ECLI:NL:RBROT:2025:15282

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/8553
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in het kader van de Participatiewet

Op 30 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om voorlopige voorziening in het kader van de Participatiewet. Verzoeker, een inwoner van Rotterdam, had op 5 juni 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam op 22 oktober 2025 was afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was en deed uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker ontving studiefinanciering, wat volgens vaste rechtspraak als een voorliggende voorziening wordt beschouwd. Hierdoor was er geen acute noodsituatie die het verlenen van bijstand onvermijdelijk maakte.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en stelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. E.J. Rutten, in aanwezigheid van griffier mr. S.I. van der Hoek, en werd openbaar uitgesproken op dezelfde datum. Een afschrift van de uitspraak is verzonden aan de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8553

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college.

Inleiding

1.1.
Met het besluit van 22 oktober 2025 heeft het college de aanvraag van verzoeker voor een bijstandsuitkering afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker heeft op 5 juni 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 22 oktober 2025 afgewezen omdat de inkomsten die verzoeker vanaf 1 januari 2025 ontvangt uit de studiefinanciering per maand hoger of gelijk zijn aan de voor hem geldende bijstandsnorm.
3. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als er een spoedeisend belang bestaat waardoor de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Verzoeker voert aan dat hij niet over inkomsten beschikt en hij een aanzienlijke schuld heeft, waardoor hij over onvoldoende financiële middelen beschikt om in zijn noodzakelijke bestaanskosten te voorzien.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft op de aanvraag vermeld dat hij studiefinanciering ontvangt. Ook uit de door het college overgelegde gegevens uit het systeem SUWINET volgt dat verzoeker studiefinanciering ontvangt. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker geen of minder studiefinanciering kan ontvangen dan de voor hem geldende bijstandsnorm.
4. Omdat geen sprake is van een spoedeisend belang, kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen als het besluit van 22 oktober 2025 evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Met andere woorden: als overduidelijk is dat het college het besluit om de aanvraag van verzoeker af te wijzen niet mocht nemen. Daarvan is hier geen sprake. Het gaat hier om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Het is daarom aan verzoeker om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die nopen tot inwilliging van zijn aanvraag.
Verzoeker ontvangt studiefinanciering. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2118) is studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 aan te merken als een voorliggende voorziening [1] die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Verzoeker kan daarmee op dit moment in de noodzakelijke bestaanskosten voorzien. Verzoeker voert aan dat sprake is van zeer dringende redenen [2] op grond waarvan hij recht op bijstand heeft. Dergelijke zeer dringende redenen doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is.
De in artikel 16 van de Participatiewet genoemde zeer dringende redenen zijn een uitzondering op de hoofdregel. Daarom moet de betrokkene aannemelijk maken dat aan deze voorwaarden is voldaan. Verzoeker heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat sprake is van dergelijke zeer dringende redenen.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
de griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet.
2.Als bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet.