ECLI:NL:RBROT:2025:1532
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling ongegrond verklaard
De veroordeelde was bij vonnis van 23 januari 2023 veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan hij op 1 februari 2024 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld. Tijdens deze proeftijd werd hij op 18 oktober 2024 veroordeeld voor afpersing, medeplegen van gijzeling en poging tot afpersing, gepleegd in de periode van 26 tot en met 28 maart 2024.
Het Openbaar Ministerie besloot op 5 november 2024 de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel te herroepen. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat zijn schuld nog niet vaststaat omdat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de nieuwe veroordeling en dat de herroeping disproportioneel is.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 6:2:13a Sv en artikel 6:6:9 Sv Pro het OM in redelijkheid tot de herroeping heeft kunnen besluiten. De nieuwe veroordeling tijdens de proeftijd vormt voldoende ernstige redenen om de algemene voorwaarde te hebben overtreden. Het bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard.