ECLI:NL:RBROT:2025:15308

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
11901700 VV EXPL 25-582
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming van woning wegens illegale prostitutie en ontbinding huurovereenkomst

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen Stichting Woonbron en een huurder, aangeduid als [gedaagde]. Woonbron heeft de huurovereenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk ontbonden vanwege illegale prostitutie die in de huurwoning plaatsvond. De burgemeester had de woning gesloten na meldingen van de politie over de aanwezigheid van drugs en prostitutie. Woonbron vorderde ontruiming van de woning, waarbij de kantonrechter oordeelde dat het zeer aannemelijk is dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst door Woonbron terecht zou zijn. De kantonrechter wees de vordering van Woonbron toe, waarbij [gedaagde] werd veroordeeld om de woning binnen vijf dagen te ontruimen en een gebruiksvergoeding van € 655,37 per maand te betalen tot de ontruiming. Tevens werd [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten van Woonbron, die in totaal € 1.229,45 bedroegen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat het onmiddellijk kan worden uitgevoerd, ook als [gedaagde] in hoger beroep gaat.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11901700 VV EXPL 25-582
datum uitspraak: 9 december 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonbron,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.J. Glen-Boedhram,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Hoogvliet Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.W. Fakiri.
De partijen worden hierna ‘Woonbron’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 12 november 2025, met producties;
  • de brief van 21 november 2025 van mr. Glen-Boedhram met aanvullende producties;
  • de mail van 24 november 2025 van mr. Fakiri, met producties;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigden.
1.2.
Op 25 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: namens Woonbron [naam 1] , sociaal beheerder, en [naam 2] , sociaal beheerder met mr. Q.F.B.W. Kendall, kantoorgenoot van mr. Glen-Boedhram en aan de andere zijde [gedaagde] met mr. Fakiri.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 14 november 2022 van Woonbron de woning aan het [adres] (hierna: de woning). Bij een onderzoek door de politie heeft de politie geconstateerd dat er sprake is van illegale prostitutie in de woning. Op grond daarvan heeft de burgemeester de woning voor één maand gesloten. Woonbron heeft vervolgens de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. In deze procedure eist Woonbron daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Volgens [gedaagde] heeft Woonbron geen spoedeisend belang. Indien Woonbron wel een spoedeisend belang heeft, is [gedaagde] van mening dat Woonbron de huurovereenkomst niet buitengerechtelijk mocht ontbinden, dat er geen tekortkomingen zijn die een ontbinding rechtvaardigen en voorts dat er omstandigheden zijn die een ontruiming in kort geding niet rechtvaardigen.
2.3.
De kantonrechter wijst de eis van Woonbron toe omdat de kantonrechter voorshands van oordeel is dat Woonbron de huurovereenkomst buitengerechtelijke heeft mogen ontbinden. Hierna zal deze beslissing worden toegelicht.
Wat is er gebeurd?
2.4.
Naar aanleiding van twee meldingen bij Meld Misdaad Anoniem is de politie op 7 mei 2024 bij de woning langs gegaan voor een onderzoek. [gedaagde] heeft de politie toegang tot de woning verleend. In de gang zag de politie drie lege lachgasflessen en in de woonkamer tweeëntwintig. De politie heeft vervolgens na toestemming van [gedaagde] de woning verder op grond van de Opiumwet onderzocht. Bij dat onderzoek is op diverse plekken in de woning (woonkamer, keuken en slaapkamer) een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen, zoals cocaïne, MDMA, ketamine en 3-MMC. Ook werd contant geld in de woning aangetroffen. De burgemeester heeft naar aanleiding hiervan de woning voor drie maanden gesloten. Woonbron is vervolgens een procedure gestart tegen [gedaagde] tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Tussen Woonbron en [gedaagde] is vervolgens afgesproken dat [gedaagde] de huurovereenkomst mag voortzetten onder voorwaarden. De afspraken zijn op 19 juni 2025 vastgelegd in een ‘overeenkomst gedragsaanwijzing’. Daarin is onder meer opgenomen dat [gedaagde] zich zal onthouden van alle gedragingen die op enigerlei wijze overlast of hinder aan medebewoners kunnen veroorzaken, dat [gedaagde] zich weer zal aanmelden voor woonbegeleiding, dat [gedaagde] uitdrukkelijk aanvaardt dat dit gaat om een laatste kans en dat zijn tekortschieten in een van de gedragsaanwijzingen of enige andere verplichting uit de huurovereenkomst of de wet leidt tot ontruiming van de woning en ontbinding van de huurovereenkomst.
