.7.
Gezien deze situatie, die sinds de geboorte van [minderjarige] onveranderd is, en het feit dat [minderjarige] nog erg jong is, acht de rechtbank geen minder verstrekkende maatregel mogelijk dan een gezagsbeëindiging. Het beëindigen van het gezag van de moeder is noodzakelijk in het belang van [minderjarige] .
8.8.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De GI LDH heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de GI LDH de voogdij moet krijgen. De GI LDH kan de belangen van [minderjarige] behartigen. De kinderrechter zal daarom bepalen dat de GI LDH wordt belast met de voogdij over [minderjarige] .
8.9.
De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de GI die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.
8.10.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
8.11.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

9.De beslissing

De rechtbank:
9.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[naam moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1989 in [geboorteland] , over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] ;
9.2.
benoemt
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Rotterdam, tot voogdes over genoemde minderjarige;
9.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
9.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Verweij, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.