ECLI:NL:RBROT:2025:15213

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/2167 – FT RK 25/2168 - FT RK 25/2169 – FT RK 25/2170
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een moratorium op verzoek van verzoeksters in het kader van de Faillissementswet

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschriftprocedure van twee verzoeksters die beiden gedupeerden zijn van de Toeslagenaffaire. Op 1 december 2025 hebben zij een verzoek ingediend op grond van artikel 287b van de Faillissementswet (Fw) voor een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft op 11 december 2025 een zitting gehouden waarbij de verzoeksters en hun schuldhulpverlener aanwezig waren. De verzoeksters hebben aangegeven dat zij in een bedreigende situatie verkeren, aangezien er een vonnis van ontruiming van hun huurwoning was uitgesproken. De rechtbank heeft vastgesteld dat er voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan, mede door de toezegging van de gemeente Rotterdam om de huurachterstand te betalen en de ondersteuning van schuldhulpverlening. De rechtbank heeft het verzoek om een moratorium toegewezen, met de voorwaarde dat de verzoeksters tijdig aan hun betalingsverplichtingen voldoen. Tevens zijn de verzoeksters niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar zij kunnen in de toekomst een nieuw verzoek indienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 19 december 2025
[verzoekster 1]
en [verzoekster 2],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeksters.

1.De procedure

Verzoeksters hebben op 1 december 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 1 december 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 december 2025.
Ter zitting van 11 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeksters;
  • de heer T. Macic, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlener);
  • [naam], verhuurder (hierna: verweerder);
  • mr. L. Sylay, advocaat van verweerder.
Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
Na de zitting zijn namens verzoeksters op 12 december, 15 december en 17 december 2025 diverse stukken aan de rechtbank toegezonden. Verweerder is in de gelegenheid gesteld op deze stukken te reageren. Verweerder heeft een (aanvullende) reactie aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeksters ten uitvoer te leggen.
Verzoeksters zijn beiden gedupeerde van de Toeslagenaffaire, waarvan de nasleep langdurig voor instabiliteit zorgt. Daarnaast kampt Hooi met psychische klachten en zijn er fouten gemaakt rond haar ziekmelding, waardoor zij vanaf januari 2025 geen of weinig inkomen ontving. Per 11 februari 2025 is Hooi ziek uit dienst. Verzoeksters hebben twee kinderen die binnen het autismespectrum vallen en intensieve dagelijkse zorg nodig hebben. Door de zorg van het gezin en eigen gezondheidsklachten kon Merkies niet langer werken binnen haar onderneming en heeft zij deze opgeheven. Zij is momenteel ziek en zou op maandag
15 december 2025 geopereerd worden. Op dit moment heeft zij geen inkomen. De Ziektewetuitkering van Hooi is op dit moment het enige stabiele inkomen. Om het inkomen te verhogen is van alles in gang gezet. Verzoeksters hebben woonkostentoeslag en urgentie (voor een goedkopere huurwoning) aangevraagd. Ook heeft Hooi mogelijk recht op een aanvullende bijstandsuitkering. Daarnaast zijn verzoeksters al tweeënhalf jaar bezig met de diagnostiek van hun jongste zoon. Daarover moet vóór 26 december 2025 een beslissing komen. Afhankelijk van deze beslissing hebben verzoeksters mogelijk recht op dubbele kinderbijslag en zal de WMO-indicatie omgezet kunnen worden in een WLZ-indicatie. Verzoeksters zijn ook aangemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening.
Na de zitting heeft de rechtbank stukken ontvangen waaruit blijkt dat Hooi, vanuit ondersteuning door de gemeente Rotterdam en het Serviceteam Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, recht heeft op een voorschot van de vergoeding van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van maximaal € 10.300,00. Deze vergoeding is voldoende om zes maanden huur te dekken. Daarnaast heeft de gemeente Rotterdam op 17 december 2025 toegezegd dat de volledige huurachterstand van € 31.260,86 betaald zal worden. Naast het betalen van de huurachterstand blijft de ondersteuning vanuit de schuldhulpverlener ongewijzigd. Er wordt budgetbeheer opgestart, de machtigingen hiervoor zijn al ondertekend, en een passende oplossing voor de schulden gezocht. Vanuit de gemeente Rotterdam wordt, samen met verzoeksters, ook naar een betaalbare woning gezocht.

