De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2008. De minderjarige verblijft momenteel in een crisisopvang vanwege een onveilige thuissituatie thuis, waar sprake is van fysiek geweld en spanningen in de opvoeding.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden de ouders, hun advocaat, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling gehoord. De minderjarige werd gehoord met behulp van een beëdigde tolk Syrisch. De ouders erkennen de spanningen en het incidentele fysiek geweld, tonen bereidheid tot hulpverlening en herstel, maar stellen dat een minder ingrijpende maatregel dan uithuisplaatsing mogelijk is.
De kinderrechter oordeelt dat de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig worden bedreigd. De huidige crisisopvang biedt rust en veiligheid, terwijl thuis nog geen hulpverlening is ingezet en de situatie onveilig blijft. Daarom is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Er wordt ingezet op contactherstel en het maken van veiligheidsafspraken, met het doel terugplaatsing zodra veilig mogelijk is.
De beschikking handhaaft de spoedbeslissing van 9 december 2025, verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 9 maart 2026 en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.