ECLI:NL:RBROT:2025:15307

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
11913916 VV EXPL 25-597
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over loonbetaling en arbeidsomstandigheden tussen verpleegkundige en Erasmus MC na incident

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Rotterdam op 5 december 2025, staat de vraag centraal of de eiseres, een verpleegkundige werkzaam bij Erasmus MC, recht heeft op betaling van achterstallig loon. De eiseres heeft vanaf 1 december 2010 op verschillende basis bij Erasmus MC gewerkt, maar na een incident in juni 2024 heeft zij zich ziekgemeld en niet meer gewerkt. De werkgever heeft haar vervolgens niet meer op de Kliniek Interne Oncologie ingezet, maar aangeboden om haar op de afdeling Ambulante Zorg te laten werken. De eiseres heeft deze diensten echter geweigerd. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever verplicht is het loon te betalen, tenzij het niet verrichten van arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer komt. De rechter concludeert dat de eiseres geen recht heeft op loon over de periode van september 2024 tot 14 april 2025, omdat zij niet heeft gereageerd op de oproepen van de werkgever en het niet werken in redelijkheid voor haar rekening komt. De vorderingen van de eiseres worden afgewezen, en zij wordt veroordeeld in de proceskosten van € 949,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11913916 VV EXPL 25-597
datum uitspraak: 5 december 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
wonende te Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.Y. van Oel, advocaat te Rotterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC),
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. V.G.G. Bergwerf, werkzaam bij gedaagde.
Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘Erasmus MC’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 november 2024 (de kantonrechter gaat er vanuit dat het jaartal 2024 een verschrijving is en er 2025 had moeten staan), met producties;
  • de conclusie van antwoord in kort geding, met producties;
  • de akte wijziging van eis van [eiseres] ;
  • de mail van 17 november 2025 van mr. Van Oel met producties 12 en 13.
1.2.
Op 18 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiseres] , vergezeld van haar moeder, met mr. M.Y. van Oel en aan de andere zijde namens Erasmus MC [naam 1], Sectormanager Kliniek Oncologie & Ambulante Zorg, en [naam 2], HR-adviseur, met mr. V.G.G. Bergwerf.
1.3.
Tijdens de zitting is besproken dat de tenaamstelling van Erasmus MC in de dagvaarding niet correct is opgenomen. Beide partijen hebben de kantonrechter ter zitting verzocht de naam van Erasmus MC te lezen, zoals hiervoor in de kop van het vonnis vermeld.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Tussen partijen gaat het om de vraag of [eiseres] recht heeft op betaling van achterstallig loon vanaf september 2024 en wat de hoogte van dat loon zou moeten zijn.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat [eiseres] geen recht heeft op achterstallig loon. De vorderingen van [eiseres] worden daarom afgewezen. Hierna zal deze beslissing worden toegelicht.
Wat is er gebeurd?
2.2.
[eiseres] heeft vanaf 1 december 2010 op basis van verschillende arbeidsovereenkomsten en met tussenpozen voor Erasmus MC gewerkt. Vanaf 1 februari 2020 werkt [eiseres] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Erasmus MC als verpleegkundige op oproepbasis. [eiseres] is door Erasmus MC steeds opgeroepen om te werken op de Kliniek Interne Oncologie. In de arbeidsovereenkomst is voor zover van belang opgenomen:
“(…)
De werkzaamheden kunnen worden verricht op alle locaties van werkgever. De standplaats kan indien het belang van werkgever dit vraagt, wijzigen.
(…)”
2.3.
Tijdens de avonddienst van 4 juni 2024 hebben collega’s van [eiseres] hun zorgen geuit over het gedrag van [eiseres] bij de leidinggevende. De leidinggevende heeft vervolgens met [eiseres] over deze melding gesproken, hetgeen uiteindelijk tot een incident heeft geleid. [eiseres] is daarna naar huis gegaan. [eiseres] is op 7 juni 2024 nog aanwezig geweest op een collectieve studiedag, maar heeft daarna niet meer gewerkt. Over de maanden juni, juli en augustus 2024 heeft [eiseres] de uren waarvoor zij was ingeroosterd wel betaald gekregen.
2.4.