2.5.
Op 7 september 2025 is door de politie een bestuurlijke rapportage opgemaakt over de woning. Uit dit rapport kan worden afgeleid dat naar aanleiding van een melding op 14 augustus 2025 de politie naar de woning is gegaan. De politie heeft bij de achterdeur van de woning, via een tolk, met meldster gesproken. In het rapport van de politie is opgenomen dat meldster heeft verklaard dat ze sinds 12 augustus 2025 in de woning was, dat zij naar de woning was gekomen om vanuit daar te gaan werken als prostituee, dat zij naakt in de woning had rondgelopen, dat zij van haar contactpersoon de woning moest verlaten en dat zij nu bang was om te vertrekken. In het bijzijn van de politie heeft zij haar spullen uit de woning gehaald en is vertrokken.
2.6.
Voorts volgt uit de bestuurlijke rapportage dat de politie op 2 september 2025, naar aanleiding van een melding dat er mogelijk illegale prostitutie in de woning zou plaatsvinden, wederom naar de woning is gegaan. Omdat de voordeur niet werd geopend heeft de politie met [gedaagde] gebeld. Omdat de voortuin werd geblokkeerd door vuilcontainers is de politie in afwachting van [gedaagde] naar de achtertuin gegaan. [gedaagde] heeft de politie via de achterdeur toegang tot de woning verleend en verteld dat hij die dag van vakantie terug was gekomen. De politie heeft de woning bekeken. In de slaapkamer beneden werd een groot tweepersoonsbed aangetroffen met een zwart hoofdboord, nachtkastjes en aan het voeteneind een grote ladekast met zes lades. De lades waren allemaal leeg. Op de eerste verdieping stond op de voorzolder een wasmachine en een droger. Verder stond er een kledingkast die geopend was met vrouwenkleding erin. In de slaapkamer op de eerste verdieping stond een tweepersoonsbed en een vakkenkast. In de vakkenkast lagen diverse etensresten. De politie merkt in het rapport op dat de woning een rommelige indruk maakt, op de salontafel diverse etensresten lagen, dat op de eettafel diverse spullen lagen, waaronder etensresten, maandverband, potjes met multivitaminen en libido verhogende pillen en in de gehele woning geen mannen kleding werd aangetroffen of spullen die er op duiden dat [gedaagde] de woning gebruikt als zijn woning. Na het verlaten van de woning zag de politie dat de vuilcontainers aan de voorzijde van de woning waren verplaatst. Verderop in de straat zag de politie een vrouw lopen. De vrouw wekte de indruk dat zij verdwaald was en was druk aan het bellen. De politie heeft haar aangesproken. De vrouw sprak Spaans en via een tolk is met haar gesproken. In het rapport van de politie is opgenomen dat de vrouw onder meer heeft verklaard dat zij het adres van de woning had gekregen omdat zij daar als prostituee werkzaam kon zijn, dat een man, die zij herkende als [gedaagde] , haar toegang tot de woning had gegeven en dat zij een profiel had op [website]. Ook is in het rapport opgenomen dat de vrouw in haar WhatsApp contacten afspraken had gemaakt met diverse mannen om seks te hebben in de woning.
2.7.
De burgemeester heeft naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage van de politie de woning met ingang van 7 september 2025 voor de duur van één maand gesloten. Woonbron heeft vervolgens de huurovereenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk ontbonden en hem verzocht de woning te verlaten. [gedaagde] heeft tegen het besluit van de burgemeester bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd. Bij beschikking van 6 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van [gedaagde] , om de woning weer te openen tot op het bezwaar is beslist, afgewezen.
Woonbron heeft een spoedeisend belang
2.8.
