ECLI:NL:RBROT:2025:15217

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
10/183907-25; 10/047763-25 (gev ttz); 10/289434-23 (gev ttz)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het medeplegen van ladingdiefstal en opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met algemeen gevaar voor goederen

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van het medeplegen van een ladingdiefstal en het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met algemeen gevaar voor goederen. De verdachte, geboren in 1998 en ten tijde van de zitting preventief gedetineerd, was opdrachtgever van een explosie die op 23 mei 2025 plaatsvond bij een woning in Barendrecht. De explosie leidde tot schade aan de woning, maar er was geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan het uitlokken van de ontploffing en dat er gemeen gevaar voor goederen was ontstaan. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, en de vorderingen van benadeelde partijen werden toegewezen. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op de slachtoffers en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder eerdere veroordelingen en psychosociale problemen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummers: 10/183907-25; 10/047763-25 (gev ttz); 10/289434-23 (gev ttz)
Datum uitspraak: 30 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] , ( [postcode] ) te [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de:
Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] ,
raadsman mr. D.C.O. Ayinla, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zijn gewijzigd.
De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Groot heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het onder parketnummer 10/289434-23 ten laste gelegde;
  • bewezenverklaring van het onder parketnummers 10/183907-25 en 10-047763-25 primair ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren met aftrek van voorarrest.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering 10/289434-23
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering 10/183907-25 en 10/047763-25
10/183907-25
4.2.1.
Standpunt officier van justitie
Bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde uitlokking van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. De verdachte was de gebruiker van het Snapchataccount ‘ [accountnaam 1] ’ en heeft de opdracht voor de ontploffing aan de [adres 2] op 23 mei 2025 gegeven.
4.2.2.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Het primaire standpunt is dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering moet leiden. Aangezien het onmogelijk is om met behulp van OSINT een oude gebruikersnaam van Snapchat te achterhalen, moet deze informatie op een ongeoorloofde wijze zijn verkregen door de politie. Hierdoor is sprake van een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en het recht op een eerlijk proces. Bovendien wordt in het dossier wisselend gesproken over de accountnamen ‘ [accountnaam 1] ’ en ‘ [accountnaam 2] ’ en is onduidelijk of het om een gebruikersnaam of een schermnaam van Snapchat gaat. Dit leidt tot de conclusie dat de accounts niet aan de verdachte zijn toe te schrijven.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht de verdachte partieel vrij te spreken van het ten laste gelegde ‘levensgevaar’ en ‘gevaar voor zwaar lichamelijk letsel’. Uit het dossier blijkt niet welk materiaal voor de explosie is gebruikt en wat de schade aan de woning is geweest.
4.2.3.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
Op 23 mei 2025 heeft een ontploffing plaatsgevonden aan de voorzijde van de woning aan de [adres 2] te Barendrecht. Op de camerabeelden afkomstig van de deurbel is te zien dat omstreeks 02.20 uur de dader naar de voordeur van de woning loopt en een doorzichtige fles met daarin een vloeistof op de grond voor de voordeur zet. Ook is te zien dat de dader met een op een aansteker gelijkend voorwerp een koordje, welke aan de flesmond bevestigd is, aansteekt. Hierdoor vat het koordje vlam en ontstaat er rookontwikkeling. Vervolgens is te zien dat kort hierna een harde explosie en een grote vuurbal ontstaat. Op het moment van de explosie bevonden de vier bewoners van dat adres zich in de woning. De aangever heeft verklaard dat hij omstreeks 02.20 uur in zijn bed lag en opeens een harde knal hoorde. Toen hij naar beneden rende, zag hij dat de vloerbedekking en de voordeur in brand stonden. Hij heeft de brand geblust.
Later op de dag, omstreeks 17.15 uur, heeft een schietincident plaatsgevonden, waarbij de telefoon van een betrokkene (te weten: [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] )) in beslag is genomen. Op deze telefoon worden Snapchatgesprekken aangetroffen tussen de gebruikers ‘ [accountnaam 3] ’ en ‘ [accountnaam 1] ’, waarin gesproken wordt over de explosie aan de [adres 2] te Barendrecht op 23 mei 2025. Ook wordt een Snapchatgesprek aangetroffen tussen ‘ [accountnaam 3] ’en ‘ [accountnaam 4] ’, waarin gesproken wordt over de betaling die naar aanleiding van de ontploffing wordt gedaan door ‘ [accountnaam 1] ’ aan ‘ [accountnaam 3] ’ en ‘ [accountnaam 4] ’.
