ECLI:NL:RBROT:2025:15255

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
C/10/709961 KG ZA 25-1121
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging beschikking exequatur kinderalimentatie

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding waarin [eiser] de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking van 26 september 2024 heeft gevorderd. Deze beschikking verleende een exequatur voor de tenuitvoerlegging van een beslissing van de Belgische rechter uit 2010, waarin een akkoord over kinderalimentatie was vastgelegd. [eiser] betwistte de geldigheid van deze beschikking, omdat de Belgische rechter zich in een eerdere uitspraak van 12 mei 2011 onbevoegd had verklaard om over de kinderalimentatie te oordelen, aangezien hij het kind niet had erkend. De voorzieningenrechter oordeelde dat de beschikking van 26 september 2024 berustte op een kennelijke misslag, omdat de rechtbank Arnhem geen kennis had genomen van het vonnis van de Jeugdrechtbank. Hierdoor werd de executie van de beschikking geschorst en het loonbeslag opgeheven. Tevens werd het LBIO veroordeeld tot terugbetaling van reeds geïncasseerde bedragen aan [eiser].

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/709961 / KG ZA 25-1121
Vonnis in kort geding van 10 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te Ede,
eiser,
advocaat: mr. M. van Hunnik,
tegen
LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
vertegenwoordigd door [naam 1].
Partijen worden hierna [eiser] en het LBIO genoemd.
De zaak in het kort
Bij beschikking van 26 september 2024 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem op verzoek van het LBIO een exequatur verleend om een beslissing van de Belgische rechter van 19 maart 2010 ten uitvoer te mogen leggen (te executeren). In die beslissing van de Belgische rechter is akte genomen van een voorlopig akkoord tussen [eiser] en zijn ex-partner. Dat voorlopig akkoord hield onder meer in dat [eiser] maandelijks € 100,00 aan kinderalimentatie aan zijn ex-partner ging betalen.
Inmiddels is het LBIO gestart met de executie door ten laste van [eiser] executoriaal loonbeslag te doen leggen, welke executie vooralsnog is opgeschort. Met dit kort geding tracht [eiser] de executie een halt toe te roepen. Daartoe beroept hij zich op een beslissing van de Jeugdrechtbank in Luik van 12 mei 2011. Daarin heeft de Jeugdrechtbank zich onbevoegd verklaard om een uitspraak te doen over kinderalimentatie omdat [eiser] het kind niet heeft erkend. In dit vonnis schorst de voorzieningenrechter de executie en heft zij tevens het loonbeslag op.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 18 november 2025, met producties 1 tot en met 9,
  • de aanvullende stukken van [eiser], die als producties 10 en 11 worden aangemerkt,
  • de producties 1 tot en met 11 van het LBIO,
  • de spreekaantekeningen van Heijens.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 26 november 2025.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft een affectieve relatie gehad met [naam 2] en woonde met haar samen in België. Inmiddels woont [eiser] in Nederland.
2.2.
Na het eindigen van de relatie maakt [eiser] bij dagvaarding van 2 juli 2009 een procedure tegen [naam 2] aanhangig bij de rechtbank in Luik. Daarin vordert hij een machtiging om de dochter van [naam 2], [naam 3], geboren op [geboortedatum] 2002, te erkennen. Tijdens een zitting op 9 februari 2010 maken [eiser] en [naam 2] voorlopige afspraken, die worden vastgelegd in een beslissing van 19 maart 2010.
De beëdigde vertaling van de beslissing luidt:
“De rechtbank, na beide partijen te hebben gehoord, (…)
1.
Oordeelt dat de eiser [vzr: [eiser]] geen toestemming van de verweerster nodig heeft om het kind [naam 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002 (akte nr. 2692), te erkennen, en dat hij haar dus kan erkennen zonder de toestemming van de verweerster [vzr: [naam 2]], waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand of notaris bevoegd is de erkenning vast te leggen op basis van dit vonnis, dat kracht van gewijsde heeft.
2.
Neemt akte van het
voorlopige akkoordtussen de partijen, zonder dat een van beide partijen afstand doet van het recht om zijn of haar respectievelijke claims en standpunten te doen gelden voor de Jeugdrechtbank, in afwachting van de beslissing van de Jeugdrechtbank:
