ECLI:NL:RBROT:2025:15276

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
C/10/711779 / JE RK 25-2592
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BWArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en voorlopige ondertoezichtstelling minderjarige

De kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam heeft op 23 december 2025 een beschikking gegeven in een zaak betreffende een minderjarige die voorlopig onder toezicht is gesteld en uit huis geplaatst. De minderjarige verblijft in een crisisopvang en er is sprake van een complexe familiedynamiek waarbij het contact tussen de ouders en de minderjarige hersteld moet worden.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden. De kinderrechter oordeelde dat de ondertoezichtstelling passend en geboden blijft en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De machtiging werd verlengd, maar voor een kortere periode dan verzocht, namelijk tot 26 januari 2026.

Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de ouders openstaan voor hulpverlening en dat het contact tussen de ouders en de minderjarige voorzichtig wordt hersteld. De kinderrechter benadrukte het belang van rust en ruimte om het wederzijds vertrouwen op te bouwen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en verdere behandeling is gepland op 23 januari 2026.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 26 januari 2026 en de voorlopige ondertoezichtstelling blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711779 / JE RK 25-2592
Datum uitspraak: 23 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over het horen op een voorlopige ondertoezichtstelling en verlengen machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.P. Kloppenburg kantoorhoudende te Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 12 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
Op 23 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
1.3.
Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Engelse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 3] , tolk in de Engelse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een crisisopvang van Enver.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 december 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 maart 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter in deze rechtbank een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 26 december 2026. De beslissing is voor het overige aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Hierover is reeds beslist. Thans dienen de partijen hierop nog te worden gehoord. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hiervan zijn reeds twee weken verleend. Over de periode tot 12 maart 2026 moet nog worden beslist.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft zijn verzoek ter zitting en licht deze nader toe. Het is de bedoeling dat [minderjarige] uiteindelijk weer bij de ouders thuis gaat wonen maar daarvoor is eerst de opbouw van het wederzijdse vertrouwen nodig. Recent heeft er voor het eerst weer contact tussen de ouders en [minderjarige] plaatsgevonden en dat is fijn. De Raad wil dat de relatie tussen de ouders en [minderjarige] wordt hersteld zodat [minderjarige] op korte termijn weer thuis kan gaan wonen. Er is meer tijd nodig om te onderzoeken wat er nodig is op het gebied van hulpverlening. Onlangs heeft [minderjarige] aangegeven dat ze ervoor openstaat om naar een thuisplaatsing te werken. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat dit met kleine stapjes gebeurt en dat haar tempo hierin wordt aangehouden.
4.2.
De GI staat achter het verzoek van de Raad en brengt ter zitting het volgende naar voren. Momenteel is er geen contact tussen de moeder en [minderjarige] . Er moet ingezet worden op hulpverlening die [minderjarige] en de ouders weer kan verbinden. [minderjarige] is een dertienjarig meisje met een druk sociaal leven. Het is belangrijk dat de ouders [minderjarige] kunnen begeleiden en beschermen.
4.3.
Door en namens de ouders wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] is de afgelopen tijd verschillende grenzen aan het opzoeken. [minderjarige] vapet, heeft verkeerde vrienden en liegt tegen de ouders over waar zij heen gaat. [minderjarige] oogt een stuk ouder dan haar daadwerkelijke leeftijd en dat kan gevaarlijk zijn. De ouders willen [minderjarige] graag beschermen en dat zorgt voor wrijving. De wens van de ouders is dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer thuis komt wonen. De ouders staan open voor alle vormen van hulpverlening en voeren dan ook geen verweer tegen de ondertoezichtstelling. Ten opzichte van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt namens de ouders verzocht om deze toe te wijzen voor een kortere duur dan is verzocht.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van de stukken en de mondelinge behandeling komt de kinderrechter tot het oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:257 BW Pro) en dat de uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling, zoals verzocht en ter zitting niet weersproken, daarom nog steeds passend en geboden is. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW). De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
5.2.
[minderjarige] is op 12 december 2025 met een machtiging uit huis geplaatst bij de ouders. Er is sprake van een ingewikkelde familiedynamiek, waarin [minderjarige] aangeeft zich niet veilig te voelen thuis. Inmiddels wordt er langzaam gewerkt aan contactherstel tussen de ouders en [minderjarige] , maar dit is nog pril. Het is belangrijk dat er gewerkt wordt aan het winnen van wederzijds vertrouwen zodat [minderjarige] zich thuis weer veilig voelt. Om dit op een veilige manier te kunnen vormgeven is rust en ruimte nodig. De verwachting is dat het opbouwen van het wederzijds vertrouwen tussen de ouders en [minderjarige] op redelijk korte termijn kan worden gerealiseerd. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] daarom voor een kortere periode dan is verzocht, te weten tot 26 januari 2026, om in het licht van de dan bestaande situatie te bezien hoe het ervoor staat. Het is immers niet de bedoeling dat [minderjarige] langer dan noodzakelijk met een machtiging tot uithuisplaatsing ergens anders verblijft.
5.3.
De Raad wordt verzocht om de kinderrechter (met afschrift daarvan aan de GI, de ouders en mr. M.P. Kloppenburg)
uiterlijk één weekvoorafgaand aan de hierna te noemen zittingsdatum te rapporteren over de huidige stand van zaken en daarbij aan te geven of het overige deel van de verzoeken al dan niet wordt gehandhaafd.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
houdt de beschikking van de kinderrechter van 12 december 2025 in stand;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 januari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat het verhoor van de GI, de ouders en mr. M.P. Kloppenburg in deze zaak zal plaatsvinden op
23 januari 2026 te 14:45 uur in het gerechtsgebouw te Dordrecht, Steegoversloot 36;
6.5.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden worden behandeld door mr. H. Biemond, kinderrechter;
6.6.
gelast de oproeping van [minderjarige] tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip;
6.7.
verzoekt de Raad de kinderrechter
uiterlijk één week voor 23 januari 2026(met afschrift daarvan aan de GI, de ouders en mr. M.P. Kloppenburg) de verzochte rapportage onder 5.3 Te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 7 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.