Snapchataccounts
Door de politie is vastgesteld dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het Snapchataccount ‘ [accountnaam 3] ’ en dat [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) de gebruiker is van het Snapchataccount ‘ [accountnaam 4] ’. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is geweest van het Snapchataccount ‘ [accountnaam 1] ’. De verdachte ontkent elke betrokkenheid.
Bij de beoordeling baseert de rechtbank zich op de bevindingen uit het politieonderzoek. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van het OSINT -onderzoek is onvoldoende concreet om aan de inhoud van het ambtsedige (proces)dossier te twijfelen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan het voorwaardelijke subsidiaire verzoek van de verdediging om nader technisch onderzoek te verrichten, te voldoen.
Uit onderzoek naar de abonneegegevens behorend bij het Snapchat-account ‘ [accountnaam 1] ’ blijkt dat het telefoonnummer en het e-mailadres gekoppeld kunnen worden aan de verdachte en dat als locatie ‘home’ de Brielselaan ter hoogte van de nummers [nummer X] - [nummer Z] is toegevoegd. Dit betreft het woonadres van de verdachte. Voorts blijkt dat het de oude naam van het Snapchataccount ‘ [accountnaam 5] ’ is en dat dit gekoppeld kan worden aan een TikTok account, waarop een foto en een video van een persoon zichtbaar zijn. Deze persoon wordt door meerdere verbalisanten herkend als zijnde de verdachte en de verdachte staat ook als gebruiker van dat account in de politiesystemen geregistreerd. Daar komt bij dat uit onderzoek naar de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte valt af te leiden dat de verdachte op 28 augustus 2025 het wachtwoord voor het Snapchataccount ‘ [accountnaam 1] ’ heeft gewijzigd en dat hij op 29 augustus 2025 het account heeft verwijderd en direct weer heeft geactiveerd. Tevens blijkt dat hij op 29 augustus 2025 op YouTube het nieuwsitem ‘Serie explosies bij woning in [naam locatie] ’ heeft bezocht.
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte de gebruiker is geweest van het Snapchataccount ‘ [accountnaam 1] ’. Voor zover in het dossier wordt gesproken over de accountnaam ‘ [accountnaam 2] ’ in plaats van ‘ [accountnaam 1] ’, gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van een kennelijke verschrijving.
Uitlokking
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden is welke betrokkenheid de verdachte heeft gehad bij het tenlastegelegde. Van strafbare uitlokking is sprake als iemand een ander heeft aangezet tot het begaan van een strafbaar feit waarvoor die ander zelf kan worden gestraft en waarbij de uitlokker in beginsel zelf niet meewerkt aan de uitvoering van het delict. Hierbij moet het opzet van de uitlokker gericht zijn op zowel het aanzetten van een ander tot het begaan van een delict als op de bestanddelen van dat delict. Bovendien moet de uitlokker de ander ertoe hebben aangezet het delict te begaan, door gebruikmaking van een of meer van de in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) genoemde uitlokkingsmiddelen. Tot slot moet het uitgelokte delict hebben plaatsgevonden.
Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen het volgende af. De rechtbank stelt voorop dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat de verdachte het initiatief genomen heeft tot het teweegbrengen van een ontploffing. Uit de Snapchatgesprekken valt af te leiden dat de verdachte één dag voor de ontploffing, te weten op 22 mei 2025, contact heeft gehad met de medeverdachte [medeverdachte 1] over het uitvoeren van een explosie aan de [adres 2] te Barendrecht. Dat de verdachte de initiatiefnemer was, leidt de rechtbank onder andere af uit de gesprekken tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , waarin de verdachte het adres doorgeeft aan de medeverdachte [medeverdachte 1] en een geldbedrag van € 300,- voor de ontploffing belooft. Uiteindelijk vindt op 23 mei 2025 omstreeks 02.20 uur de ontploffing aan de [adres 2] te Barendrecht plaats. Na de ontploffing wordt besproken of de explosie wel bij de juiste woning heeft plaatsgevonden, dat ‘de schade niks is’, dat ‘die boys op ze minst wel 1 raampje broko hadden moeten maken’ en dat hij ‘een ravage had verwacht’.
De rechtbank stelt vast dat door de verdachte diverse uitlokkingsmiddelen zijn gebruikt. Zo is een belofte in het vooruitzicht gesteld in de vorm van een geldbedrag van € 300,- en zijn er inlichtingen verstrekt over de locatie van de woning. Tevens zijn afbeeldingen aan de verdachte gestuurd van de ontploffing en de woning. Uit de gesprekken leidt de rechtbank verder af dat de verdachte dubbel opzet heeft gehad, te weten op het uitlokken en op het teweegbrengen van de ontploffing. Uit de hiervoor besproken inhoud volgt immers overduidelijk dat de verdachte de intentie had om een explosie teweeg te brengen. Hij laat zich in de gesprekken onder meer uit over zijn ontevredenheid over de geringe schade en dat hij ‘op zijn minst een ravage had verwacht’. Verder blijkt uit het gebruik van de diverse uitlokkingsmiddelen dat het opzet gericht was op het overhalen van een uitvoerder om de ontploffing te laten plaatsvinden.
