ECLI:NL:RBROT:2025:15302

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/10/699476 / HA ZA 25-394
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Burengeschil over erfdienstbaarheid van weg en gebruik van perceel

In deze zaak, die voor de Rechtbank Rotterdam is behandeld, gaat het om een burengeschil tussen [bedrijf X] en [persoon A] en [persoon B] over een erfdienstbaarheid van weg. [persoon A] en [persoon B] hebben op basis van een erfdienstbaarheid het recht om met voertuigen over het perceel van [bedrijf X] naar de openbare weg te gaan. [bedrijf X] vordert de opheffing van deze erfdienstbaarheid, terwijl [persoon A] en [persoon B] vorderen dat [bedrijf X] wordt veroordeeld tot nakoming van de erfdienstbaarheid. De rechtbank wijst de vorderingen van [bedrijf X] af, omdat niet is aangetoond dat [persoon A] en [persoon B] geen redelijk belang meer hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid. De rechtbank oordeelt dat de erfdienstbaarheid in 2016 weloverwogen is gevestigd en dat de omstandigheden niet zodanig zijn veranderd dat opheffing gerechtvaardigd is. Daarnaast wijst de rechtbank de vorderingen van [persoon A] en [persoon B] af, omdat zij onvoldoende hebben aangetoond dat [bedrijf X] de erfdienstbaarheid niet respecteert. De rechtbank concludeert dat er geen grond is voor de opheffing van de erfdienstbaarheid en dat de vorderingen van beide partijen worden afgewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/699476 / HA ZA 25-394
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
[bedrijf X],
statutair gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. A.P. van Oosten te Rotterdam,
tegen

1..[persoon A] ,

2.
[persoon B],
beiden wonend in [woonplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. K.M. Plooij te Rotterdam.
Partijen worden hierna [bedrijf X] , [persoon A] en [persoon B] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[persoon A] en [persoon B] hebben op grond van een erfdienstbaarheid het recht om met voertuigen vanaf hun percelen over het perceel van [bedrijf X] naar de openbare weg te gaan en omgekeerd. [bedrijf X] vordert dat deze erfdienstbaarheid wordt opgeheven. [persoon A] en [persoon B] vorderen dat [bedrijf X] op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld tot nakoming van de erfdienstbaarheid. De rechtbank wijst al deze vorderingen af.
1.2.
[bedrijf X] stelt dat [persoon A] en [persoon B] een deel van een perceel van [bedrijf X] zonder recht gebruiken en stelt vorderingen in om daaraan een einde te maken. Ook deze vorderingen wijst de rechtbank af.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 mei 2025, met 19 producties;
- de conclusie van antwoord, die ook een eis in reconventie bevat, met 15 producties;
- de brieven van 9 juli 2025 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 17 november 2025;
- het e-mailbericht van 2 oktober 2025 van de rechtbank, met een agenda voor de mondelinge behandeling;
- de akte met een rectificatie en een eiswijziging van [persoon A] en [persoon B] ;
- de akte overlegging producties van [persoon A] en [persoon B] , met producties 16 en 17;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overlegging producties, met producties 20 tot en met 22;
- de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling.
2.2.
Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat er een vonnis komt.

