ECLI:NL:RBROT:2025:15282
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in het kader van de Participatiewet
Op 30 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om voorlopige voorziening in het kader van de Participatiewet. Verzoeker, een inwoner van Rotterdam, had op 5 juni 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam op 22 oktober 2025 was afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was en deed uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker ontving studiefinanciering, wat volgens vaste rechtspraak als een voorliggende voorziening wordt beschouwd. Hierdoor was er geen acute noodsituatie die het verlenen van bijstand onvermijdelijk maakte.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en stelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. E.J. Rutten, in aanwezigheid van griffier mr. S.I. van der Hoek, en werd openbaar uitgesproken op dezelfde datum. Een afschrift van de uitspraak is verzonden aan de betrokken partijen.