Woonbron heeft een spoedeisend belang bij haar vordering. Woonbron stelt dat zij de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden, als zij wordt gevolgd in haar stelling, dan houdt [gedaagde] de woning onder zich zonder dat hij daar recht op heeft. Hij zou dan inbreuk maken op het eigendomsrecht van Woonbron. Woonbron heeft er in dat geval belang bij dat deze situatie zo snel mogelijk wordt beëindigd en dat zij de woning kan verhuren aan een ander. De bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding is ook juist bedoeld om zo spoedig mogelijk (en niet pas na een bodemprocedure) tot ontbinding van de huurovereenkomst over te gaan. Daarnaast heeft Woonbron er belang bij te voorkomen dat het woon- en leefklimaat van de omwonende en haar huurders opnieuw wordt aangetast. Na de eerste sluiting van de woning wegens de vondst van een handelshoeveelheid drugs, wordt niet lang daarna vervolgens melding gemaakt van het vermoeden van illegale prostitutie vanuit de woning. Ook daarvoor is de woning gesloten. Dat een en ander tot onrust in de buurt heeft geleid blijkt uit de recente meldingen van omwonenden bij Woonbron. Zo heeft een omwonende aangegeven dat hij bang is dat [gedaagde] weer terugkomt omdat er een enorme aanloop naar de woning is voor van alles en dat niemand durft te klagen of te melden uit angst. In een andere anonieme verklaring van een omwonende wordt aangegeven dat in de woning rare praktijken plaatsvinden, dat er regelmatig allerlei types langskomen om iets te halen, dit vaak in de avond gebeurt, dat allerlei auto’s in de avond komen en de inzittenden na enige tijd uitstappen en al kijkend op hun mobiel gaan zoeken, soms de verkeerde tuin in lopen en dat dit onprettig is. Gelet hierop heeft Woonbron ook belang bij een spoedige beslissing.
Het uitgangspunt: ontruiming is heel ingrijpend
2.7.
De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat de ontruiming van een woning een heel ingrijpende maatregel is, die ook moeilijk ongedaan gemaakt kan worden. In dit kort geding kan de vordering van Woonbron daarom alleen worden toegewezen als het zeer aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen (1) dat de huurovereenkomst door Woonbron terecht buitengerechtelijk is ontbonden of (2) dat de rechter deze alsnog zal ontbinden.
Toetsingskader buitengerechtelijke ontbinding
2.9.
Artikel 7:231 lid 2 BW geeft de verhuurder de bevoegdheid om de huurovereenkomst te ontbinden met een schriftelijke verklaring, zonder rechterlijke tussenkomst, wanneer door gedrag in het gehuurde de openbare orde is verstoord en de burgemeester daarom het gehuurde op grond van artikel 174a van de Gemeentewet heeft gesloten. Voor deze buitengerechtelijke ontbinding is het niet nodig dat de huurder een tekortkoming kan worden verweten. Voldoende is dat de openbare orde is verstoord en de burgemeester de woning daarom heeft gesloten om herhaling te voorkomen.
2.10.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat het besluit van de burgemeester niet is gegrond op artikel 174a van de Gemeentewet. In het besluit wordt weliswaar aangegeven dat deze is gegrond op artikel 3:9a lid 1 APV en de rapportage van de politie van 7 september 2025, maar uit de overwegingen volgt duidelijk dat de sluiting ook is gegrond op de ernstige verstoring van de openbare orde. In het besluit is overwogen:
“(…)
Door het bedrijfsmatig aanbieden van seksuele handelingen in het pand wordt het woon- en leefklimaat van de omwonenden in ernstige mate aangetast. De aanwezigheid van een illegale seksinrichting heeft een aanzuigende werking op het ontstaan van illegale praktijken in de omgeving, versterkt het onveiligheidsgevoel in de omgeving en veroorzaakt maatschappelijke onrust. Er is sprake van een illegale en zeer onwenselijke en onveilige situatie, die noodzaakt tot onmiddellijk ingrijpen om de openbare orde te herstellen en herhaling te voorkomen.
Conclusie en besluit
(…)
Het doel van de sluiting is het herstel van de openbare orde en een verdere verstoring van de openbare orde te voorkomen, een signaal af te geven dat het geconstateerde feit onacceptabel is, de overloop van de vergunde naar de onvergunde prostitutie een halt toe te roepen en de bekendheid van de locatie als een locatie waar seksuele diensten worden aangeboden ongedaan te maken. (…).”