3.De feiten

3.1.
[persoon C] is indirect bestuurder van [bedrijf X] en broer van [persoon A] . De broers werkten in het verleden samen in [bedrijf X] , maar op enig moment heeft [persoon A] het bedrijf verlaten.
3.2.
[bedrijf X] is eigenaar van de percelen kadastraal bekend gemeente Brielle, sectie F, nummer [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2] . Perceel [perceelnummer 2] is ontstaan uit perceel [perceelnummer 3] .
3.3.
[persoon A] en [persoon B] wonen naast het bedrijfsterrein van [bedrijf X] en hebben daar ook een bedrijf gevestigd. Zij zijn sinds 2005 eigenaar van het perceel gemeente Brielle, sectie F, nummer [perceelnummer 4] . Sinds 2006 zijn zij eigenaar van het perceel gemeente Brielle, sectie F, nummer [perceelnummer 5] .
3.4.
In 2001, 2002, 2003 of 2004 is een coniferenhaag geplaatst tussen het huidige perceel [perceelnummer 2] en de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] .
3.5.
In een notariële akte van 31 oktober 2016 (hierna ook: de vestigingsakte) is onder meer het volgende vermeld.
“Heden (…) verschenen voor mij (…)
1. de heer
[persoon C], (…) handelende in zijn hoedanigheid van bestuurder van (…), welke vennootschap op haar beurt handelt in haar hoedanigheid van bestuurder van
[bedrijf X] .(…)
hierna te noemen: "partij 1" (…)
2. (…) handelende als schriftelijk gevolmachtigde van:
a. de heer
[persoon A](…)
b. mevrouw
[persoon B],
hierna te noemen: "partij 2";
De comparanten, handelende als gemeld, verklaarden:
A. OMSCHRIJVING REGISTERGOED EN VOORAFGAANDE VERKRIJGING
1. Partij 1 is eigenaar van het volgende registergoed:
twee percelen grond gelegen aan de Prinsenweg te Vierpolders, gemeente Brielle, kadastraal bekend gemeente Brielle, sectie F, nummers [perceelnummer 6] en [perceelnummer 3] , (...)
het perceel [perceelnummer 3] hierna vanaf E te noemen: "
het dienende erf":
(…)
2. Partij 2 is eigenaar van de volgende registergoederen:
a. het woonhuis met erf, tuin en verder toebehoren aan de [adres] te (…) Vierpolders, gemeente Brielle, kadastraal bekend gemeente Brielle, sectie F, nummer [perceelnummer 4] (…),
b. een perceel grond gelegen nabij de [adres] te (…) Vierpolders, gemeente Brielle, kadastraal bekend gemeente Brielle, sectie F, nummer [perceelnummer 5] (…) ,
hierna vanaf E gezamenlijk te noemen: "
het heersende erf".
(…)
B. BESTAANDE ERFDIENSTBAARHEID
Bij akte op zes juni tweeduizend vijf verleden (…) is onder meer een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. (…)
C. OVEREENKOMST
Partijen hebben een overeenkomst gesloten tot het beëindigen van de erfdienstbaarheid en het vestigen van een nieuwe erfdienstbaarheid van weg, omdat van de bestaande weg niet alleen door personenauto's maar ook door vrachtwagens vanaf het perceel kadastraal bekend gemeente Brielle, sectie F, nummer [perceelnummer 4] gebruik wordt gemaakt. Deze overeenkomst wordt hierna genoemd: "de overeenkomst".
De vestiging, inhoud en de wijze van uitoefening van de (nieuwe) erfdienstbaarheid worden bij deze akte geregeld.
D. EINDE ERFDIENSTBAARHEID
Partij 2 doet afstand van de hiervoor vermelde erfdienstbaarheid. Partij 1 neemt deze afstanddoening aan.
E. VESTIGING ERFDIENSTBAARHEID
Ter uitvoering van de overeenkomst vestigt partij 1 ten laste van het dienende erf (het perceel kadastraal bekend gemeente Brielle, sectie F, nummer [perceelnummer 3] ) de hierna te omschrijven erfdienstbaarheid. Partij 2 aanvaardt de vestiging van deze erfdienstbaarheid ten behoeve van het heersende erf (de percelen kadastraal bekend gemeente Brielle, sectie F, nummers [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] ).
De rechtsverhouding tussen de eigenaren van het dienende en het heersende erf wordt hierbij vastgelegd als volgt:
Artikel 1
Omschrijving erfdienstbaarheid
De erfdienstbaarheid van weg om ten behoeve van het op het heersend erf gevestigde bedrijf te komen van en te gaan naar de openbare weg, zulks over de bestaande weg, hierna te noemen: "de weg" , zoals schetsmatig aangegeven op de aan deze akte gehechte tekening gedateerd drie oktober tweeduizend zestien.
Artikel 2
Bepalingen
Met betrekking tot de erfdienstbaarheid gelden de volgende bepalingen.
a. De weg mag zonder schriftelijke toestemming van de eigenaar van het heersende erf en de eigenaar van het dienende erf niet worden verlegd.
b. De weg mag uitsluitend worden gebruikt als:
- voetpad voor mens en dier;
- rijweg voor alle motorische en niet-motorische vervoermiddelen voor bedrijfsdoeleinden.
c. Het is zowel de eigenaar van het heersende erf als die van het dienende erf en alle andere personen die van de weg gebruik maken verboden om vervoermiddelen van welke aard ook of andere zaken op de weg te plaatsen anders dan voor het directe gebruik van de weg als zodanig vereist zal zijn, zodat dit gebruik ongehinderd en onverminderd zal kunnen plaats hebben.
Mitsdien is het de eigenaar van het heersend erf niet toegestaan om op de weg te parkeren, te laden en te lossen en evenmin om goederen op te slaan.
Indien in strijd met deze bepaling mocht zijn gehandeld, zullen beide partijen of hun gemachtigden bevoegd zijn datgene wat zich op de weg bevindt, zonder enige aanmaning te verwijderen en elders te plaatsen.
[er is geen onderdeel d; opmerking rechtbank]
e. Ingeval van bebouwing, verbouwing, splitsing of verandering van aard of bestemming van het heersende erf blijft de erfdienstbaarheid ongewijzigd voortbestaan.
f. De eigenaar van het dienend erf is verplicht de weg voor zijn rekening:
- te onderhouden, waaronder mede begrepen het schoonhouden en het vernieuwen van de weg;
- af te sluiten door middel van een elektrisch bedienbare schuifpoort. Hij is verplicht deze afsluiting behoorlijk te onderhouden. De afsluiting moet steeds door beide partijen kunnen worden geopend en dient na gebruik te worden gesloten.
Artikel 3
Einde
De onderhavige erfdienstbaarheid eindigt niet alleen op grond van in de wet vermelde gevallen, maar ook ingeval van vervreemding van het heersend erf aan anderen dan de huidige eigenaren en één of meer van hun afstammelingen en diens echtgenoten of partners. Onder vervreemding wordt niet begrepen de inbreng in een personenvennootschap of een rechtspersoon, waarvan de huidige eigenaren en/of hun afstammelingen en diens echtgenoten of partners als vennoten respectievelijk aandeelhouders gerechtigd zijn.
(…)”
3.5.1.
De in onderdeel E, artikel 1, van de vestigingsakte bedoelde tekening is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
3.5.2.
De bij akte van 31 oktober 2016 gevestigde erfdienstbaarheid wordt in dit vonnis de erfdienstbaarheid genoemd.
3.6.
[persoon A] en [persoon B] hebben op eigen grond een weg aangelegd van hun percelen naar de openbare weg. In 2020 hebben zij een schutting geplaatst tussen het bedrijfsterrein van [bedrijf X] en hun eigen grond. Zij hebben daarna tot januari 2025 geen gebruik gemaakt van de erfdienstbaarheid. Begin 2025 hebben zij een schuifpoort in de schutting aangebracht en gebruiken zij de erfdienstbaarheid weer.

