3.1.Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (de Ow) is het verboden zonder een omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Op grond van artikel 5.1 van de planregels zijn de voor ‘Waarde – Cultuurhistorie’ aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming van het beschermd stadsgezicht ‘Blijdorp – Bergpolder’.
Op grond van artikel 5.3.1 van de planregels is het voor de “Waarde – Cultuurhistorie” bestemde gronden verboden om zonder vergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen.
Op grond van artikel 5.3.3 van de planregels wordt een vergunning verleend indien door het slopen het aanzien en/of de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht niet of niet in betekende mate wordt geschaad.
Op grond van artikel 5.3.4 van de planregels winnen burgemeester en wethouders advies in van de commissie voor Welstand en Monumenten alvorens er wordt beslist op de aanvraag.
Inwerkingtreding van de omgevingsvergunning
4. De hoofdregel uit artikel 16.79, eerste lid, van de Ow is dat een omgevingsvergunning in werking treedt de dag na bekendmaking (bij de reguliere procedure) en de dag na terinzagelegging (bij de toepassing van afdeling 3.4 van de Awb).
In het tweede lid van artikel 16.79 is een specifieke regeling opgenomen voor onomkeerbare situaties. In dit artikellid wordt bepaald dat in die gevallen het bevoegd gezag moet bepalen dat de omgevingsvergunning in werking treeft met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging, als naar het oordeel van het bevoegd gezag:
-het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die vier weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld, en
-de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen.
5. In de omgevingsvergunning staat dat de vergunning in werking treedt met ingang van de dag na bekendmaking.
In de e-mail van 26 november 2025 heeft het college toegelicht dat in tegenstelling tot wat in de omgevingsvergunning is opgenomen, de vergunning pas in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging, zoals bepaald in artikel 16.79, tweede lid, van de Ow. Volgens het college is vergunninghoudster verplicht te wachten, met de uitvoering van de omgevingsvergunning op grond van artikel 16.79, vierde lid, van de Ow omdat er een voorlopige voorziening is gevraagd.
6. Op 2 december 2025 heeft het college telefonisch meegedeeld dat vergunninghoudster op 1 december 2025 is begonnen met de sloop van het schoolgebouw. Het college stelt zich op het standpunt stelt dat de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 16.79, tweede lid, van de Ow toch niet van toepassing is. Volgens het college is er geen sprake van een onomkeerbare activiteit in de zin van die bepaling. De artikelen 5.3.1 en 5.3.3 van de planregels beschermen het aanzien van het beschermd stadsgezicht en de panden die beeldbepalend/monument zijn of die behoren tot de uitstraling van het monumentale stedenbouwkundig plan van het beschermd stadsgezicht. Het college heeft toegelicht dat het gebouw van het Grafisch Lyceum Rotterdam gebouwd is in 1989. Het ligt weliswaar binnen het beschermd stadsgezicht maar het is geen onderdeel van de monumentale uitstraling van het stedenbouwkundig plan en het betreft daarom ook geen beeldbepalend pand of monument.