Al met al concludeert de rechtbank dat door de handelingen van de verdachte anderen – te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – zijn aangezet tot het (mede)plegen van het veroorzaken van een ontploffing. Gelet op bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het veroorzaken van een ontploffing heeft uitgelokt. De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande vast dat de verdachte de opdrachtgever is geweest van de ontploffing.
Gemeen gevaar voor goederen, geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen voor de woning aan de [adres 2] is ontstaan is niet betwist. Uit de aangifte blijkt dat schade is ontstaan aan de voordeur, de vloer, de kozijnen en aan het raam aan de voorzijde van de woning. Anders dan de officier van justitie en met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Voor bewijs daarvoor is vereist dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit gevaar ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende (technische) informatie bevat om te kunnen concluderen dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Hoewel vaststaat dat de ontploffing midden in de nacht plaatsvond en de bewoners in bed lagen op een hoger gelegen woonlaag, blijkt uit het dossier niet hoe zwaar het explosief was en of deze ook zodanige kracht had of zodanig brandgevaarlijk was dat ook de personen in de woning daardoor gedood hadden kunnen worden of zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen oplopen. Zo ontbreekt een rapport of foto’s waaruit de omvang van de schade valt af te leiden. Ook ontbreekt een beschrijving van de woning. De rechtbank kan daarom niet vaststellen waar de personen zich precies in de woning bevonden, wat de afstand was tot de ontploffing en of door de brand bij de voordeur de enige uitweg uit de woning afgesloten zou zijn geweest zodat er een dusdanig risico ontstond dat levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel te duchten viel. De verdachte zal daarom ten aanzien van deze onderdelen partieel worden vrijgesproken.
4.2.4.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de medeverdachten heeft uitgelokt tot het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
10/047763-25
4.2.5.
Standpunt officier van justitie
Bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging van 33 robotgrasmaaiers door middel van verbreking.
4.2.6.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal en de subsidiair ten laste gelegde opzetheling. De verdachte is niet herkenbaar op de camerabeelden en de ANPR-hits leveren gelet op de tijdspanne en locaties onvoldoende bewijs op. Ook is niet meer te achterhalen of het door de verdachte gehuurde voertuig ten tijde van de diefstal op de beelden te zien is, omdat de politie niet meer in het bezit is van het betreffende videobestand.
4.2.7.
Beoordeling door de rechtbank
Op camerabeelden is te zien dat op 11 februari 2025 tussen 03.40 uur en 04.20 uur uit een geparkeerde vrachtwagen in Tilburg in totaal 33 robotgrasmaaiers in zes voertuigen, waaronder een Volkswagen Golf voorzien van het Duitse kenteken [kentekennummer] , worden geladen. Omstreeks 05.10 uur zien verbalisanten het voertuig met het Duitse kenteken [kentekennummer] op de A16 te Rotterdam rijden. Wanneer zij de verdachte staande houden treffen zij achterin in het voertuig vijf dozen aan met de tekst ’NAVIMOW I Series Robot Lawn Mover’.
Door de chauffeur van de vrachtwagen is aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat de vrachtwagen op 10 februari 2025 omstreeks 22.00 uur geparkeerd stond aan de Kroonstraat in Tilburg en dat hij op 11 februari 2025 omstreeks 07.50 uur constateerde dat het zegel van de container achter zijn vrachtwagen was verbroken en dat er 33 robotgrasmaaiers waren weggenomen. Uit nader onderzoek blijkt dat de serienummers van de robotgrasmaaiers die zijn aangetroffen bij de verdachte overeenkomen met de serienummers van robotgrasmaaiers die zijn weggenomen uit de vrachtwagen. De verdachte heeft verklaard dat hij het voertuig gehuurd heeft op 10 februari 2025 voor een bruiloft. Hij reed vanuit de omgeving Eindhoven naar Rotterdam en zou bij een tankstation van twee onbekende mannen vijf robotstofzuigers hebben gekocht voor € 50,- per stuk. Hij heeft contant betaald voor de robotstofzuiger en de robotstofzuigers gecontroleerd via de website https://stopheling.nl. Hij was voornemens de robotstofzuigers met winst te verkopen.