4.De vorderingen

in conventie

4.1.
[bedrijf X] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van de erfdienstbaarheid
1)
primairde erfdienstbaarheid opheft;
2)
subsidiairde erfdienstbaarheid opheft op voorwaarde dat [bedrijf X] de alternatieve weg geschikt maakt op een door de rechtbank te bepalen wijze en onder door de rechtbank te bepalen voorwaarden;
Ten aanzien van het door [bedrijf X] opgeëiste gedeelte van perceel [perceelnummer 2]
3)
primair[persoon A] en [persoon B] veroordeelt om het door hen gebruikte gedeelte van perceel [perceelnummer 2] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden;
4)
subsidiair[persoon A] en [persoon B] beveelt om het gebruik van het door [bedrijf X] opgeëiste gedeelte van perceel F2575 binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te staken en gestaakt te houden;
5)
zowel primair als subsidiairop straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [persoon A] en [persoon B] niet aan de veroordeling voldoen;
Ten aanzien van de proceskosten
6) [persoon A] en [persoon B] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis aan deze veroordeling wordt voldaan.
4.2.
[bedrijf X] baseert vordering 1 op artikel 5:79 BW, vordering 2 op artikel 5:80 BW, vordering 3 op artikel 5:2 BW en vordering 4 op artikel 6:162 BW.
4.3.
[persoon A] en [persoon B] vinden dat de rechtbank de vorderingen van [bedrijf X] moet afwijzen en [bedrijf X] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als [bedrijf X] deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis betaalt.
in reconventie
4.4.
[persoon A] en [persoon B] vorderen (a) dat de rechtbank [bedrijf X] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt om alle obstakels die zich bevinden op de weg binnen vijf dagen na betekening van het vonnis te verwijderen en de weg vrij van obstakels te houden, (b) op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat [bedrijf X] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 250.000,00.
4.5.
[persoon A] en [persoon B] baseren hun vorderingen op nakoming van de erfdienstbaarheid.
4.6.
[bedrijf X] vindt dat de rechtbank de vorderingen van [persoon A] en [persoon B] moet afwijzen en hen moet veroordelen in de proceskosten.

