ECLI:NL:RBROT:2025:15248

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
C/10/710167 / JE RK 25-2353
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 18 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaak van een minderjarige, geboren in 2012, die onder toezicht is gesteld en waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 31 december 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 30 juni 2026. De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond heeft verzocht om deze verlengingen, omdat de minderjarige problemen vertoont in zijn ontwikkeling en er zorgen zijn over zijn opvoeding en verzorging. Tijdens de zitting op 18 december 2025 waren de moeder van de minderjarige en vertegenwoordigers van de GI aanwezig. De kinderrechter heeft de situatie van de minderjarige beoordeeld, waarbij naar voren kwam dat hij moeite heeft met gezag en dat er conflicten zijn met zijn moeder. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat het in het belang van de minderjarige is om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen, zodat er ruimte is om te onderzoeken wat de beste woonoplossing voor hem is. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710167 / JE RK 25-2353
Datum uitspraak: 18 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 14 november 2025, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum;
  • het gezinsplan van de GI van 10 december 2025, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum;
  • het gerectificeerde gezinsplan van de GI van 18 december 2025, door de rechtbank ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een
gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat
wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [naam instelling] .
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 december 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld, met ingang van 31 december 2024 tot 31 december 2025.
2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 maart 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 26 maart 2025 tot 31 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder
(de kinderrechter begrijpt hier: te verlengen)voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft op de zitting het verzoek. [minderjarige] verblijft al een tijdje bij [naam instelling] . Op dit moment gaat het minder goed met hem. Hij gaat nauwelijks naar school en laat gedrag zien waaruit blijkt dat hij vastloopt. [minderjarige] heeft moeite met het accepteren van gezag en er ontstaan geregeld conflicten, onder meer met de moeder. [minderjarige] geeft aan dat het contact met de moeder beter verloopt wanneer er enige afstand is. De GI ziet dat [minderjarige] de moeder beschermt. Tegelijkertijd geeft hij duidelijk aan dat hij bepaalde vormen van contact niet meer prettig vindt. Daarnaast heeft [minderjarige] zelf aangegeven dat hij verlangt naar een zo normaal mogelijk leven. Hij wil bij voorkeur wonen bij de moeder en de oma vaderszijde (vz). De GI ziet mogelijkheden binnen het netwerk, met name bij de oma vz, waar [minderjarige] zich rustig voelt en waar bereidheid bestaat om hem op te vangen. [minderjarige] heeft daar eerder ook verbleven. Lastig is echter dat de moeder en de oma vz niet goed met elkaar door een deur kunnen. Het perspectief van [minderjarige] is op dit moment nog niet duidelijk en er is nog geen structureel verlof opgebouwd. Ook is er nog geen slaapverlof geweest. De GI wil de komende periode gebruiken om te onderzoeken waar [minderjarige] kan wonen en welke begeleiding daarbij past. Om die reden verzoekt de GI om een verlenging van de maatregelen. Vooralsnog wordt verwacht dat de uithuisplaatsing niet langer dan zes maanden noodzakelijk zal zijn.
4.2.
De moeder verklaart op de zitting het volgende. De moeder is kritisch over de huidige plaatsing van [minderjarige] bij [naam instelling] . [minderjarige] heeft in de eerste maanden onvoldoende begeleiding gehad. Hij kan in de huidige setting te veel zijn eigen gang gaan. De moeder betwijfelt of deze plek passend is voor [minderjarige] . De samenwerking met de huidige jeugdbeschermer verloopt moeizaam. Er worden beslissingen genomen en gesprekken gevoerd zonder dat de moeder daarbij wordt betrokken. Ook heeft de moeder het overgelegde gezinsplan niet kunnen lezen voordat het definitief werd gemaakt. Zij voelt zich daardoor buitengesloten. Wel is zij positief over de inzet van Marathon en ervaart zij die samenwerking als prettig. De moeder wil het liefst dat [minderjarige] terug wordt geplaatst. Zij ziet echter wel in dat dit nu nog niet kan. De moeder vindt dat het opbouwen van verlof te snel werd verwacht en dat eerst gewerkt moet worden aan het verminderen van conflicten. De moeder staat open voor verdere stappen, mits er wordt gekeken naar passende begeleiding en zij daadwerkelijk wordt betrokken in het traject.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt dat [minderjarige] een jongen is die duidelijk laat zien dat hij vastloopt. Hij gaat nauwelijks naar school en heeft moeite met gezag. Eerder dit jaar is [minderjarige] uit huis geplaatst omdat de thuissituatie bij de moeder onhoudbaar was geworden. [minderjarige] was in toenemende mate zelfbepalend en agressief, bracht zichzelf in gevaarlijke en zeer risicovolle situaties en kwam in aanraking met de politie. [minderjarige] heeft zelf aangegeven dat hij graag deels bij de moeder en deels bij de oma vz, waar hij eerder ook heeft verbleven, wil wonen, maar ook dat hij niet weet hoe dit precies vorm moet krijgen. Lastig hieraan is dat de moeder en de oma vz niet met elkaar kunnen opschieten. Het perspectief voor [minderjarige] is op dit moment nog niet helder. De kinderrechter ziet dat het huidige traject richting een thuisplaatsing bij de moeder moeizaam verloopt en dat het tempo lager ligt dan gehoopt. Tegelijkertijd constateert de kinderrechter dat het traject inmiddels wel in beweging is gekomen, onder meer door de inzet van Marathon en het opbouwen van verlofmomenten. Het is begrijpelijk dat dit voor alle betrokkenen frustrerend is, maar het is noodzakelijk om in de komende periode deze stappen zorgvuldig te blijven zetten. De kinderrechter is van oordeel dat beëindiging van de ondertoezichtstelling op dit moment dan ook niet in het belang van [minderjarige] is. Er zijn nog te veel zorgen over zijn ontwikkeling. Ook een onmiddellijke terugplaatsing bij de moeder acht de kinderrechter nu niet verantwoord. Eerst moet duidelijk worden waar [minderjarige] op langere termijn het best kan wonen en wat ervoor nodig is om hem daar succesvol te plaatsen. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI toewijzen. Deze beslissing is bedoeld om ruimte te houden voor het zoeken naar het juiste perspectief voor [minderjarige] . Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat [minderjarige] langdurig bij [naam instelling] blijft als blijkt dat een andere plek beter aansluit. De kinderrechter benadrukt tevens het belang van samenwerking. Van alle betrokkenen, en in het bijzonder van de GI en de moeder, wordt verwacht dat zij met elkaar in gesprek blijven en samenwerken in het belang van [minderjarige] . Alleen op die manier kan er voor hem duidelijkheid en rust ontstaan.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 31 december 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 30 juni 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025 door mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 6 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.