2.11.
De vergelijking met de zaak waarin het gerechtshof Den Haag op 25 februari 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:200) arrest heeft gewezen gaat daarom niet op.
2.12.
Omdat het besluit aldus een bevel zoals bedoeld in artikel 174a van de Gemeentewet is, mocht Woonbron de huurovereenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk ontbinden, zoals zij bij brief van 9 september 2025 heeft gedaan.
Dit betekent echter niet automatisch dat de gevorderde ontruiming op deze grond moet worden toegewezen. Ontbinding van een huurovereenkomst en ontruiming van een woning vormen immers een inmenging in het door artikel 8 EVRM beschermde recht op respect voor de woning van een bewoner. Een ieder die het risico loopt van een inbreuk op zijn recht op respect voor zijn woning moet de mogelijkheid hebben de proportionaliteit van de maatregel te laten beoordelen door een onafhankelijke rechterlijke instantie. De kantonrechter dient in deze zaak daarom te toetsen of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar was dat Woonbron gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot ontbinding (artikel 6:248 lid 2 BW). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en dient er een belangenafweging plaats te vinden. De stel- en bewijslast van de relevante omstandigheden rusten op [gedaagde] .
Omstandigheden in deze zaak
2.13.
[gedaagde] heeft, verkort weergegeven, aangevoerd dat Woonbron met de bestuurlijke rapportage van de politie niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bedrijfsmatige prostitutie heeft plaatsgevonden vanuit de woning. Volgens [gedaagde] zijn er op 14 augustus 2025 geen fysieke bewijzen voor een seksinrichting in de woning aangetroffen en kan dat ook niet uit de constateringen van 2 september 2025 worden afgeleid. Uit de rapportage kan volgens [gedaagde] ook niet worden afgeleid dat hij enige seksinrichting heeft gefaciliteerd, georganiseerd of daarvan heeft geprofiteerd. Voorts wijst [gedaagde] er op dat de anonieme verklaringen van de buren vaag zijn en geen concrete feiten bevatten. Tot slot doet [gedaagde] een beroep op artikel 3 IVRK en heeft in dat kader aangevoerd dat hij een minderjarige zoon heeft die hij een aantal dagen per week tijdens de omgangmomenten thuis ontvangt. Indien [gedaagde] de woning moet ontruimen, kunnen de omgangsmomenten niet meer in de woning plaatsvinden en raakt het kind zijn veilige haven bij [gedaagde] kwijt.
2.14.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is op basis van de bestuurlijke rapportage van de politie voldoende aannemelijk dat de woning is gebruikt voor bedrijfsmatige prostitutie. Op 14 augustus 2025 is na een melding bij de 112 centrale, de politie naar de woning gegaan. De vrouw (in het rapport aangeduid als meldster) die de politie op 14 augustus 2025 bij de achterdeur van de woning heeft gesproken heeft tegenover de politie verklaard:
“(…) Meldster had vervolgens bij vrouw 1 aangegeven dat ze als prostituee wilde werken, vrouw 1 wist daar wel een persoon voor in Nederland. Vrouw 1 gaf hierop aan meldster een naam en telefoonnummer van een man, hierna verder genoemd man 1, in Nederland.
Meldster had hierop man 1 gebeld wat ertoe leidde dat zij vanaf dinsdag 12 augustus 2025 in de woning aan het [adres] verbleef. Meldster verklaarde dat ze naar de woning aan het [adres] was gegaan met het idee om vanuit daar te gaan werken als prostituee. (…)”
2.14.1.
