ECLI:NL:RBROT:2025:15214

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/2190 – FT RK 25/2191
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een moratorium voor een huurwoning in het kader van schuldsanering

In deze zaak heeft verzoekster op 4 december 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 287b van de Faillissementswet, waarin zij vroeg om een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft op 18 december 2025 uitspraak gedaan. Verzoekster, die te maken heeft met oplopende schulden en een dreigende ontruiming, heeft een betalingsregeling getroffen met haar energieleverancier en ontvangt een uitkering op basis van de Participatiewet. De huur voor november en december 2025 is voldaan, en er is voldoende inkomen om de huur te blijven betalen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie, waardoor een moratorium van zes maanden is toegewezen. Dit moratorium biedt verzoekster de gelegenheid om haar schuldenproblematiek aan te pakken met hulp van een schuldhulpverlener. De rechtbank heeft de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis opgeschort en de huurovereenkomst verlengd, onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt voldaan. Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan in de toekomst een nieuw verzoek indienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 18 december 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 4 december 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 5 december 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 december 2025.
Ter zitting van 11 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • [naam 1], dochter van verzoekster (hierna: dochter);
  • [naam 2], werkzaam bij wijkteam Rotterdam (hierna: wijkteam);
  • mevrouw C. Borsten, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlener);
  • [naam 3], werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft te maken gekregen met oplopende kosten van Eneco waardoor het voor
haar steeds moeilijker werd om de maand rond te komen en haar vaste lasten, zoals de huur,
tijdig te betalen. Zij wil evenwel een oplossing voor haar (schulden)problematiek. Ondertussen heeft verzoekster een betalingsregeling met Eneco getroffen die goed wordt nagekomen. Het inkomen van verzoekster bestaat uit een uitkering op grond van de Participatiewet, huurtoeslag en zorgtoeslag. Het inkomen van verzoekster is voldoende om de huur van € 643,97 per maand te voldoen. De huur voor de maanden november en december 2025 is ook voldaan. Verzoekster is half november 2025 door het wijkteam aangemeld voor schuldhulpverlening. In verband met wachtlijsten en langdurige uitval van schuldhulpverleners is verzoekster nog niet geholpen. De schuldhulpverlener gaat nu een traject opstarten. Verzoekster zal versneld geholpen worden. De meerderjarige dochter van verzoekster, die ook in de woning verblijft, heeft verklaard dat zij verzoekster zal blijven ondersteunen. Bovendien is het wijkteam ook betrokken.

3.Het verweer

Verweerster bevestigt dat zij op 4 december 2025 twee betalingen heeft ontvangen, zijnde de huur voor de maanden november en december 2025. Als het traject daadwerkelijk wordt opgestart door de schuldhulpverlener, dan refereert verweerster zich aan het oordeel van de rechtbank. Verweerster vraagt zich wel af hoe het nu verder moet, aangezien verzoekster geen Nederlands spreekt of begrijpt.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 30 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 9 december 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij samen met haar inwonende meerderjarige dochter en haar minderjarige zoon in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 15 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt maandelijks een uitkering op grond van de Participatiewet van € 1.300,61, huurtoeslag van € 373,00, zorgtoeslag van € 131,00 en kindgebonden budget van € 550,00, wat neerkomt op een totaalbedrag van € 2.354,61 aan inkomen per maand. Dit inkomen is voldoende om de lopende termijnen te voldoen. Ter zitting is door verweerster bevestigd dat de huur voor de maanden november en december 2025 is voldaan.
Ook is gebleken dat verzoekster aangemeld is voor schuldhulpverlening en dat versneld een schuldhulpverleningstraject, met budgetbeheer, zal worden opgestart. Hiermee is gewaarborgd dat ook in de toekomst de huur zal worden voldaan en dat er een oplossing zal komen voor de schulden van verzoekster. Dochter heeft ter zitting verklaard dat verzoekster geen Nederlands spreekt of begrijpt, maar wel van alles op de hoogte is. Dochter ondersteunt verzoekster. Bovendien biedt het wijkteam ondersteuning.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster en haar kinderen zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De rechtbank zal ter waarborging van de belangen van verweerster in het dictum wel de voorwaarde opnemen dat de huur tijdig en volledig dient te worden betaald. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 15 oktober 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
5 december 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.