5.De beoordeling

in conventie
Er is geen grond voor opheffing van de erfdienstbaarheid
5.1.
Op grond van artikel 5:79 BW kan de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid opheffen, indien de uitoefening daarvan onmogelijk is geworden of de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft, en het niet aannemelijk is dat de mogelijkheid van uitoefening of het redelijk belang daarbij zal terugkeren.
5.2.
[bedrijf X] stelt dat [persoon A] en [persoon B] geen redelijk belang meer hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid, omdat zij op eigen terrein een weg hebben aangelegd waarmee zij de openbare weg goed kunnen bereiken, ook met grote voertuigen zoals vrachtwagens. [persoon A] en [persoon B] betwisten dit laatste en zij betwisten ook dat een redelijk belang bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid ontbreekt.
5.3.
Bij de beantwoording van de vraag of [persoon A] en [persoon B] als eigenaars van de heersende erven nog een redelijk belang hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid, moet volgens vaste rechtspraak alleen worden gekeken naar hun eigen belangen bij de uitoefening van dit recht en niet (ook) naar de eventuele belangen van [bedrijf X] bij opheffing van de erfdienstbaarheid (bijvoorbeeld het arrest van 28 maart 2014 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2014:736, overweging 3.5).
5.4.
Het is aan [bedrijf X] om voldoende gemotiveerd te stellen en indien nodig te bewijzen dat [persoon A] en [persoon B] geen redelijk belang (meer) hebben bij het uitoefenen van de erfdienstbaarheid. Daarin is [bedrijf X] niet geslaagd. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
5.5.
De erfdienstbaarheid is op 31 oktober 2016, dat is minder dan tien jaar geleden, weloverwogen gevestigd door de partijen in deze zaak, als onderdeel van afspraken die zij hebben gemaakt om hun geschillen te regelen. Uit de vestigingsakte blijkt dat [persoon A] en [persoon B] deze erfdienstbaarheid onder meer mogen gebruiken voor de uitoefening van hun bedrijf. Dat bedrijf is er nog steeds.
5.6.
Dat [persoon A] en [persoon B] na de vestiging van de erfdienstbaarheid een weg op eigen grond hebben aangelegd, een schutting hebben geplaatst en van 2020 tot januari 2025 geen gebruik hebben gemaakt van de erfdienstbaarheid, is onvoldoende om te concluderen dat zij bij dat gebruik geen redelijk belang meer hebben. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [persoon A] en [persoon B] toegelicht dat zij een eigen weg hebben aangelegd en een schutting hebben geplaatst om contacten en conflicten met [bedrijf X] zoveel mogelijk te vermijden. Sinds enige tijd is hun zoon actiever in het bedrijf en worden er meer activiteiten met grotere voertuigen verricht. Die grote voertuigen kunnen gemakkelijker over het terrein van [bedrijf X] rijden en manoeuvreren dan op de (smallere) weg op eigen terrein. Hiermee hebben [persoon A] en [persoon B] voldoende uitgelegd waarom zij de erfdienstbaarheid willen blijven gebruiken, ook al hebben zij een eigen weg aangelegd en hebben zij de erfdienstbaarheid langere tijd niet gebruikt.
5.7.
Partijen hebben uitvoerig gediscussieerd over de vragen of alle voertuigen ook over de eigen weg van [persoon A] en [persoon B] zouden kunnen komen en gaan, of die weg stevig genoeg is voor zwaar verkeer en hoe die weg in de praktijk wordt gebruikt. Volgens [bedrijf X] zetten [persoon A] en [persoon B] hun eigen weg regelmatig vol met containers en voertuigen en maakt dat het niet redelijk(er) om de erfdienstbaarheid te gebruiken.
5.8.