De rechtbank overweegt dat aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de verdachte die goederen ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van belang. Indien er een kort tijdsbestek zit tussen de diefstal en het aantreffen van het goed onder de verdachte, dan kan in beginsel aangenomen worden dat de verdachte het goed zelf heeft gestolen, tenzij de verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het hebben van het gestolen goed onder hem.
In het onderhavige geval is op camerabeelden te zien dat de diefstal (waaronder het laden van de vijf dozen in het gehuurde voertuig van de verdachte) omstreeks 04.04 uur heeft plaatsgevonden in Tilburg. De verdachte wordt omstreeks 05.10 uur staande gehouden in Rotterdam met vijf weggenomen robotgrasmaaiers. Gelet op het korte tijdsverloop tussen de diefstal en het aantreffen van de robotgrasmaaiers onder de verdachte – waarbij de verdachte ook nog eens de aanzienlijke afstand heeft afgelegd van Tilburg naar Rotterdam – kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte tezamen met anderen de robotgrasmaaiers heeft gestolen.
Uit de automatische nummerplaat herkenning
(ANPR)-gegevens blijkt immers dat het door de verdachte gehuurde voertuig omstreeks 03.30 op de N261 richting Tilburg reed, rond 04.00 uur in Tilburg was, om 04.28 uur richting Waalwijk reed en vervolgens is gezien omstreeks 05.00 uur op de Moerdijkbrug. De verklaring van de verdachte dat hij de robotgrasmaaiers heeft gekocht van twee onbekende mannen bij een tankstation acht de rechtbank gelet op voornoemde tijdspanne dan ook volstrekt onaannemelijk. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat hij het voertuig op 10 februari 2025 heeft gehuurd en dat hij in de tussentijd in het voertuig heeft gereden. Dat de verdachte niet (althans niet goed) herkenbaar is op de beelden en de politie niet meer in het bezit is van de camerabeelden waarop het kenteken van het voertuig van de verdachte te zien is – zoals door de verdediging is aangevoerd – maakt dit niet anders. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan het door de politie opgestelde (ambtsedig) proces-verbaal waaruit blijkt dat de het voertuig met kenteken [kentekennummer] omstreeks 04.00 uur achter de vrachtwagen in Tilburg geparkeerd staat en dat daarin dozen met robotgrasmaaiers worden geladen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachte tezamen met anderen de diefstal heeft gepleegd. Daarmee hebben verdachte en de medeverdachten bewust en nauw met elkaar samengewerkt en heeft elk van hen een substantiële bijdrage aan de ladingdiefstal geleverd. De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de ladingdiefstal. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
4.2.8.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal van 33 robotgrasmaaiers door middel van verbreking en inklimming.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair onder parketnummer 10/183907-25 en 10/047763-25 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
10/183907-25
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen op of omstreeks 23 mei 2025 te Barendrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bij (de voordeur van) een woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht, immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen een vuurwerk brandstof combinatie, althans een explosief voorwerp en/of een of meer brandbare en/of brandversnellende stoffen tegen/bij de voordeur van voornoemde woning geplaatst en/of (vervolgens) met open vuur in aanraking gebracht en/of aangestoken, in elk geval tot ontploffing gebracht, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning gelegen aan de [adres 2]
en/of omliggende woningen en/of de inboedel van die woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of-
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de bewoner(s) en/of aanwezige(n) in de woning gelegen aan de [adres 2] en/of in omliggende woningen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen,
te duchten was
welk hiervoor omschreven strafbaar feit verdachte, in of omstreeks de periode van
22 mei 2025 tot en met 23 mei 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door
giften,beloften
, misbruik van gezag, bedreiging en/of misleidingen
/ofhet verschaffen van
gelegenheid, middelen ofinlichtingen, te weten door
-die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen (op Snapchat) te benaderen en
/of-aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen een beloning toe te zeggen/kennen voor het uitvoeren van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en
/of-met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen afspraken te maken over de locatie en/of de tijdstippen voor voornoemde brandstichting en/of ontploffing en
/of-met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen afspraken te maken op de wijze waarop voornoemde brandstichting en/of ontploffing moest plaatsvinden en
/of-met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen af te spreken om de brandstichting en/of ontploffing, althans het resultaat ervan, op beeldmateriaal vast te leggen en dit beeldmateriaal aan verdachte te versturen;
10/047763-25
hij, in
of omstreeksde periode van 10 februari 2025 tot en met 11 februari 2025 te Tilburg (in/uit een geparkeerd staande vrachtwagen), tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,33 stuks (robot)grasmaaiers (merk/type: Navimow/i105),
