ECLI:NL:RBROT:2025:1532

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 januari 2025
Publicatiedatum
6 februari 2025
Zaaknummer
10-268432-21/ VI-zaaknummer: 89-000160-43 / RK nummer: 24-028974
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2:13a SvArt. 6:6:8 SvArt. 6:6:9 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling ongegrond verklaard

De veroordeelde was bij vonnis van 23 januari 2023 veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan hij op 1 februari 2024 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld. Tijdens deze proeftijd werd hij op 18 oktober 2024 veroordeeld voor afpersing, medeplegen van gijzeling en poging tot afpersing, gepleegd in de periode van 26 tot en met 28 maart 2024.

Het Openbaar Ministerie besloot op 5 november 2024 de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel te herroepen. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat zijn schuld nog niet vaststaat omdat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de nieuwe veroordeling en dat de herroeping disproportioneel is.

De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 6:2:13a Sv en artikel 6:6:9 Sv Pro het OM in redelijkheid tot de herroeping heeft kunnen besluiten. De nieuwe veroordeling tijdens de proeftijd vormt voldoende ernstige redenen om de algemene voorwaarde te hebben overtreden. Het bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank ROtterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10-268432-21
VI-zaaknummer: 89-000160-43
RK nummer: 24-028974
Datum uitspraak: 24 januari 2025
Beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
voor deze zaak domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. O.E. Maan, advocaat te Rotterdam,
hierna te noemen veroordeelde.

Feiten

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de veroordeelde bij vonnis van 23 januari 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
Bij beslissing van 31 januari 2024 heeft het Openbaar Ministerie (hierna ook: OM) de voorwaardelijke invrijheidstelling verleend. Deze beslissing is op 31 januari 2024 aan de veroordeelde betekend.
Op 1 februari 2024 is de veroordeelde feitelijk in vrijheid gesteld en is de proeftijd gestart.
Het OM heeft op 5 november 2024 beslist dat de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel dient te worden herroepen. Een kennisgeving van de beslissing van het OM is op 8 november 2024 aan de veroordeelde betekend.

Procedure

Het bezwaar tegen de beslissing van het OM is op 14 november 2024 door de griffie van deze rechtbank ontvangen. De raadsman van de veroordeelde heeft op diezelfde dag een onderbouwing van dit bezwaar ingediend.
De rechtbank heeft op 24 januari 2025 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
Hierbij zijn mr. O.E. Maan, gemachtigd raadsman van de veroordeelde en de officier van justitie mr. J. de Jong gehoord. De veroordeelde heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling aanwezig te zijn.

Bezwaar

De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het OM om de voorwaardelijke invrijheidstelling in haar geheel te herroepen.
Hij is op 18 oktober 2024 veroordeeld en heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, zodat deze uitspraak niet onherroepelijk is. De veroordeelde ontkent de verdenking en zijn schuld staat nog niet vast, wat betekent dat hij voor onschuldig moet worden gehouden, tot het tegendeel bewezen is.
Er zijn geen ernstige redenen om aan te nemen dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zolang er nog geen onherroepelijke uitspraak is. De vordering tot herroeping moet meelopen in het hoger beroep. Het direct herroepen van de gehele voorwaardelijke invrijheidsstelling is een disproportionele beslissing.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard omdat het OM in redelijkheid tot de beslissing tot het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft kunnen komen.
Volgens de Memorie van Toelichting volstaat voor herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling dat er een ernstige verdenking bestaat van het begaan van een (nieuw) strafbaar feit. Een redelijk vermoeden van schuld is in dit verband niet genoeg; het moet gaan om een ernstige verdenking, vergelijkbaar met de ernstige bezwaren die de toepassing van voorlopige hechtenis rechtvaardigen. Gelet op de veroordeling van 18 oktober 2024 kan worden vastgesteld dat er voldoende ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit. Gehele herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is dan ook niet disproportioneel.

Beoordeling

Ingevolge artikel 6:2:13a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
Op grond van artikel 6:6:9, eerste lid, Sv dient de rechtbank te onderzoeken of het OM bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen, een zogeheten marginale toets.
Uit de stukken in het dossier blijkt dat de veroordeelde op 18 oktober 2024 door de rechtbank Rotterdam is veroordeeld voor afpersing, medeplegen van gijzeling en poging tot afpersing. Deze feiten zijn begaan in de periode van 26 tot en met 28 maart 2024, dus in de periode waarin hij voorwaardelijk in vrijheid was gesteld.
Deze nieuwe veroordeling voor feiten, gepleegd gedurende de voorwaardelijke invrijheidstelling, is voldoende voor het aannemen van ernstige redenen dat de veroordeelde de algemene voorwaarde heeft overtreden. Dat de nieuwe veroordeling niet onherroepelijk is, doet daar niet aan af. Evenmin is er een algemene regel die vereist dat bij een ingesteld hoger beroep tegen de nieuwe veroordeling, de beslissing over de herroeping meeloopt in dat hoger beroep.
De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het OM bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het bezwaarschrift zal daarom ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is genomen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. F. Damsteegt en M.M. Dolman, rechters,
in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 januari 2025.