In deze zaak gaat het om de vernietiging van een verdelingsovereenkomst tussen een man en een vrouw na hun echtscheiding. Partijen waren bijna 23 jaar getrouwd en hadden een algehele gemeenschap van goederen. In een schriftelijke overeenkomst werd een verdeling van hun gemeenschappelijk vermogen overeengekomen, waarbij de man de echtelijke woning en aandelen in een bedrijf kreeg, en hij zich verplichtte € 150.000,- aan de vrouw te betalen. De vrouw stelt echter dat zij bij deze verdeling voor meer dan 25% is benadeeld, omdat de aandelen op nihil waren gewaardeerd, terwijl zij meent dat deze veel meer waard waren. Ze heeft de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd op basis van artikel 3:196 BW.
De rechtbank oordeelt dat de verweren van de man niet slagen. De vrouw heeft niet afstand gedaan van haar recht om vernietiging te vorderen, omdat zij niet op de hoogte was van de werkelijke waarde van de aandelen en de gevolgen van de overeenkomst niet kon overzien. De rechtbank concludeert dat de vrouw bij de verdeling voor meer dan een vierde is benadeeld, waardoor de overeenkomst vernietigbaar is. De rechtbank verklaart voor recht dat de verdeling zoals opgenomen in de overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd en compenseert de proceskosten tussen partijen.
De uitspraak is gedaan door mr. W.A.M. Schellekens op 24 december 2025.