Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- de dagvaarding van 20 oktober 2025, met producties 1 tot en met 31,
- de aanvullende producties 32 tot en met 41 van [eiseres],
- de producties 1 tot en met 21 van [gedaagde],
- de pleitnotities van mr. Smits,
- de pleitnotities van mr. Uittenbogaart.
2.De feiten
De overeenkomst
een ruilovereenkomst aan te gaan, inhoudende dat:
- het realiseren van 60% bouwoppervlakte,
- het realiseren van een gebruiksklare loods,
- het verkrijgen van een bevestiging van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) dat de bodem voldoet en er voor [gedaagde] geen saneringsverplichtingen zijn,
- het doen opnemen van de juiste erfdienstbaarheden (uitsluitend voor de elektriciteitskabel) in de akte van ruiling.
3.Het geschil
primair: [gedaagde] gebiedt om perceel A uiterlijk 15 januari 2026 ontruimd en verlaten aan [eiseres] ter beschikking te stellen (onder afgifte van de sleutel),
4.De beoordeling
inpassing gebouwen” te realiseren, rechtvaardigt het niet-verkrijgen door [eiseres] van de vergunning om minimaal 60% bebouwing te realiseren geen opschorting van de verbintenis tot levering door [gedaagde] van perceel A aan [eiseres]. Daarvoor bestaat onvoldoende samenhang tussen die verbintenissen. Daarnaast kunnen partijen alsnog met elkaar in overleg treden om te bewerkstelligen dat een vergunning wordt verleend. De ruil van de percelen staat daar niet aan in de weg.
recht van overpad/erfdienstbaarheid/gedoogplicht van energiebedrijven”. Volgens [gedaagde] is inmiddels gebleken dat het perceel wel belast is met erfdienstbaarheden, bestaande uit het recht tot het hebben van leidingen en kabels en een uitweg. In de conceptakte van ruiling is opgenomen dat [gedaagde] dit moet aanvaarden.