- De eiser zal aan de moeder 100 euro per maand betalen als bijdrage in de kosten van onderhoud en opvoeding van het kind, ingaand op 1 april 2010,
- Enkel de moeder zal het ouderlijk gezag uitoefenen over het kind en het kind in eerste instantie bij zich huisvesten;
- Tenzij anders overeengekomen, ontmoet de vader het kind bij de moeder thuis op de eerste zaterdag van de maand van 13.00 tot 15.00 uur en op de derde zondag van de maand van 14.00 tot 16.00 uur,
- In geval van ernstige verhindering zal ieder van de partijen de ander zo spoedig mogelijk per e-mail verwittigen voorafgaand aan de geplande dag;
- De gerechtskosten van deze procedure worden vergoed.”
2.3.
De Jeugdrechtbank in Luik heeft bij vonnis van 12 mei 2011 beslist.
De beëdigde vertaling van het vonnis luidt:
“De eiser [vzr: [eiser]] is, ondanks een regelmatige oproeping, niet verschenen en liet zich niet vertegenwoordigen.
Tegen hem is vonnis bij verstek gevorderd.
Uit de relatie tussen de partijen is
[naam 3], geboren op [geboortedatum] 2002, geboren.
Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Luik van 19 maart 2010 werd de vader gemachtigd om het kind te erkennen.
In dit vonnis werd ook een overeenkomst tussen de partijen vastgelegd over het ouderlijk gezag en de afspraken over ontmoetingen tussen de vader en het kind.
De vader maakt geen gebruik van het recht op persoonlijk contact dat hem werd toegekend.
Volgens de moeder heeft de vader geen enkele stap ondernomen om het kind bij de burgerlijke stand te erkennen.
De Jeugdrechtbank is niet bevoegd om, krachtens de artikelen 336 en 338 van het Burgerlijk Wetboek, uitspraak te doen over de vordering inzake onderhoudsbijdrage die door de moeder werd ingesteld, aangezien het kind niet door de vader is erkend.
OM DEZE REDENEN:(…)
DE JEUGDRECHTBANK, oordelend op tegenspraak ten aanzien van de moeder en bij verstek ten aanzien van de vader, (…)
verklaart de vordering van [eiser] ontvankelijk, doch ongegrond;
verklaart zich onbevoegd om uitspraak te doen over de vordering tot onderhoudsbijdrage ingesteld door de moeder;
compenseert de gerechtskosten.”
2.4.
Bij brief van 6 februari 2024 laat het LBIO aan [eiser] weten dat de Belgische autoriteit heeft verzocht om alimentatie te innen. Volgens de autoriteit is [eiser] maandelijks € 100,00 aan kinderalimentatie verschuldigd en bedraagt de betalingsachterstand tot en met 29 februari 2024 € 14.600,00. Het LBIO verzoekt [eiser] om de achterstand binnen een maand te voldoen en vervolgens de lopende bijdrage voor iedere eerste van de maand te betalen. [eiser] betwist de verschuldigdheid en betaalt niet.
2.5.
De voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, verleent op verzoek van het LBIO bij beschikking van 26 september 2024 op grond van de Alimentatieverordening [1] erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 maart 2010.
2.6.
Op verzoek van het LBIO betekent de deurwaarder bij exploot van 13 december 2024 aan [eiser] de beslissing van 19 maart 2010, een ingevulde bijlage II van de Alimentatieverordening en de beschikking van 26 september 2024. Daarbij wordt bevel gedaan om € 15.600,00 aan alimentatie (tot en met december 2024) te voldoen.
2.7.
In oktober 2025 laat het LBIO executoriaal beslag leggen op het loon van [eiser].
2.8.
Bij e-mail van 31 oktober 2025 verzoekt mr. Van Hunnik het LBIO om de executie te staken, het loonbeslag op te heffen en het reeds geïncasseerde bedrag aan [eiser] terug te betalen. Daarbij wijst hij het LBIO op het vonnis van 12 mei 2011.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
het LBIO veroordeelt om de executie van de kinderalimentatie op grond van de beschikking van 26 september 2024 te staken en gestaakt te houden dan wel de executie schorst totdat de bevoegde Belgische rechter een voor ten uitvoerlegging vatbare beslissing heeft genomen over de aanspraak van [naam 2] op kinderalimentatie,
het beslag opheft, met veroordeling van het LBIO om al hetgeen reeds is geïncasseerd, inclusief rente en kosten, binnen twee weken na de betekening van dit vonnis aan [eiser] terug te betalen,
het LBIO veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Het LBIO voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.De beoordeling

spoedeisend belang
4.1.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, aangezien het LBIO reeds is begonnen met het ten uitvoer leggen (executeren) van de beschikking van 26 september 2024. Bij brief van 18 november 2025 heeft het LBIO de deurwaarder geïnstrueerd om het loonbeslag op te schorten. Daaruit begrijpt de voorzieningenrechter dat (ook) het LBIO de uitkomst van dit kort geding afwacht.
toetsingskader
4.2.
In een executiegeschil kan de tenuitvoerlegging van een beslissing slechts worden geschorst wanneer de executant (in dit geval het LBIO), gelet op de belangen van de geëxecuteerde (in dit geval [eiser]), geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn executiebevoegdheid. Dat kan het geval zijn wanneer de te executeren beslissing berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag en/of als de executie op grond van na de beslissing voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van de geëxecuteerde klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan.
kennelijke misslag
4.3.
De Belgische autoriteit heeft het LBIO verzocht om kinderalimentatie bij [eiser] te innen. Het LBIO heeft dit verzoek op grond van artikel 58 van de Alimentatieverordening in behandeling moeten nemen. Na aanschrijving van [eiser] en, vervolgens, het uitblijven van betaling door hem, heeft het LBIO de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem verzocht om een exequatur te verlenen voor de tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 maart 2010. Die exequatur is bij beschikking van 26 september 2024 verleend, waarna het LBIO door het leggen van executoriaal beslag kinderalimentatie bij [eiser] is gaan innen.
[eiser] stelt dat de beschikking van 26 september 2024 op een kennelijke misslag berust. De voorzieningenrechter volgt hem daarin. De kennelijke misslag is gelegen in het feit dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem geen kennis heeft genomen van het vonnis van 12 mei 2011 en dat dus niet heeft kunnen meewegen in haar beslissing. Daarbij is aannemelijk dat als de rechtbank Arnhem van het vonnis kennis had kunnen nemen geen exequatur was verleend. Hoewel de Belgische autoriteit zich op het standpunt stelt dat de beslissing van 19 maart 2010 in België uitvoerbaar is en het vonnis van 12 mei 2011 geen verandering heeft gebracht in de verplichting van [eiser] om kinderalimentatie te betalen, en het LBIO dit standpunt volgt, staat in de beslissing van 19 maart 2010 dat in afwachting van de beslissing van de Jeugdrechtbank akte wordt genomen van het
voorlopige akkoordtussen partijen. Daarbij is overwogen dat partijen geen afstand doen van het recht om hun claims en standpunten te doen gelden voor de Jeugdrechtbank. Vervolgens heeft de Jeugdrechtbank bij vonnis van 12 mei 2011 definitief beslist en zich onbevoegd verklaard om uitspraak te doen over de vordering tot het betalen van kinderalimentatie omdat [naam 3] niet door [eiser] is erkend. Naar voorlopig oordeel heeft het vonnis van de Jeugdrechtbank de in de eerdere beslissing vastgelegde voorlopige afspraken tussen [eiser] en [naam 2] opzij gezet. Dit betekent dat er geen verplichting op [eiser] rust om kinderalimentatie te betalen, waarbij de voorzieningenrechter opmerkt dat [eiser] [naam 3] blijkbaar ook nadien niet heeft erkend.
conclusie
4.4.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de executie van de beschikking van 26 september 2024, betreffende de erkenning en uitvoerbaarverklaring van de beslissing van de Belgische rechter van 19 maart 2010, wordt geschorst totdat de bevoegde rechter in België een voor ten uitvoerlegging vatbare beslissing heeft genomen over de aanspraak van [naam 2] op kinderalimentatie. Op grond van artikel 438 lid 3 Rv heft de voorzieningenrechter tevens het ten laste van [eiser] gelegde loonbeslag op. Verder wordt het LBIO veroordeeld tot betaling aan [eiser] van alles wat diens werkgever al aan het LBIO heeft afgedragen.
proceskosten
4.5.
Het LBIO wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiser] veroordeeld. Omdat [eiser] op basis van een toevoeging procedeert, wordt geen rekening gehouden met de exploot- en betekeningskosten. De proceskosten worden begroot op:
  • griffierecht: € 90,00
  • salaris advocaat: € 1.107,00
  • nakosten:
totaal: € 1.375,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 26 september 2024 met zaaknummer C/05/440751 / FA RK 24-2941, betreffende de erkenning en uitvoerbaarverklaring van de beslissing van de Belgische rechter van 19 maart 2010, totdat de bevoegde rechter in België een voor ten uitvoerlegging vatbare beslissing heeft genomen over de aanspraak van [naam 2] op kinderalimentatie,
5.2.
heft op het in oktober 2025 ten laste van [eiser] onder NWN Agenturen B.V. gelegde beslag en veroordeelt het LBIO om alles wat reeds is geïncasseerd, inclusief rente en kosten, binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen,
5.3.
veroordeelt het LBIO in de proceskosten van € 1.375,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als het LBIO niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025. [2971/2009]

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.