Ook als ervan wordt uitgegaan dat alle voertuigen die van en naar het bedrijf van [persoon A] en [persoon B] komen en gaan over de weg op hun eigen terrein zouden kunnen rijden – wat voor de rechtbank niet vaststaat – en als bovendien wordt aangenomen dat dit soms niet kan omdat er containers en voertuigen op die weg staan, betekent dit niet dat [persoon A] en [persoon B] geen redelijk belang hebben bij het gebruik van de erfdienstbaarheid. Zij waren niet verplicht om een weg op eigen terrein aan te leggen en nu zij dat wel hebben gedaan, mogen zij die weg in beginsel gebruiken zoals zij dat zelf willen. Niet valt in te zien waarom zij op hun eigen weg geen voertuigen mogen (laten) parkeren of containers mogen (laten) plaatsen zolang zij daarmee geen onrechtmatige hinder veroorzaken. Dat laatste heeft [bedrijf X] niet gesteld. Het was bij de vestiging van de erfdienstbaarheid, gelet op de tekst van onderdeel E, artikel 2, van de vestigingsakte, ook duidelijk dat er voertuigen over het erf van [bedrijf X] zouden mogen rijden in het kader van de bedrijfsuitoefening van [persoon A] en [persoon B] .
5.9.
De conclusie is dat [bedrijf X] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [persoon A] en [persoon B] geen redelijk belang meer hebben bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid, zodat vordering 1 en 2 worden afgewezen. Over vordering 2 wordt nog opgemerkt dat een vordering op grond van artikel 5:80 BW alleen kan worden ingesteld door de eigenaar van het heersende erf. Dat is [bedrijf X] niet.
in reconventie
Er is geen grond voor toewijzing van de vorderingen van [persoon A] en [persoon B]
5.10.
[persoon A] en [persoon B] vorderen nakoming van de erfdienstbaarheid door [bedrijf X] , op straffe van verbeurte van een dwangsom. [persoon A] en [persoon B] vorderen meer specifiek dat [bedrijf X] alle obstakels op de weg verwijdert en verwijderd houdt. [bedrijf X] meent dat toewijzing van deze vordering niet nodig is. Zij betwist dat zij het gebruik van de erfdienstbaarheid belemmert (of heeft belemmerd).
5.11.
De vordering om obstakels te verwijderen en verwijderd te houden, gaat niet verder dan waartoe de erfdienstbaarheid [bedrijf X] al verplicht. In onderdeel E, artikel 2, aanhef en onder c, van de vestigingsakte is immers bepaald dat het verboden is om vervoermiddelen van welke aard ook of andere zaken op de weg te plaatsen anders dan voor het directe gebruik van de weg als zodanig nodig is, zodat dit gebruik ongehinderd en onverminderd kan plaatsvinden.
5.12.
[persoon A] en [persoon B] hebben in beginsel geen belang bij een veroordeling van [bedrijf X] die neerkomt op nakoming van wat al in de vestigingsakte staat. Dat zou anders kunnen zijn als [bedrijf X] de erfdienstbaarheid in de praktijk niet respecteert. Dat hebben [persoon A] en [persoon B] echter niet aannemelijk gemaakt. Zij stellen weliswaar dat [bedrijf X] sinds 2022 allerlei obstakels op de weg plaatst, maar zij hebben zelf een schutting geplaatst tussen het bedrijfsterrein van [bedrijf X] en hun eigen grond en zij hebben de erfdienstbaarheid van 2020 tot januari 2025 niet gebruikt. In die situatie kunnen zij [bedrijf X] redelijkerwijs niet verwijten dat [bedrijf X] in de periode van 2022 tot januari 2025 zaken op de weg heeft geplaatst, nog afgezien van de vraag of [bedrijf X] dat inderdaad heeft gedaan. Wat betreft de periode vanaf januari 2025 hebben [persoon A] en [persoon B] gewezen op één incident, waarvan de toedracht door [bedrijf X] is betwist. Daargelaten wat er toen precies is gebeurd, één mogelijk incident in bijna een jaar tijd is onvoldoende om te concluderen dat [bedrijf X] de erfdienstbaarheid niet nakomt. Er is dan ook geen grond om [bedrijf X] op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot nakoming van een verplichting die al duidelijk volgt uit de vestigingsakte. De vorderingen van [persoon A] en [persoon B] worden daarom afgewezen.
in conventie
De vorderingen over een gedeelte van perceel [perceelnummer 2] zijn niet toewijsbaar
5.13.
[bedrijf X] legt aan vordering 3, 4 en 5 ten grondslag dat de coniferenhaag niet precies op de kadastrale grens is geplaatst. Een deel van haar perceel [perceelnummer 2] ligt (als je vanaf het bedrijfsterrein van [bedrijf X] naar de coniferenhaag kijkt) achter de haag en wordt volgens [bedrijf X] onrechtmatig gebruikt door [persoon A] en [persoon B] .
5.14.
