ECLI:NL:RBROT:2025:15269

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
10-239077-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van poging tot ontploffing en voltooide ontploffing in Rotterdam

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van het medeplegen van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing en een voltooide ontploffing. De feiten vonden plaats in Rotterdam in augustus 2025, waarbij de verdachte een aansturende rol had in de uitvoering van de strafbare feiten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 21 augustus 2025 samen met anderen een poging heeft gedaan om een explosief te plaatsen bij een woning aan [adres 2]. Dit misdrijf werd niet voltooid doordat de verdachte werd aangesproken door een getuige, waardoor hij de tassen met explosieven heeft achtergelaten. Op 23 augustus 2025 heeft een mededader echter wel een ontploffing teweeggebracht bij een woning aan [adres 3]. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft ook de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, waarbij schadevergoeding werd geëist voor de gevolgen van de ontploffingen. De rechtbank heeft de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade aan de benadeelde partijen, die emotionele en materiële schade hebben geleden door de explosies.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-239077-25
Datum uitspraak: 30 december 2025
Datum zitting: 17 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres:
[adres 1] , [postcode] [plaatsnaam] ,
gedetineerd in de [detentieadres] .
Advocaat van de verdachte: mr. M.P. Kloppenburg
Officier van justitie: mr. F.J. van der Putten
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. A.R. Hamers
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van een poging tot ontploffing en het medeplegen van een ontploffing. Deze strafbare feiten vonden plaats in een periode van drie dagen in dezelfde straat. De verdachte heeft daarbij een aansturende rol gehad richting de mededaders. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte – kort gezegd – van:
- het medeplegen van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting op 21 augustus 2025 aan de [adres 2] (feit 1 primair). Subsidiair is dit ten laste gelegd als de voorbereiding daarvan (feit 1 subsidiair);
- het medeplegen van brandstichting en/of een ontploffing teweegbrengen op 23 augustus 2025 aan de [adres 3] (feit 2).
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) staat in bijlage 1.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde onder feit 1. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte zich op 21 augustus 2025 als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing aan de [adres 2] en dat hij zich op 23 augustus 2025 als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing aan de [adres 3] . De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
2.3.2.
Bewijsmotivering feit 1: poging brandstichting/ontploffing op 21 augustus 2025
Feiten en omstandigheden
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij het feit bekend, maar de rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe zijn handelen gekwalificeerd moet worden.
De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden. [1]
In de nacht van 21 augustus 2025 rond 02:15 uur zag [aangever] een man staan op de Jan Kruijffstraat in Rotterdam. Hij sprak de man aan en die man vertelde dat hij een bom bij zich had. Hij wees daarbij naar een tas. Daarna is de man weggelopen en zijn er twee tassen blijven staan. [2] Diezelfde nacht werd [naam] aangehouden als verdachte. Hij verklaarde dat hij een tas met een bom moest leggen voor de deur van [huisnummer 1] van een straat met een ‘K’. [3] Uit nader onderzoek, waaronder naar verschillende telefoons en camerabeelden [4] , bleek dat [naam] het explosief diezelfde avond overgedragen had gekregen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Om 00:17 uur, vlak voor deze overdracht, had het account ‘tapeminderaf’ een groepschat met hen aangemaakt. [5] De verdachte heeft verklaard dat dit zijn account is, dat hij het adres [adres 2] heeft doorgestuurd aan de medeverdachten en dat hij hen met elkaar in contact heeft gebracht. [6]
Ter plaatse werd door het Team Explosieven Veiligheid geconstateerd dat in de achtergebleven tassen een zelf geknutseld explosief zat. [7] Door de forensische opsporing werd gemuteerd dat een fasciapakket was aangetroffen van 282 gram bruto, een zwart snoer van ongeveer 30 meter verbonden aan een elektrische ontsteker en een 12 volt accu. [8] Het NFI heeft onderzoek gedaan naar een monster uit het explosief en vastgesteld dat dit flitspoeder bevatte. Dit is een krachtige explosieve stof die al onder geringe opsluiting tot ontploffing kan komen. [9] Uit de vakbijlage blijkt dat een explosief pakket, zoals in dit geval aangetroffen, materiële schade voor goederen in de directe nabijheid oplevert en dat dit tevens gevaar voor personen kan opleveren door onder meer een schokgolf, scherfwerking of geluidsdruk. [10]
Begin van uitvoering
De verdediging heeft bepleit dat er geen sprake is geweest van een begin van uitvoering nu het explosief nog niet door [naam] uit de tas was gehaald en bij de accu was geplaatst. Daarnaast was de accu nog niet aangesloten. Dat ligt ver af van een voltooid delict. De verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging.
Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is nodig dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering indien de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats en hoe concreet de gedragingen daarop waren gericht.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft omschreven, was het de bedoeling van de verdachten dat het explosief geplaatst zou worden op de [adres 2] . Met dat doel heeft de verdachte de medeverdachten aangestuurd om het explosief over te dragen en heeft hij het adres doorgestuurd. [naam] is uiteindelijk met het explosief in de directe omgeving van het beoogde doelwit gezien. Het plan was daarmee al in de laatste fase van de uitvoering beland; het explosief hoefde immers alleen nog maar voor de deur te worden gelegd en te worden ontstoken. Het totaal van de daaraan voorafgaande gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [naam] lagen zowel in tijd als in plaats heel dicht bij de voltooiing van het misdrijf. Dat het explosief nog niet was aangestoken doet hieraan niets af. Dat het uiteindelijk niet tot een ontploffing is gekomen is alleen te danken aan het feit dat de aangever [naam] heeft aangesproken en [naam] daarna is weggegaan, waarbij hij op ‘aandringen’ van de aangever de tassen met het explosief heeft achter gelaten. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een ander heeft geprobeerd een ontploffing teweeg te brengen.
Uit het rapport van het NFI en de daarbij gevoegde vakbijlage, zoals hierboven omschreven, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen in de woning van [adres 2] en in de omliggende woningen te duchten was en ook gevaar voor goederen in die woning en omliggende woningen en nabijgelegen geparkeerde auto’s.
2.3.3.
Bewijs feit 2: ontploffing op 23 augustus 2025
De verdachte heeft het onder feit 2 ten laste gelegde bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Dit feit wordt zonder nadere motivering bewezenverklaard en de bewijsmiddelen voor dit feit worden hieronder genoemd, maar niet uitgeschreven:
- de verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 17 december 2025;
- het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde partij 6] van 3 september 2025, nummer [proces-verbaalnummer 1] , pagina 1 tot en met 5 van het zaaksdossier Stil;
- het proces-verbaal van bevindingen van 24 augustus 2025, nummer [proces-verbaalnummer 2] , pagina 8 en 9 van het zaaksdossier Stil;
- het proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2025, pagina 20 tot en met 27 van het zaaksdossier Stil;
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict van 8 oktober 2025, nummer [proces-verbaalnummer 3] .
2.3.4.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 primair
hij op 21 augustus 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten bij een woning, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] en/of omliggende woningen en/of de inboedel van die woningen en/of nabijgelegen geparkeerde auto's en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten meerdere personen die aanwezig waren in de woningen gelegen aan de [adres 2] en/of in omliggende woningen en/of op straat aanwezige personen, te duchten was,
- via snapchat afspraken heeft gemaakt over de benodigdheden en de wijze van uitvoering van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en
- tassen met een zelfgemaakt explosief en een accu in ontvangst heeft genomen en heeft overgedragen aan zijn mededader en
- met een scooter en/of fiets in de richting van het Albertina Sisululpad en de woning gelegen aan de [adres 2] is gereden, terwijl zijn mededader(s) in het bezit waren van een zelfgemaakt explosief en een accu en
- ( vervolgens) met een zelfgemaakt explosief en een accu naar, althans in de richting van, de woning gelegen aan de [adres 2] is gelopen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij op 23 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een Cobra 6, in aanraking te brengen met open vuur en (vervolgens) dit explosief tegen de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 3] te plaatsen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 3] en/of omliggende woningen en/of de inboedel van die woningen te duchten was.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 primair
medeplegen van een poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is;
Feit 2
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor feit 1 primair en feit 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit de geëiste straf door de officier van justitie flink te matigen gelet op de bepleite vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit en gelet op de omstandigheden van het geval.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich allereerst met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing aan de [adres 2] op 21 augustus 2025. De verdachte heeft daarbij een aansturende rol richting zijn mededaders gehad door hen met elkaar in contact te brengen en het betreffende adres door te geven. Dat dit uiteindelijk bij een poging is gebleven, is uitsluitend te danken aan de toevalligheid dat de aangever net kwam aanlopen, [naam] bij zijn woning heeft gezien en toen ingegrepen heeft. Extra kwalijk is dat toen sprake was van een (zelfgemaakt) explosief met een grote hoeveelheid flitspoeder, een stof die tot een zeer zware ontploffing had kunnen leiden.