3.Het verweer

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Sinds maart 2024 schieten verzoeksters structureel tekort in hun betalingsverplichtingen. Er is dan ook een aanzienlijke huurachterstand, welke vooralsnog oploopt. Het inkomen dat verzoeksters hebben is ook te laag om de lopende huurverplichtingen te voldoen. Verweerder heeft herhaaldelijk afspraken gemaakt met verzoeksters om de huurachterstand in te lopen en de reguliere betalingen te hervatten. Verzoeksters zijn deze afspraken telkens niet nagekomen waardoor de huurachterstand alleen maar is opgelopen. Ook na indiening van dit verzoek is de huur voor de maand december 2025 niet voldaan. Dit betekent dat, zelfs indien een voorlopige voorziening zou zijn toegewezen, deze inmiddels zou zijn vervallen. Verzoeksters hebben immers na het indienen van het verzoek niet aan hun lopende huurverplichtingen voldaan. Uit de door schuldhulpverlening overgelegde stukken volgt ook niet op welke termijn verzoeksters het voorschot van maximaal € 10.300,00 ontvangen. Bovendien hebben verzoeksters een eerdere tegemoetkoming van € 30.000,00 ontvangen en hebben ze die voor andere doeleinden gebruikt. Het is onzeker waar het voorschot voor gebruikt zal worden. Er ontbreekt iedere aanwijzing dat verzoeksters in staat (zullen) zijn om de lopende huur te voldoen. Tot slot wordt het moratorium op deze manier ingezet voor een ander doel dan waarvoor het wettelijk is bedoeld. Zij willen immers een ontruiming voorkomen, zonder dat er sprake is van het treffen van een regeling met schuldeisers.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeksters een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeksters en een kopie van het exploot van 18 oktober 2025 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 2 december 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeksters, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeksters enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoeksters bestaat erin dat zij, samen met hun twee kinderen, in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeksters kan worden doorlopen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis van 2 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen vanaf januari 2026 kunnen en zullen worden voldaan. Na de zitting heeft de rechtbank namelijk stukken ontvangen waaruit blijkt dat Hooi recht heeft op een voorschot van de vergoeding van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van maximaal € 10.300,00. Deze vergoeding zal gereserveerd worden voor de betaling van de lopende huur voor de komende zes maanden. De gemeente Rotterdam staat daarvoor in en heeft ook budgetbeheer opgestart. Hiermee wordt gewaarborgd dat de lopende huur in ieder geval voor de komende zes maanden voldaan zal worden.
Daarnaast heeft de gemeente Rotterdam toegezegd de huurachterstand tot en met december 2025 van € 31.260,86 te zullen voldoen vanuit de Wet hersteloperatie toeslagen. De schade die verweerder heeft geleden als gevolg van de langdurige tekortkoming in de huurbetalingen, zal met deze betaling voor een zeer groot deel gecompenseerd zijn. Bovendien wordt daarmee alsnog de huur van december 2025 voldaan. Ook zijn verzoeksters op zoek naar een goedkopere woning en hebben zij urgentie aangevraagd. Uit de nagezonden stukken blijkt ook dat, als urgentie niet wordt verleend, een escalatiewoning kan worden ingezet. Daarnaast is het Serviceteam Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen verzocht het dossier van verzoeksters met spoed op te pakken en, indien mogelijk, een voorschot aan te vragen ter aanvulling van het inkomen. Er is daadwerkelijk van alles in gang gezet om de inkomsten van verzoeksters op te hogen, een goedkopere woning voor verzoeksters te vinden en een oplossing te vinden voor de schulden. Verzoeksters hebben, dan wel krijgen op korte termijn, ondersteuning op verschillende (leef)gebieden. Zij hebben dan ook positieve ontwikkelingen in gang gezet.
De rechtbank volgt verweerder niet in de stelling dat het onderhavige verzoek wordt ingediend met een ander doel dan waarvoor dat bedoeld is. Schuldhulpverlening is per
28 november 2025 betrokken en heeft zich sindsdien ingezet voor het stabiliseren van de inkomsenssituatie van verzoeksters en het zoeken van een oplossing voor de schuldenproblematiek van verzoeksters. Niet onaannemelijk is, dat schuldhulpverlening de komende maanden een schuldbemiddelingstraject zal kunnen afronden en wanneer dat niet slaagt, tijdig een Wsnp-verzoek of een verzoek ex artikel 287a Fw indient. Het verzochte moratorium dient ertoe om dit te faciliteren en gedurende die periode de leefsituatie van verzoeksters niet verder te destabiliseren. Dat intussen ook naar een andere woning wordt gezocht voor verzoeksters, doet daaraan niet af.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeksters zwaarder te wegen dan het belang van verweerder en ziet de rechtbank aanleiding om het moratorium toe te wijzen.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerder in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoeksters gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoeksters te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 2 oktober 2025 op verzoek van verweerder uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeksters gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
1 december 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen vanaf de datum van deze uitspraak tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening, die namens verzoeksters de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeksters niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.