[persoon A] en [persoon B] zijn het met [bedrijf X] eens dat de haag niet precies op de kadastrale grens staat, maar dat werkt twee kanten op. Ook voor hen geldt dat een deel van hun grond achter de haag ligt. Bovendien heeft [bedrijf X] onvoldoende duidelijk gemaakt op welk stuk grond haar vorderingen betrekking hebben. [persoon A] en [persoon B] betwisten dat zij grond van [bedrijf X] in bezit of gebruik hebben genomen. Mocht dat wel worden vastgesteld, dan doen zij een beroep op verjaring.
5.15.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [bedrijf X] ter verduidelijking van de situatie onder meer gewezen op productie 6, een luchtfoto waarop kadastrale grenzen zijn getekend. Een kopie van deze productie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht. Als de kadastrale grenzen juist zijn weergegeven op deze luchtfoto, geldt dat de coniferenhaag niet recht op de kadastrale grens staat en dat de stammen van de coniferen zich voor een deel niet op de kadastrale erfgrens zullen bevinden, maar op perceel [perceelnummer 2] . Dat is echter onvoldoende voor de conclusie dat [persoon A] en [persoon B] een deel van dat perceel in bezit of gebruik hebben genomen, laat staan dat duidelijk is om welk perceelsgedeelte het dan zou gaan. De kadastrale grens loopt volgens productie 6 van [bedrijf X] volledig door de begroeiing van de coniferenhaag. Met andere woorden, de kadastrale grens loopt volgens productie 6 van [bedrijf X] weliswaar niet gelijk met de stammen van de coniferen, maar de kadastrale grens blijft wel door de coniferenhaag (inclusief takken) heenlopen. Uit deze productie volgt dan ook niet dat een deel van de grond die [persoon A] en [persoon B] in gebruik hebben op perceel [perceelnummer 2] ligt. Dat volgt ook niet uit de door [bedrijf X] overgelegde foto’s van het bedrijfsterrein van [persoon A] en [persoon B] , omdat daarop niet te zien is waar de kadastrale grens loopt. [bedrijf X] heeft de situatie ook niet nader verduidelijkt aan de hand van bijvoorbeeld een kadastraal meetrapport. De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat [persoon A] en [persoon B] grond van [bedrijf X] in gebruik hebben genomen, zodat vordering 3, 4 en 5 worden afgewezen. Aan een beoordeling van het partijdebat over verjaring komt de rechtbank dus niet toe.
De beslissingen over de proceskosten
5.16.
Omdat [bedrijf X] in conventie de in het ongelijk gestelde partij is, moet zij in de proceskosten worden veroordeeld. Het bedrag van deze kosten wordt aan de kant van [persoon A] en [persoon B] als volgt vastgesteld:
  • griffierecht € 331,00
  • salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten x tarief € 614,00)
  • nakosten
Totaal € 1.737,00
5.17.
De over deze kosten gevorderde rente wordt toegewezen.
in reconventie
5.18.
Omdat [persoon A] en [persoon B] in reconventie de in het ongelijk gestelde partijen zijn, moeten zij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. Het bedrag van deze kosten wordt aan de kant van [bedrijf X] als volgt vastgesteld:
  • salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten x tarief € 614,00).
  • nakosten
Totaal € 1.406,00
5.19.
[bedrijf X] heeft geen rente over deze kosten gevorderd, evenmin als uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de proceskostenveroordeling.

6.De beslissing

in conventie

6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt [bedrijf X] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [persoon A] en [persoon B] vastgesteld op € 1.737,00. Als [bedrijf X] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,00 extra aan [persoon A] en [persoon B] betalen, plus de kosten van betekening van dit vonnis;
6.3.
veroordeelt [bedrijf X] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.4.
verklaart 6.2 en 6.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen af;
6.6.
veroordeelt [persoon A] en [persoon B] hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [bedrijf X] vastgesteld op € 1.406,00. Als [persoon A] en [persoon B] niet binnen veertien dagen aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij hoofdelijk € 92,00 extra aan [bedrijf X] betalen, plus de kosten van betekening van dit vonnis.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. van der Waal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
3194/1451