Tussen partijen is nog gesproken over de situatie, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid. Erasmus MC heeft per brief van 7 oktober 2024 aan [eiseres] bericht dat ze haar niet meer zullen inzetten op de Kliniek Interne Oncologie, maar dat ze haar graag als oproepkracht willen behouden en willen inzetten op de afdeling Ambulante Zorg. Erasmus MC heeft daarom aan [eiseres] verzocht om haar beschikbaarheid tot en met 1 januari 2025 door te geven. Ondanks verschillende herinneringen heeft [eiseres] niet gereageerd. Pas per e-mail van 8 februari 2025 heeft [eiseres] aan Erasmus MC voor zover van belang bericht:

Ondertussen hou ik mij te allen tijde beschikbaar voor de werkzaamheden zoals contractueel is vastgelegd
2.5.
Erasmus MC heeft [eiseres] vervolgens opgeroepen voor 4 dagdiensten in februari 2025 op de afdeling Ambulante Zorg. Omdat [eiseres] niet reageerde heeft Erasmus MC [eiseres] gebeld. In dat telefoongesprek heeft [eiseres] laten weten de diensten niet te willen uitvoeren.
2.6.
[eiseres] heeft zich op 14 april 2025 ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft [eiseres] onderzocht. In de probleemanalyse van 19 juni 2025 is onder meer opgenomen dat er sprake is van een stapeling van diverse medische aandoeningen als onderliggende oorzaak voor het verzuim. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat [eiseres] door de medische aandoeningen nog niet in staat is tot structurele werkhervatting. De bedrijfsarts wijst er voorts op dat er ook sprake is van een belemmering van verdere re-integratie door het arbeidsconflict en adviseert om een oplossingsgericht gesprek aan te gaan met ondersteuning van een onafhankelijke derde, bij voorkeur met de deskundigheid van een mediator, waarbij gezocht moet worden naar een duurzame oplossing voor de belemmerende werk gebonden knelpunten. Erasmus MC heeft het advies ter harte genomen en een mediator benaderd. [eiseres] heeft afwijzend gereageerd op de uitnodiging voor een gesprek met een mediator.
2.7.
Erasmus MC heeft vanaf 14 april 2025 de loonbetaling, zoals deze op grond van de cao tijdens ziekte geldt, hervat. Dit is het loon dat [eiseres] gemiddeld over de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de ziekmelding heeft ontvangen.
Wat wil [eiseres] ?
2.8.
Na wijziging van eis, vordert [eiseres] , samengevat, betaling van het achterstallige salaris over de periode september 2024 tot en met mei 2025 van € 40.740,12 bruto, betaling van het achterstallige salaris over de periode juni 2025 tot en met november 2025 van € 17.470,91 bruto, de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente over deze bedragen, een bedrag van € 1.182,40 aan buitengerechtelijke kosten en om Erasmus MC te veroordelen in de proceskosten.
2.9.
[eiseres] is van mening dat Erasmus MC ten onrechte heeft besloten om haar niet meer op de Kliniek Interne Oncologie in te zetten. [eiseres] maakt daarom vanaf september 2024 aanspraak op betaling van loon. [eiseres] beroept zich voor de berekening van dat loon op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW en komt uit op een gemiddeld loon van € 4.526,68 bruto per maand. Dit gemiddelde loon dient Erasmus MC ook tijdens de periode dat [eiseres] ziek is te betalen. Volgens [eiseres] is de berekening van Erasmus MC voor het loon tijdens ziekte onjuist, omdat bij die berekening ook de maanden zijn betrokken waarin [eiseres] ten onechte geen loon heeft ontvangen. Erasmus MC is het met de vordering van [eiseres] niet eens en voor zover nodig zal het verweer van Erasmus MC hierna verder worden besproken en beoordeeld.
Toetsingskader in kort geding
2.10.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vordering in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de vordering worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor Erasmus MC als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
2.11.
De spoedeisendheid volgt uit de aard van de vordering. De kantonrechter is echter van oordeel dat het onvoldoende aannemelijk is dat de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.12.
Voorop gesteld wordt dat de werkgever verplicht is het naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van die arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen (artikel 7:628 lid 1 BW). De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is of het niet verrichten van de overeengekomen arbeid na het incident in juni 2025 al dan niet in redelijkheid voor rekening van [eiseres] behoort te komen.
2.13.
