Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:15314

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/10/673148 / FA RK 24-875
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag wegens ontbreken erkenningsakte

De man heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om gezamenlijk gezag te verkrijgen over de minderjarige. In een eerdere beschikking van 1 oktober 2025 werd hem vervangende toestemming verleend om de minderjarige te erkennen, maar de formele beslissing over het gezag werd aangehouden totdat hij een akte van erkenning zou overleggen.

De rechtbank stelde een termijn van een maand voor het overleggen van deze akte en gaf de vrouw de mogelijkheid om hier schriftelijk op te reageren. De man heeft echter niet binnen deze termijn de akte ingediend, noch om uitstel gevraagd of omstandigheden gesteld die een verlenging rechtvaardigen.

De rechtbank concludeert daarom dat niet kan worden vastgesteld dat de man de juridisch ouder is van de minderjarige en wijst het verzoek om gezamenlijk gezag af. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: Verzoek om gezamenlijk gezag wordt afgewezen wegens ontbreken van erkenningsakte.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/673148 / FA RK 24-875
Beschikking van 22 december 2025 over het ouderlijk gezag
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M. Ahmadi te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R.F.H. Tamboenan te Barendrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van 1 oktober 2025;
  • het bericht van de vrouw van 23 november 2025.

2.De beoordeling

2.1.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 1 oktober 2025 de man vervangende toestemming verleend om de minderjarige te erkennen. Daarbij is de formele beslissing over het verzoek van de man hem mede met het gezag te belasten (nogmaals) aangehouden in afwachting van de akte van erkenning. De rechtbank heeft de man opgedragen deze akte binnen een maand over te leggen en de vrouw in de gelegenheid gesteld om zich na ontvangst van de akte binnen twee weken daarover schriftelijk uit te laten. De rechtbank heeft de man erop gewezen dat als hij niet binnen de gestelde termijn een akte van erkenning inzendt, de rechtbank kan komen tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat de man de juridisch ouder is van [minderjarige] en om die reden het verzoek alsnog kan afwijzen.
De rechtbank verwijst naar wat over het gezag is opgenomen in de beschikking.
2.1.1.
De man heeft niet binnen de gestelde termijn een akte van erkenning ingediend. De vrouw vraagt daarom het verzoek van de man om gezamenlijk gezag af te wijzen.
2.1.2.
De rechtbank oordeelt als volgt.
2.1.3.
De man heeft niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Hij heeft niet gevraagd om verlening van de termijn, noch feiten of omstandigheden gesteld die verlenging rechtvaardigen. Dit gegeven, in combinatie met de waarschuwing in de beschikking van 1 oktober 2025, leidt ertoe dat de rechtbank de beslissing omtrent het gezag niet langer uitstelt.
2.1.4.
Omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat de man de juridisch ouder is van [minderjarige] , wordt zijn verzoek om gezamenlijk gezag om die reden alsnog afgewezen.
2.1.5.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek van de man om gezamenlijk gezag af;
3.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, op 22 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.