7. Het uiteindelijke standpunt van het college is dus dat de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 16.79, tweede lid, van de Ow niet van toepassing is bij deze omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Het is in eerste instantie aan het college om te bepalen of de uitgestelde inwerkingtreding uit artikel 16.79, tweede lid, van de Ow van toepassing is zodat het hiervan melding kan maken in de verleende vergunning. Volgens de tekst van de wet heeft het college daarbij beoordelingsruimte. Tussen partijen is niet in geschil dat de sloop van het gebouw zal leiden tot een wijziging van de bestaande toestand die niet kan worden hersteld. Aan dat criterium is dus voldaan. De omgevingsvergunning voor de sloop is verleend op grond van de regels uit het omgevingsplan die ertoe strekken om de bestaande toestand van het beschermde stadsgezicht te beschermen. Voor zo’n situatie is de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 16.79, tweede (en vierde lid), van de Ow juist bedoeld. Dit voorkomt immers dat rechtsbescherming tegen een omgevingsvergunning illusoir is omdat de bestaande toestand al is gesloopt voordat de voorzieningenrechter zich kan uitlaten over de vraag of het college de omgevingsvergunning voor het slopen in beschermd stadsgezicht mocht verlenen. De redenering van het college om te komen tot de conclusie dat de verleende omgevingsvergunning onmiddellijk inwerking treedt, is dat het te slopen gebouw als zodanig geen bijzondere cultuurhistorische waarde heeft en de sloop geen gevolgen heeft voor het beschermd stadsgezicht. Zo werkt het niet. Een inhoudelijk oordeel over de vraag of een omgevingsvergunning in het licht van het in het omgevingsplan opgenomen beschermingsregime al dan niet kan worden verleend, kan niet worden gekoppeld aan de vraag of de uitgestelde inwerkingtreding van toepassing is. Voor beantwoording van die laatste vraag is slechts van belang of de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen. Dat is in de planregeling voor de bescherming van de waarde van het aangewezen beschermd stadsgezicht, zoals neergelegd in onder meer de artikelen 5.3.1 en 5.3.3 van de planregels, het geval. De voorzieningenrechter vindt dan ook dat het college, ondanks de hem toekomende beoordelingsruimte, in dit geval had behoren te bepalen dat de inwerkingtreding van de verleende omgevingsvergunning met vier weken is uitgesteld.
Wat vindt de voorzieningenrechter van de omgevingsvergunning?
8. Verzoekster betoogt dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend. Daartoe voert ze aan dat de sloopwerkzaamheden en het daarbij behorende bouwverkeer negatieve gevolgen heeft voor de omgeving in de vorm van stofhinder, trillingshinder en verkeershinder. Zij vreest dat tijdens de sloopwerkzaamheden de luchtkwaliteit bij de omliggende woningen ernstig verslechtert. Verzoekster heeft op de zitting het verzoek verder toegelicht en gewezen op de procedure tot herziening van het omgevingsplan en de negatieve ruimtelijke gevolgen van de plannen voor de nieuwbouw op deze locatie.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op goede gronden de omgevingsvergunning voor de sloop van het Grafisch Lyceum Rotterdam heeft kunnen verlenen. Het is duidelijk dat voor de sloop en de nieuwbouw voor verschillende activiteiten vergunningen nodig zijn. Onder de Omgevingswet heeft de wetgever ervoor gekozen dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wel en niet gelijktijdig een aanvraag doet. Het college kan daarom in deze procedure alleen kijken naar deze aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen in beschermd stadsgezicht. Dat is een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit omdat in het omgevingsplan een regeling is neergelegd dat het slopen in het aangewezen beschermd stadsgezicht zonder vergunning is verboden. Zo’n omgevingsvergunning wordt verleend, indien door het slopen het aanzien en/of de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht niet of niet in betekende mate wordt geschaad. Het college hoefde dus alleen te beoordelen wat de gevolgen van de sloop van het gebouw zijn voor de waarde van het beschermd stadsgezicht. Het college heeft daarom terecht geen rekening gehouden met de bezwaren van verzoekster die gaan over de nieuwbouw na sloop op deze locatie en de eventuele omgevingsvergunningen die hiervoor nodig zijn. De procedure van de omgevingsplanherziening is voor de sloop verder ook niet van belang. Gelet op het positieve advies van de Commissie Omgevingskwaliteit en Cultureel Erfgoed volgt de voorzieningenrechter het standpunt van het college dat het aanzien en/of de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht niet wordt geschaad door de sloop van het gebouw. Het gebouw dateert uit 1989 en vertegenwoordigt geen enkele monumentale waarde of waarde voor het beschermd stadsgezicht. Verzoekster heeft dat overigens ook niet betwist. De gronden die verzoekster aanvoert met betrekking tot de hinder en veiligheid tijdens de sloopwerkzaamheden zien op punten waar het college pas naar kijkt bij een zogeheten sloopmelding. Voor zo’n sloopmelding is geen omgevingsvergunning nodig en daartegen kan ook geen bezwaar worden gemaakt. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de zorgen die bij verzoekster leven over de effecten van de sloopwerkzaamheden voor de woonomgeving maar in deze procedure gaat het daar niet over. Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter in wat verzoekster naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor de sloop van het Grafisch Lyceum Rotterdam niet mocht verlenen.