in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel
of ten deleaan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader
(s
)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en
/ofzijn mededader
(s
)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf
heeft/hebben verschaft en
/ofdie weg te nemen grasmaaiers onder
zijn/hun bereik
heeft/hebben gebracht door middel van
braak,verbreking en
/ofinklimming.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
10/183907-25
uitlokking van medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
10-047763-25
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking en inklimming.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft ’s nachts, samen met anderen, een ontploffing teweeggebracht bij een woonhuis, midden in een woonwijk. De verdachte was de opdrachtgever van de explosie. Het tot ontploffing brengen van een explosief bij een woning is een zeer indringend en intimiderend feit en kan tot levensbedreigende situaties leiden. De bewoners, een echtpaar en hun twee kinderen, sliepen op dat moment in de woning. Een woning is een plek waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Naast dat het voor de bewoners een bijzonder nare en bedreigende ervaring is geweest, is er ook schade toegebracht. De explosie heeft een grote impact op de psychische gesteldheid van de bewoners. Zij hebben te kampen met psychische klachten, zoals slapeloosheid en gevoelens van angst en onveiligheid. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen die ter zitting zijn voorgelezen. Omdat de verdachte geen enkele openheid van zaken heeft gegeven, blijven zij achter met de vraag waarom juist zij (weer) het slachtoffer zijn geworden van een explosie. Voorts leiden deze feiten, mede gezien de grote hoeveelheid explosies die de afgelopen tijd in Nederland plaatsvinden, tot veel onrust en gevoelens van angst en onveiligheid, niet alleen bij de direct omwonenden maar ook in de samenleving als geheel. De rechtbank rekent het de verdachte zeer zwaar aan dat hij opdracht heeft gegeven tot deze zeer intimiderende vorm van geweld.
Tevens heeft de verdachte zich samen met anderen gedurende de nachtelijke uren schuldig gemaakt aan een ladingdiefstal. Zij hebben daarbij een grote hoeveelheid robotgrasmaaiers met een aanzienlijke waarde gestolen. Diefstal is een ernstig strafbaar feit. Voor de transportsector zijn ladingdiefstallen een grote bron van schade, niet alleen in de vorm van directe materiële schade, maar ook in de vorm van verhoogde verzekeringspremies. Dit soort feiten leidt daarnaast tot veel overlast bij bedrijven en zij worden genoodzaakt steeds verdergaande maatregelen te nemen ter voorkoming van deze vorm van criminaliteit. Daarnaast wordt indirect ook schade toegebracht aan de consument, die uiteindelijk een hogere prijs moet gaan betalen vanwege de doorberekening van de geleden schade in de prijzen. De verdachte heeft met dit alles geen rekening gehouden en heeft kennelijk enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin. Bij dit handelen heeft hij bovendien geen blijk gegeven van respect voor de eigendommen van anderen.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
13 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages
Reclassering Nederland heeft een tweetal rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd 17 februari 2025 en 12 december 2025. Deze rapporten houden onder meer het volgende in.
De reclassering acht het psychosociaal functioneren van de verdachte delictgerelateerd. De verdachte kampt met zwakbegaafdheid, PTSS en ADHD wat maakt dat hij impulsief gedrag vertoont. Mogelijk beperken de psychosociale klachten hem (deels) in zijn gedragsverandering. Gelet op de aard van de verdenking zien wij zijn financiële situatie en het sociaal netwerk als mogelijk delictgerelateerd.
Bij de verdachte zien wij ondanks zijn ontkennende en terughoudende houding meerdere risicoverhogende factoren. Hij heeft geen startkwalificatie, geen structureel inkomen en ook geen zinvolle dagbesteding. Hoewel hij de gelegenheid heeft om in de bakkerij van zijn vader te werken, maakt hij hier slechts vrijblijvend gebruik van. Daarnaast houdt hij zich bezig met sportactiviteiten, maar ook hierbij ontbreekt een vast structuur. Mogelijk houden zijn impulsieve karakter en de moeite om zich voor langere tijd ergens voor in te zetten verband met de bijzonderheden op het gebied van zijn psychosociaal functioneren. Hij is gediagnosticeerd met ADHD, ADD, ODD en beperkte cognitieve vermogens. De verdachte is in staat om zich doelen te stellen, maar het ontbreekt hem aan voldoende vaardigheden om hier zelfstandig en duurzaam vorm aan te geven. De verdachte was tot oktober van dit jaar in beeld bij de gemeente Rotterdam in het kader van de HIT-aanpak en ontving daarnaast ambulante begeleiding vanuit Humanitas Homerun. Op dit moment is geen sprake meer van een zorg- en/of hulpkader. Behandeling en begeleiding is nauwelijks van de grond gekomen, omdat het meermaals onderbroken is geweest vanwege detenties en/of ongeïnteresseerde houding van de verdachte. Het ontbreekt bij de verdachte aan voldoende beschermende factoren. Wij zien wel dat bij hem sprake is van meerdere ondersteunende factoren; zijn ouders, die hem steunen op het gebied van huisvesting en inkomen, en zijn tweelingzus, die hem helpt bij het ordenen van zijn financiën. Bij de verdachte zijn geen signalen van problematisch middelengebruik.
Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog.
Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld-hoog.
Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld-hoog.
Bij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden. Gezien het recidivegehalte van de verdachte en toename in de ernst van de gepleegde delicten, hierbij met name de geweldsdelicten, achten wij het van belang dat bij de verdachte een diagnostiek plaatsvindt. Mocht hieruit een behandeling voortkomen, kan hierop passend worden ingezet. Daarnaast ontbreekt het bij de verdachte aan structuur in zijn leven. Een zinvolle dagbesteding kan hem hierbij helpen, terwijl hij daarnaast ondersteund wordt bij het oppakken van zijn praktische zaken. Doordat de verdachte heeft laten zien zich beter aan de afspraken te kunnen houden als deze binnen het strafrechtelijke kader plaatsvinden, achten wij het van belang dat de onderstaande bijzondere voorwaarden binnen het strafrechtelijk kader plaatsvinden.
• Meldplicht bij reclassering (na afspraak)
• Ambulante behandeling
• Dagbesteding
• Ambulante begeleiding
De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daaruit volgt dat het uitgangspunt bij een ladingdiefstal in geval van recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden is. Ten aanzien van de explosie heeft de rechtbank rekening gehouden met de rol die de verdachte als in het geheel heeft vervuld. De rechtbank komt echter tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, omdat de verdachte partieel wordt vrijgesproken voor de onderdelen ‘levensgevaar’ en ‘gevaar voor zwaar lichamelijk letsel’ en omdat artikel 63 Sr van toepassing is.
Anders dan door de reclassering is geadviseerd, ziet de rechtbank in de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, noch in zijn opstelling ter zitting, aanknopingspunten om een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen. De verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Bovendien blijkt uit het justitieel verleden van de verdachte dat hij hardleers is, aangezien hij op relatief jonge leeftijd al meerdere keren is veroordeeld wegens verschillende vermogens- en geweldsdelicten.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

8.In beslag genomen voorwerpen

Ten aanzien van de in beslag genomen telefoons (Apple 13 Pro Max en Motorola Moto G04s) die in de slaapkamer van de verdachte zijn aangetroffen zal, zoals door de officier van justitie is gevorderd, een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

9.1.
De vorderingen
[benadeelde 1] .
[benadeelde 1] . heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder parketnummer 10/047763-25 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 9.285,99 aan materiële schade.
[benadeelde 2]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder parketnummer 10/183907-25 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.
[benadeelde 3]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder parketnummer 10/183907-25 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.
[benadeelde 4]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder parketnummer 10/183907-25 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.
[benadeelde 5]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder parketnummer 10/183907-25 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.090,- aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.
De benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] hebben tevens toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
9.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] . toe te wijzen. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] heeft de officier van justitie verzocht de vorderingen toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.3.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft gesteld dat de schade in een te ver verband staat met de heling, nu de verdachte dient te worden vrijgesproken van diefstal. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de hoogte van de schade te beperken tot vijf robotgrasmaaiers, aangezien slechts vijf robotgrasmaaiers bij de verdachte zijn aangetroffen.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] heeft de raadsman verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de predispositie van de benadeelde partijen als gevolg van eerdere explosies bij hun woning. Niet kan worden vastgesteld wat precies de rechtstreekse schade is ten gevolge van het ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de hoogte van de vorderingen te matigen, aangezien slechts sprake is van verergering van reeds aanwezige psychische klachten.
9.4.
Beoordeling door de rechtbank
[benadeelde 1] .
Ingevolge het bepaalde in artikel 51c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de benadeelde partij zich doen vertegenwoordigen, onder meer door een daartoe bij bijzondere volmacht door haar schriftelijk gemachtigde. Die bepaling strekt zich ook uit tot de voeging door middel van de opgave als bedoeld in artikel 51g, eerste lid, Sv. Een bijzondere schriftelijke volmacht is niet vereist, indien de benadeelde partij een rechtspersoon is en de voeging wordt ingediend door een persoon die optreedt namens de rechtspersoon. De rechtbank stelt vast dat de heer [persoon A] werkzaam is als senior logistiek supervisor voor [benadeelde 1] . en kennelijk bevoegd is namens deze rechtspersoon op te treden. Dit leidt de rechtbank af uit het feit dat hij blijkens een proces-verbaal van bevindingen schriftelijke vragen van het onderzoeksteam heeft beantwoord en hij de in beslag genomen robotgrasmaaiers in ontvangst heeft genomen. Nu zijdens de verdediging geen concreet bezwaar tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de heer [persoon A] is aangevoerd acht de rechtbank de benadeelde partij ontvankelijk in de vordering.