Deze verklaring wijst er op dat de vrouw naar de woning is gekomen om vanuit de woning als prostituee werkzaam te zijn. Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de vrouw zoals deze door de politie is opgenomen. De verklaring van [gedaagde] dat de vrouw een vriendin van een vriendin is die kwam helpen om het huis schoon te maken nadat bij hem en zijn partner op 7 augustus 2025 schurft is geconstateerd en deze vrouw na een nacht logeren het huis niet meer wilde verlaten is onvoldoende onderbouwd. Weliswaar blijkt uit het huisartsenjournaal dat op 7 augustus 2025 bij [gedaagde] en zijn partner schurft is geconstateerd, maar een verklaring van de vriendin dat zij samen met de vrouw het huis is komen schoonmaken ontbreekt. Dat [gedaagde] , zoals hij heeft aangevoerd die dag zelf met de politie heeft gebeld, omdat de vrouw de woning niet wilde verlaten, kan waar zijn, maar doet niet af aan de verklaring van de vrouw. Van het telefoongesprek van [gedaagde] is geen (politie)registratie overgelegd, zodat niet kan worden vastgesteld waarover [gedaagde] heeft gebeld. De politie die naar de woning is gekomen heeft uitsluitend gesproken met de vrouw en niet met [gedaagde] , terwijl als [gedaagde] op dat moment in de woning aanwezig was geweest de politie ook met hem zou hebben gesproken. Dat [gedaagde] contact heeft gehad met een schoonmaakbedrijf om de woning te reinigen, doet aan het vorenstaande niet af.
2.14.2.
De politie is vervolgens op 2 september 2025 naar de woning gegaan nadat er een melding was gekomen over mogelijk illegale prostitutie. Over de melding is opgenomen:

Melder had eerder op de ochtend een Zuid Amerikaanse vrouw de woning binnen zien gaan en tevens zouden er al een tijdje, volgens de melder, vreemde mannen in grote auto’s aankomen rijden in de richting van de woning aan het [adres] . Deze mannen zouden de woning aan het [adres] in gaan en deze na een korte tijd weer verlaten. Melder vond dit alles bij elkaar een verdachte situatie.”
Na de woning te hebben bezocht heeft de politie vervolgens buiten een vrouw aangesproken. De vrouw (in het rapport aangeduid als vrouw 2) heeft tegenover de politie het volgende verklaard:
“(…) Ze verklaarde dat ze contact had gehad met een vrouw, hierna genoemd vrouw 3.
Vrouw 3 had vrouw 2 het adres aan het [adres] gegeven. Aldaar kon vrouw 2 haar werkzaamheden als prostituee uitvoeren.
Toen vrouw 2 bij de woning aan het [adres] kwam, werd de voordeur van de woning geopend door een man welke zij herkende als zijnde [gedaagde] .
Vrouw 2 had zelf via allerlei Whatsapp contacten afspraken gemaakt met diverse mannen om seks te hebben in de woning aan het [adres] . (…)”
2.14.3.
Uit deze verklaring in combinatie met de melding en de wijze waarop de woning werd aangetroffen kan worden afgeleid dat de vrouw in de woning als prostituee werkzaam was. De vrouw heeft ook haar mobiele telefoon laten zien, waarop de politie diverse Whatsapp gesprekken heeft gezien. Eén daarvan had plaatsgevonden op dinsdag 2 september 2025. In dat Whatsapp gesprek meldt de vrouw haar tarieven en noemt ze ook het adres [adres] . Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de vrouw en de melding zoals opgenomen in de bestuurlijke rapportage van de politie. Dat de vrouw het adres van de woning alleen zou gebruiken als ontmoetingsplek en buiten in een auto zou wachten op haar klanten is gelet op de melding niet geloofwaardig. Dat de partner van [gedaagde] in de ochtend van 2 september 2025 in de woning is geweest, doet niet af aan de mogelijkheid dat de vrouw een van haar klanten in de woning heeft ontvangen. De verklaring van [gedaagde] waarom van hem geen kleding of persoonlijke spullen in de woning werd gevonden, omdat hij zijn kleding op advies van de huisarts in verband met de geconstateerde schurft heeft gewassen en in vuilniszakken had gestopt en uit de woning had gevoerd, is evenmin overtuigend. Ten eerste niet omdat ook bij de partner van [gedaagde] schurft is geconstateerd, terwijl van haar nog wel kleding in de woning werd aangetroffen. Althans volgens [gedaagde] was de vrouwenkleding die nog wel in de woning werd aangetroffen van zijn partner. Het zou logisch zijn als ook de kleding van zijn partner dan niet meer in de woning zou zijn. Daarbij komt dat de schurft al op 7 augustus 2025 is geconstateerd en volgens de verklaring van [gedaagde] de week erna de woning is schoongemaakt. Dan is het niet aannemelijk dat op 2 september 2025 nog steeds geen kleding en/of persoonlijke spullen van [gedaagde] in de woning werden aangetroffen.