De kantonrechter volgt [eiseres] niet in haar stelling dat zij uitsluitend werkzaamheden hoefde te verrichten op de Kliniek Interne Oncologie. Dat volgt niet uit de arbeidsovereenkomst die partijen hebben gesloten en kan ook niet worden afgeleid uit het WhatsApp bericht dat [eiseres] tijdens de zitting heeft getoond. De mededeling
“Je bent geen flexwerker meer, maar voor onbepaalde tijd in dienst bij ons op basis van een 0-uren contract”is onvoldoende concreet om daaruit af te leiden dat tussen partijen geldt dat [eiseres] uitsluitend hoefde te werken op de afdeling Kliniek Interne Oncologie. Ook het feit dat [eiseres] altijd is ingezet op die werkplek maakt dat niet anders.
2.14.
Uitgangspunt bij de beoordeling is de arbeidsovereenkomst die partijen hebben gesloten. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [eiseres] is aangenomen als verpleegkundige en dat de werkzaamheden op alle locaties van werkgever kunnen worden verricht. Dit geeft Erasmus MC de mogelijkheid om [eiseres] op verschillende locaties in te zetten. De stelling van [eiseres] dat dit alleen kan indien Erasmus MC daar een ‘zwaarwegend belang’ bij heeft, gaat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet op. Voor een wijziging van de ‘standplaats’ is opgenomen dat Erasmus MC daar een ‘belang’ bij heeft. Voor zover in de arbeidsovereenkomst met ‘locatie’ en ‘standplaats’ hetzelfde wordt bedoeld is de kantonrechter voorshands van oordeel dat Erasmus MC in verband met het incident op 4 juni 2024 voldoende belang had om [eiseres] op een andere afdeling in te zetten. Op basis van de verklaringen van partijen tijdens de zitting over hetgeen tijdens de avonddienst van 4 juni 2024 is voorgevallen, acht de kantonrechter het begrijpelijk dat dit voor Erasmus MC aanleiding is geweest om na te denken over de verdere inzet van [eiseres] op de Kliniek Interne Oncologie en na de gesprekken daarover met [eiseres] vervolgens de keuze heeft gemaakt om haar op een andere afdeling in te zetten.
2.15.
Omdat Erasmus MC op grond van de arbeidsovereenkomst bevoegd is om [eiseres] op andere locaties in te zetten, heeft Erasmus MC kunnen besluiten [eiseres] diensten aan te bieden op de afdeling Ambulante Zorg. [eiseres] heeft daarom ten onrechte geweigerd de diensten te aanvaarden. Het niet werken komt daarom in redelijkheid voor rekening van [eiseres] . Dit heeft tot gevolg dat [eiseres] over de periode september 2024 tot 14 april 2025 geen recht heeft op loonbetaling.
2.16.
Omdat [eiseres] over deze periode geen recht had op loon, kan het beroep van [eiseres] op artikel 7:610b BW buiten beschouwing blijven en is een berekening van de arbeidsomvang niet nodig. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat artikel 7:628a lid 5 BW geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de werknemer om een beroep op artikel 7:610b BW te doen (Kamerstukken II 2018/19, 35074, nr. 3, p. 132; Kamerstukken II 2018/19, nr. 9, p. 29-30). Dit kan zowel voorafgaand als na het moment waarop de werkgever een aanbod voor een vaste arbeidsomvang moet doen.
2.17.
De berekening van het loon tijdens ziekte heeft Erasmus MC conform de cao die op de arbeidsovereenkomst van toepassing is uitgevoerd. Dit loon pakt voor [eiseres] lager uit omdat in de periode waarover dit loon moet worden berekend, er ook maanden zijn waarin [eiseres] geen recht had op loon, daardoor is de aanspraak op loonbetaling tijdens ziekte relatief laag. Er zijn de kantonrechter geen omstandigheden gebleken waaruit volgt dat de berekening van Erasmus MC niet correct is.
Slotsom
2.18.
De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen omdat zij over de periode vanaf september 2024 tot 14 april 2025 geen recht heeft op loon en het loon tijdens ziekte waarop [eiseres] vanaf 14 april 2025 recht heeft daardoor gelijk blijft aan het loon dat Erasmus MC al heeft berekend. Aan de beoordeling van de vorderingen tot betaling van wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten komt de kantonrechter niet toe omdat geen recht bestaat op doorbetaling van het salaris.
Proceskosten
2.19.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan Erasmus MC moet betalen op € 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 949,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.20.
Dit vonnis wordt ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat partijen dit hebben gevorderd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van Erasmus MC worden begroot op € 949,-;
3.3.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en door mr. M.C.van der Kolk in het openbaar uitgesproken.
754