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is genoegzaam onderbouwd en door de verdediging onvoldoende betwist. De vordering zal daarom worden toegewezen.
Omdat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
[benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5]
De rechtbank overweegt dat artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek een limitatieve opsomming geeft van de gevallen waarin aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Het gaat dan om gevallen waarin de benadeelde partij: (i) lichamelijk letsel heeft opgelopen, (ii) in zijn eer of goede naam is geschaad, of (iii) op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon zijn aangetast. In het geval van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] is PTSS vastgesteld. Voor de benadeelde partij [benadeelde 5] geldt dat er weliswaar geen geestelijk letsel is vastgesteld, maar de rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor deze benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat ook voor hem een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dat het misdrijf een grote (psychische) impact heeft gehad op het gezin blijkt ook uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen.
De verdediging heeft gewezen op de predispositie van de benadeelde partijen, te weten reeds bestaande psychische klachten als gevolg van eerdere explosies. Hoewel uit het dossier en de toelichting bij de vorderingen blijkt dat de benadeelde partijen door eerdere incidenten psychische klachten hebben opgelopen, is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat er een causaal verband bestaat tussen de psychische schade en het bewezenverklaarde. Volgens vaste jurisprudentie geldt bovendien dat, voor psychische klachten die voortvloeien uit de eventuele psychische predispositie als gevolg van eerdere incidenten, de veroorzaker het slachtoffer moet nemen zoals het is. De reactie op een gebeurtenis die wordt teweeggebracht door de persoonlijke predispositie van het slachtoffer moet niet voor diens rekening worden gelaten, maar aan de veroorzaker van de gebeurtenis worden toegerekend. Een en ander tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals het geval waarin het slachtoffer heeft nagelaten alles in het werk te stellen wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om tot het herstelproces bij te dragen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Uit de beschikbare informatie blijkt dat de klachten van de benadeelde partijen zijn verergerd en dit betekent dat er een causaal verband is tussen het bewezenverklaarde en de schade. Dit brengt mee dat de verdachte immateriële schade zal moeten vergoeden.
Bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen en op de categorie ‘meest ernstig’ aangaande ‘bedreigende situaties door opzettelijke brandstichting’ van de Rotterdamse Schaal.
[benadeelde 2]
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Naar maatstaven van billijkheid zal het bedrag aan immateriële schade geheel worden toegewezen.
[benadeelde 3]
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Naar maatstaven van billijkheid zal het bedrag aan immateriële schade geheel worden toegewezen.
[benadeelde 4]
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Naar maatstaven van billijkheid zal het bedrag aan immateriële schade geheel worden toegewezen.
[benadeelde 5]
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. Naar maatstaven van billijkheid zal het bedrag aan immateriële schade geheel worden toegewezen. Ten aanzien van het verlies van arbeidsvermogen is de rechtbank van oordeel dat de vordering genoegzaam is onderbouwd en door de verdediging onvoldoende (inhoudelijk) is betwist. De vordering zal daarom worden toegewezen.
Omdat de verdachte de strafbare feiten, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.
De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 23 mei 2025.
Omdat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
9.5.
Conclusie
De verdachte moet aan de benadeelde partijen een schadevergoeding betalen als volgt:
  • aan [benadeelde 1] .
  • aan [benadeelde 2]
  • aan [benadeelde 3]
  • aan [benadeelde 4]
  • aan [benadeelde 5]
Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] telkens vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld en met oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 157 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/289434-23 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummers 10/183907-25 en 10-047763-25 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beslist ten aanzien van de nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan de veroordeelde van:
IBN nummer [beslagnummer 1] - telefoon - Apple 13 Pro Max;
IBN nummer [beslagnummer 2] - telefoon - Motorola Moto G04;
[benadeelde 1] .