2.15.
Voor zover juist is dat [gedaagde] geen seksinrichting heeft gefaciliteerd, georganiseerd of daarvan heeft geprofiteerd, doet dat niet af aan de bevoegdheid van Woonbron om gebruik te maken van haar ontbindingsbevoegdheid. Feit is dat twee dames toegang tot de woning hebben gekregen die beiden de intentie hadden om als prostituee aan de slag te gaan en een van hen daar ook uitvoering aan heeft gegeven, hetgeen tot een verstoring van de openbare orde heeft geleid. Van [gedaagde] als huurder had verwacht mogen worden dat hij voldoende toezicht op zijn woning zou houden en/of maatregelen zou treffen om de geconstateerde situatie te voorkomen.
2.16.
De anonieme verklaringen van omwonenden zijn volgens [gedaagde] vaag en niet concreet. Uit de verklaringen kan echter wel worden afgeleid dat er sprake is van onrust en angst in de buurt en dat dit verband houdt met wat zich in en om de woning afspeelt. Dit zijn omstandigheden waar Woonbron mee aan de slag moet.
2.17.
Daarbij komt dat Woonbron niet hoeft te dulden dat haar woning wordt gebruikt voor prostitutie. Dat prostitutie in de woning heeft plaatsgevonden, is voldoende aannemelijk op basis van de bestuurlijke rapportage. Het is een feit van algemene bekendheid dat de leefbaarheid in en om de woning in het geding is, wanneer de burgemeester overgaat tot sluiting van een woning in verband met het exploiteren van een illegale seksinrichting. Woonbron is gehouden om te voorkomen dat aan de leefbaarheid in de buurt afbreuk wordt gedaan door één van haar huurders, in het bijzonder door
– zo nodig – de huurrelatie met de bewoner van een op last van de burgemeester gesloten pand zo spoedig mogelijk te beëindigen.
2.18.
In beginsel heeft iedere huurder belang bij behoud van zijn woning, hoe groot dat belang in het algemeen ook zal zijn, in het kader van de onderhavige belangenafweging zullen meer specifieke feiten en omstandigheden moeten worden gesteld die verder reiken dan het algemene huurdersbelang. In dit verband heeft [gedaagde] er op gewezen dat hij een minderjarige zoon van acht jaar heeft die hij een aantal dagen per week thuis ontvangt tijdens de omgangsmomenten, dit legt echter onvoldoende gewicht in de schaal. De kantonrechter is zich ervan bewust dat het voor [gedaagde] en zijn zoon van groot belang is dat zij elkaar kunnen blijven zien tijdens de omgangsmomenten. De kantonrechter heeft echter niet de indruk dat de omgangsmomenten afhankelijk zijn van het behoud van de woning. Uit de omschrijving van de woning in de bestuurlijke rapportage (zie 2.6) kan niet worden afgeleid dat er een kind van acht jaar in de woning verblijft. Zo blijkt niet dat een van de twee slaapkamers is ingericht als kinderkamer en wordt ook niets vermeld over speelgoed of kinderkleding in de woning. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] geen verdere concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit de noodzaak tot behoud van de woning in verband met de omgangsregeling kan worden afgeleid. Ook merkt de kantonrechter op dat [gedaagde] alleen de laatste anderhalve pagina van een beschikking in het geding heeft gebracht waarin een omgangsregeling is opgenomen. Hierdoor is niet duidelijk tussen welke partijen de betreffende omgangsregeling is gewezen.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.19.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat het zeer aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat Woonbron de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk heeft ontbonden. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld om de woning te verlaten en te ontruimen. Dat moet binnen 5 dagen nadat dit vonnis is betekend. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 655,37 per maand betalen (artikel 7:225 BW).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.20.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonbron moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 135,- aan griffierecht, € 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.229,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.21.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonbron dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de woning aan het [adres] met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden te ontruimen en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonbron te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om een vergoeding van € 655,37 per maand te betalen tot de datum van ontruiming;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonbron worden begroot op € 1.229,45 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
754