Toen de verdachte erachter kwam dat de explosie niet geslaagd was, heeft hij het plan niet opgegeven, maar is in de dagen daarna op zoek gegaan naar anderen die die ontploffing op datzelfde adres alsnog zouden kunnen uitvoeren. Hij is ook zelf actief op zoek gegaan naar iemand die de benodigde cobra’s daarvoor kon leveren, waarbij hij ook bereid was om daar dan extra voor te betalen. Op 23 augustus 2025 heeft een mededader vervolgens alsnog een ontploffing teweeggebracht door cobra’s aan te steken in een portiek van de [straatnaam] , zij het dat hij dit toen bij de woning op [huisnummer 2] heeft gedaan, terwijl het adres dat de verdachte zelf hem in de avond van 23 augustus 2025 via zijn telefoon had doorgestuurd [huisnummer 1] betrof.
De bewoners van [huisnummer 2] , [naam familie] , zijn door deze vergissing zonder enige aanleiding betrokken geraakt in een zeer heftige en bedreigende situatie. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt hoezeer de ontploffing impact op hen heeft gehad en dat de daardoor veroorzaakte gevoelens van angst en onveiligheid ook nu nog onverminderd aanwezig zijn.
De verdachte heeft zich in het geheel niet bekommerd om de (mogelijke) gevolgen van zijn handelen. Hij was slechts bezig om ervoor te zorgen dat de klus, die op 21 augustus 2025 nog was mislukt, dit keer met succes zou worden afgemaakt. De rechtbank rekent de verdachte dat zeer aan.
Dit soort criminele explosies vinden niet alleen in de stad Rotterdam steeds vaker plaats, maar ook op veel andere plekken in het land, en zorgen in de brede samenleving voor onrust en gevoelens van onveiligheid.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 november 2025 blijkt dat de verdachte weliswaar eerder met justitie in aanraking is gekomen, maar dat hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld is voor dit soort strafbare feiten. Daarom ziet de rechtbank, ondanks het feit dat de verdachte een strafblad heeft, geen aanleiding om nu een hogere straf op te leggen dan bij dergelijke feiten gebruikelijk is.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft een eigen bedrijf gericht op de verhuur, import en reparatie van auto’s. Nu hij gedetineerd is lopen de kosten op en - als hij langer vast blijft zitten - is aannemelijk dat hij het bedrijf mogelijk kwijt zal raken. Daarnaast is zijn vriendin zwanger; zij is in april 2026 uitgerekend.
4.3.3.
Oplegging straf
De ernst van de strafbare feiten en de impact die dergelijke feiten hebben op betrokkenen brengen mee dat een gevangenisstraf, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de enige passende straf is. Een andere straf zou namelijk aan die ernst en impact totaal geen recht doen. Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd.

5.Vorderingen van de benadeelde partijen

5.1.
De vorderingen
In dit strafproces heeft mr. A.R. Hamers namens de zeven gezinsleden van de woning op de [adres 3] schadevergoeding van de verdachte gevorderd.
De rechtbank heeft de vorderingen samengevat in het hieronder opgenomen overzicht.
Benadeelde
Materiële schade
Immateriële schade
Nader te onderbouwen schade
Totaal
[benadeelde partij 1]
€ 2.500,-
€ 1.000,-
€ 3.500,-
[benadeelde partij 2]
€ 2.500,-
€ 1.000,-
€ 3.500,-
[benadeelde partij 3]
€ 2.500,-
€ 1.000,-
€ 3.500,-
[benadeelde partij 4]
€ 2.500,-
€ 1.000,-
€ 3.500,-
[benadeelde partij 5]
€ 2.500,-
€ 1.000,-
€ 3.500,-
[benadeelde partij 6]
€ 337,16
€ 2.500,-
€ 1.000,-
€ 3.837,16
[benadeelde partij 7]
€ 2.500,-
€ 1.000,-
€ 3.500,-
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
Het bedrag van de materiële schade is goed onderbouwd en kan worden toegewezen. Vergoeding van de immateriële schade is ook passend. De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag. De toegewezen bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De gevorderde immateriële schade dient te worden afgewezen. De benadeelde partijen waren immers nog niet thuis op het moment van de explosie. Ten aanzien van de materiële schade kan de vordering worden toegewezen tot een bedrag van 300 euro.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Materiële schade [benadeelde partij 6]De rechtbank stelt vast dat de [benadeelde partij 6] rechtstreeks materiële schade aan de woning heeft geleden als gevolg van het onder 2 gepleegde strafbare feit. De vordering wordt voor dit gedeelte toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de betwisting daartegenover onvoldoende heeft onderbouwd.
5.4.2.
Immateriële schade benadeelde partijen
De benadeelde partijen hebben als gevolg van het strafbare feit onder 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. Het is zonder meer voorstelbaar dat zij zich als gevolg van het handelen van de verdachte bedreigd hebben gevoeld en daarvan emotionele gevolgen ondervinden. Dat zij op het moment van de ontploffing nog niet thuis waren, maakt dat niet anders. De confrontatie met de schade, die de ontploffing aan hun woning heeft veroorzaakt, en de wetenschap dat dit zomaar kan gebeuren zonder dat zij daar enige aanleiding toe hebben gegeven rechtvaardigt het bestaan van die gevoelens van angst en onveiligheid. De schade wordt door de rechtbank naar maatstaven van billijkheid begroot op
€ 1.500,- per benadeelde partij. De gevorderde immateriële schade wordt tot dit bedrag toegewezen en voor het resterende deel afgewezen.
5.4.3.
Nader te onderbouwen kosten
De benadeelde partijen hebben ieder € 1.000,- aan nader te onderbouwen schade in verband met hoger beroep gevorderd. Deze gevorderde kosten zullen worden afgewezen nu de veronderstelling dat in het geval van hoger beroep nog nieuwe of hogere kostenposten gevorderd kunnen of zullen worden in het geheel niet is onderbouwd.
5.4.4.
Conclusie toegewezen schade
De verdachte moet – samengevat – de benadeelde partijen een schadevergoeding betalen zoals hieronder vermeld.
Benadeelde
Materiële schade
Immateriële schade
Nader te onderbouwen schade
Totaal
[benadeelde partij 1]
€ 1.500,-
€ 1.500,-
[benadeelde partij 2]
€ 1.500,-
€ 1.500,-
[benadeelde partij 3]
€ 1.500,-
€ 1.500,-
[benadeelde partij 4]
€ 1.500,-
€ 1.500,-
[benadeelde partij 5]
€ 1.500,-
€ 1.500,-
[benadeelde partij 6]
€ 337,16
€ 1.500,-
€ 1.837,16
[benadeelde partij 7]
€ 1.500,-
€ 1.500,-
5.4.5.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoedingen worden toegekend samen met ten minste één mededader gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoedingen. Als een mededader de schadevergoedingen (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partijen te betalen.
5.4.6.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 23 augustus 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen (grotendeels) worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoedingen aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partijen. Als dwangmiddel kan per toegewezen vordering gijzeling, zoals vermeld in hoofdstuk 7, worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart
bewezendat de verdachte de feiten 1
primairen 2 zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vorderingen benadeelde partijen | Feit 2
[benadeelde partij 1]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de [benadeelde partij 1]
te betalen een bedrag van
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro)te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 augustus tot aan de dag van de gehele betaling.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.
[benadeelde partij 2]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de [benadeelde partij 2]
te betalen een bedrag van
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte voor
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro)te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 augustus tot aan de dag van de gehele betaling.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.
[benadeelde partij 3]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de [benadeelde partij 3]
te betalen een bedrag van
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte voor
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 3] aan de staat
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro)te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 augustus tot aan de dag van de gehele betaling.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.
[benadeelde partij 4]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de [benadeelde partij 4]
te betalen een bedrag van
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte voor
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 4] aan de staat
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro)te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 augustus tot aan de dag van de gehele betaling.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.
[benadeelde partij 5]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de [benadeelde partij 5]
te betalen een bedrag van
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte voor
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 5] aan de staat
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro)te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 augustus tot aan de dag van de gehele betaling.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.
[benadeelde partij 6]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de [benadeelde partij 6]
te betalen een bedrag van
€ 1.837,16,- (zegge: duizend achthonderd euro en zestien eurocent), als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte voor
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 6] aan de staat
€ 1.837,16,- (zegge: duizend achthonderd euro en zestien eurocent), te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 augustus tot aan de dag van de gehele betaling.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
28 (achtentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.
[benadeelde partij 7]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s), aan de [benadeelde partij 7]
te betalen een bedrag van
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte voor
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 7] aan de staat
€ 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro)te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 augustus tot aan de dag van de gehele betaling.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. van Esch, voorzitter,
en mrs. C.G. van de Grampel en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 december 2025.
Mr. Van Esch is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage 1 – volledige tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 21 augustus 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten bij een woning, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] ,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] en/of omliggende woningen en/of de inboedel van die woningen en/of nabijgelegen geparkeerde auto's en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten meerdere personen die aanwezig waren in de woningen gelegen aan de [adres 2] en/of in omliggende woningen en/of op straat aanwezige personen, te duchten was,
- via snapchat afspraken heeft gemaakt over de benodigdheden en/of de wijze van uitvoering van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of
- via snapchat berichten heeft ontvangen en/of verstuurd waarin gevraagd wordt “Wie heeft een c6je liggen nu” en/of
- tas(sen) met een (zelfgemaakt) explosief en/of meerdere Cobra’s en/of een accu in ontvangst heeft genomen en/of heeft overgedragen aan zijn mededader(s), en/of
- met een scooter en/of fiets in de richting van het Albertina Sisululpad en/of de woning gelegen aan de [adres 2] is gereden, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) in het bezit waren van een (zelfgemaakt) explosief en/of meerdere Cobra's en/of een accu en/of
- een flesje met een chemisch geurende vloeistof in de tas(sen) heeft leeggegoten en/of
- ( vervolgens) met een (zelfgemaakt) explosief en/of meerdere Cobra’s en/of een accu naar, althans in de richting van, de woning gelegen aan de [adres 2] is gelopen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 21 augustus 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweeg brengen van een ontploffing en/of het stichten van brand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of
levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (als omschreven in artikel 157 Wetboek van Strafrecht),
opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten
- meerdere, althans een, mobiele telefoon(s) om met anderen te communiceren over dit strafbare feit en/of van anderen instructies en/of informatie te krijgen met betrekking tot dit strafbare feit en/of
- een (huur)scooter om verdachte en/of zijn mededader(s) te vervoeren naar en/of van de plaats delict en/of
- een (zelfgemaakt) explosief en/of meerdere, althans een, Cobra('s) en/of een accu en/of en/of een flesje met chemisch geurende vloeistof en/of
- een auto en/of een of meerdere, althans een, tas(sen) en/of handschoen(en), om het explosief te vervoeren en/of op te slaan,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;=.
2
hij op of omstreeks 23 augustus 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een Cobra 6, althans een stuk illegaal vuurwerk, althans enig explosief, in aanraking te brengen met open vuur en (vervolgens) dit explosief tegen/nabij de (voor)deur van de woning gelegen op/aan de [adres 3] te plaatsen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 3] en/of omliggende woningen en/of de inboedel van die woningen te duchten was
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten meerdere personen die aanwezig waren in de woningen gelegen aan de [adres 3] en/of in omliggende woningen en/of in het portiek te duchten was.

Voetnoten

1.In de voetnoten wordt verwezen naar de exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen waaraan de feiten en omstandigheden zijn ontleend. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier Flits met nummer [nummer] .
2.Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] van 21 augustus 2025, [proces-verbaalnummer 4] , pagina 1 tot en met 4.
3.Het proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2025, [proces-verbaalnummer 5] , pagina 11 tot en met 14.
4.Het proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2025, pagina 50 tot en met 63.
5.Het proces-verbaal van bevindingen van 30 augustus 2025, pagina 119 tot en met 129.
6.De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 17 december 2025.
7.Het proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2025, [proces-verbaalnummer 6] , pagina 8 tot en met 10.
8.Het proces-verbaal van bevindingen van 1 september 2025, pagina 147 en 148.
9.NFI Explosievenonderzoek aan een monster van de lading uit een vermeende explosieve constructie die is aangetroffen op 21 augustus 2025 van 4 november 2025.
10.NFI Vakbijlage Gevaarzetting geïmproviseerde explosie constructies met flitspoeder in zachte pakketten.