veroordeelt de veroordeelde hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 1] ., te betalen een bedrag van
€ 9.285,99 (zegge: negenduizend tweehonderdvijfentachtig euro en negenennegentig eurocent), bestaande uit materiële schade;
veroordeelt de veroordeelde in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
[benadeelde 2]
veroordeelt de veroordeelde hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 2] , te betalen een bedrag van
€ 5.000,- (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de veroordeelde
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 2] te betalen
€ 5.000,-(hoofdsom,
zegge:
vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van
€ 5.000,- (zegge: vijfduizend euro)niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde 3]
veroordeelt de veroordeelde hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij
[benadeelde 3] , te betalen een bedrag van
€ 5.000,- (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de veroordeelde
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 3] te betalen
€ 5.000,-(hoofdsom,
zegge:
vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van
€ 5.000,- (zegge: vijfduizend euro)niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde 4]
veroordeelt de veroordeelde hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij
[benadeelde 4] , te betalen een bedrag van
€ 5.000,- (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de veroordeelde
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 4] te betalen
€ 5.000,-(hoofdsom,
zegge:
vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van
€ 5.000,- (zegge: vijfduizend euro)niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
60 (zestig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde 5]
veroordeelt de veroordeelde hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij
[benadeelde 5] , te betalen een bedrag van
€ 8.090,- (zegge: achtduizend negentig euro), bestaande uit € 3.090,- (zegge: drieduizend negentig euro) aan materiële schade en € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de veroordeelde
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 5] te betalen
€ 8.090,-(hoofdsom,
zegge:
achtduizend negentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van
€ 8.090,-(
zegge:
achtduizend negentig euro) niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
76 (zesenzeventig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,
en mrs. D.M. Douwes en J.A. Terstegge, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.B.A. Slebus, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst (gewijzigde) tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
10/183907-25
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen op of omstreeks 23 mei 2025 te Barendrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bij (de voordeur van) een woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht, immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen een vuurwerk brandstof combinatie, althans een explosief voorwerp en/of een of meer brandbare en/of brandversnellende stoffen tegen/bij de voordeur van voornoemde woning geplaatst en/of (vervolgens) met open vuur in aanraking gebracht en/of aangestoken, in elk geval tot ontploffing gebracht, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning gelegen aan de [adres 2] en/of omliggende woningen en/of de inboedel van die woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de bewoner(s) en/of aanwezige(n) in de woning gelegen aan de [adres 2] en/of in omliggende woningen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was
welk hiervoor omschreven strafbaar feit verdachte, in of omstreeks de periode van
22 mei 2025 tot en met 23 mei 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door
-die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen (op Snapchat) te benaderen en/of
-aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen een beloning toe te zeggen/kennen voor het uitvoeren van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of
-met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen afspraken te maken over de locatie en/of de tijdstippen voor voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of
-met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen afspraken te maken op de wijze waarop voornoemde brandstichting en/of ontploffing moest plaatsvinden en/of
-met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen af te spreken om de brandstichting en/of ontploffing, althans het resultaat ervan, op beeldmateriaal vast te leggen en dit beeldmateriaal aan verdachte te versturen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2025 tot en met 23 mei 2025 te Barendrecht en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven anderen, althans alleen, bij (de voordeur van) een woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht, immers heeft/hebben verdachte en/of die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen een vuurwerk brandstof combinatie, althans een explosief voorwerp en/of een of meer brandbare en/of brandversnellende stoffen tegen/bij de voordeur van voornoemde woning geplaatst en/of (vervolgens) met open vuur in aanraking gebracht en/of aangestoken, in elk geval tot ontploffing gebracht, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de woning gelegen aan de [adres 2] en/of omliggende woningen en/of de inboedel van die woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de bewoner(s) en/of aanwezige(n) in de woning gelegen aan de [adres 2] en/of in omliggende woningen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
10/047763-25
hij, in of omstreeks de periode van 10 februari 2025 tot en met 11 februari 2025 te Tilburg (in/uit een geparkeerd staande vrachtwagen), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 33 stuks (robot)grasmaaiers (merk/type: Navimow/i105), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen grasmaaiers onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 11 februari 2025 te Rotterdam, althans in Nederland
5 stuks (robot)grasmaaiers (merk/type: Navimow/i105), althans één of meer goederen heeft
verworven, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
10/289434-23
hij, op of omstreeks 30 juni 2023, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de Boisotstraat en/of de Lumeystraat, althans op de openbare weg, een ketting, en/of een tas (met daarin onder andere kleding, Airpods, schoenen, een zonnebril, een ring en/of een portemonnee), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
-met een auto de doorgang van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te versperren en/of
-met een agressieve en/of aanvallende houding in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te lopen en/of
-een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of
-die [slachtoffer 1] in te sluiten door hem richting een muur te duwen en/of
-en/of een of meerdere keren met een vuurwapen, althans een hard/zwaar voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en/of
-aan de haren van die [slachtoffer 1] te trekken en/of de ketting van de hals van die [slachtoffer 1] te trekken en/of
-een of meerdere keren in/op/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen.