ECLI:NL:RBROT:2025:15325

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/9235
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.A. Kleinhout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemersArt. 15 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemersArt. 16a Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij weigering IOAW-uitkering wegens niet-naleving inlichtingenplicht

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een IOAW-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 25 juli 2025, nadat zijn eerdere bijstandsuitkering was ingetrokken wegens herhaaldelijk niet verschijnen bij gesprekken. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet is verschenen op verplichte gesprekken en niet alle gevraagde informatie heeft verstrekt, ondanks herstelverzuim.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht het niet verschijnen en het niet verstrekken van volledige informatie als grondslag heeft genomen voor het bestreden besluit. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de uitnodiging voor het eerste gesprek niet heeft ontvangen, en het verzoek om uitstel voor het tweede gesprek is gemotiveerd afgewezen. Er is sprake van een spoedeisend belang, maar onvoldoende grond voor toewijzing van de voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter stelt dat verzoeker in bezwaar alsnog alle gevraagde informatie moet verstrekken en op een afspraak moet verschijnen of een nieuwe aanvraag moet indienen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, en het college hoeft geen uitkering of voorschot te verstrekken gedurende de bezwaarprocedure.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de IOAW-uitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9235

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2025 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college,
(gemachtigden: mr. D. Gogar en mr. A. Hielkema).

Inleiding

1.1.
Met het besluit van 29 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) afgewezen.
1.2.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en mr. Schroeder als waarnemer van zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Achtergrondinformatie
2.1.
Verzoeker staat in de basisregistratie personen (Brp) ingeschreven op het adres
[adres] in Rotterdam. Op 6 juni 2025 heeft het college een fraudemelding ontvangen over de woonsituatie van verzoeker. Naar aanleiding daarvan heeft het college verzoeker uitgenodigd voor gesprekken. Verzoeker heeft niet op deze uitnodigingen gereageerd en is niet op deze afspraken verschenen, waarna het college de bijstandsuitkering van verzoeker heeft ingetrokken vanaf 25 juli 2025.
2.2
Bij aanvraag van 4 september 2025 heeft verzoeker het college verzocht om een IOAW-uitkering met een ingangsdatum van 25 juli 2025 toe te kennen.
Onderzoek naar recht op bijstand
3.1.
In verband met het beoordelen van de nieuwe aanvraag heeft het college verzoeker uitgenodigd voor gesprekken op 22 oktober 2025 en 29 oktober 2025. Verzoeker heeft niet op de eerste uitnodiging gereageerd en is ook niet op de eerste afspraak verschenen. Verzoeker heeft wel per e-mail van 24 oktober 2025 op de tweede uitnodiging gereageerd en aangegeven dat hij niet op de tweede afspraak kan verschijnen omdat hij die dag een afspraak heeft met zijn advocaat in verband met een lopende rechtszaak en er twee sterfgevallen zijn. Het college heeft vervolgens tevergeefs geprobeerd om telefonisch contact op te nemen met verzoeker, waarna het college op 24 oktober 2025 per e-mail heeft teruggekoppeld dat geen uitstel meer kan worden gegeven en verzoeker echt op de afspraak van 29 oktober 2025 moet verschijnen. Gelet op e-mailberichten van 28 oktober 2025 heeft verzoeker kennisgenomen van deze reactie. Daarna is verzoeker niet verschenen op de afspraak van 29 oktober 2025.
3.2
Verder heeft het college aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat verzoeker bij de aanvraag onvolledige informatie heeft verstrekt en dit niet voorafgaand aan het bestreden besluit heeft aangevuld, ondanks het daartoe geboden herstelverzuim. De gevraagde informatie betreft onder meer persoonsgegevens, overzichten van betaal- en spaarrekeningen en creditcards, verklaringen van stortingen op zijn rekening en de energierekening van de laatste maand. Het college concludeert dat verzoeker de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het recht op IOAW kan niet worden vastgesteld volgens het college.
Waar gaat het in deze zaak om?
4. Het college heeft op grond van het onderzoek de aanvraag om IOAW-uitkering afgewezen, omdat verzoeker de inlichtingenplicht heeft geschonden. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit, omdat hij de uitnodiging voor het eerste gesprek niet zou hebben ontvangen en tijdig zou hebben aangegeven verhinderd te zijn voor het tweede gesprek. Bovendien heeft hij inmiddels nadere informatie verstrekt die wat hem betreft in bezwaar alsnog tot een toekenning van een IOAW-uitkering zou leiden. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hem een bijstandsuitkering tijdens de bezwaarprocedure wordt verleend, dan wel een voorschot wordt verstrekt.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er een spoedeisend belang?
6.1
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6.2
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij onvoldoende middelen van bestaan heeft. Met een saldo van € 25,71 (ten tijde van het verzoekschrift), respectievelijk € 11,54 (op 2 december 2025) op zijn bankrekening komt hij de maand niet door. Het college heeft niet bestreden dat verzoeker onvoldoende middelen beschikbaar heeft om in zijn onderhoud te voorzien. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang en zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
Beoordelingskader
7. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat vindt de voorzieningenrechter inhoudelijk van deze zaak?
Mocht het college de uitkering weigeren?
8.1.
De in deze zaak te beoordelen periode loopt van 4 september 2025 (datum aanvraag) tot en met 29 oktober 2025 (datum bestreden besluit). In het kader van die beoordeling is de vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker in deze periode geen recht had op een IOAW-uitkering. Alleen als die vraag ontkennend moet worden beantwoord, is vervolgens de vraag aan de orde of er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat het college ook een IOAW-uitkering had moeten verlenen vanaf 25 juli 2025 (de gewenste ingangsdatum).
8.2.
Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn woon- en verblijfplaats en financiële situatie. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dit is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), bijvoorbeeld de uitspraak van 19 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3734. Dit geldt ook voor een IOAW-uitkering.
8.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op de gesprekken van zowel 22 oktober 2025 als 29 oktober 2025 niet is verschenen. Verzoeker voert ten aanzien van het gesprek op 22 oktober 2025 aan dat hij geen uitnodiging daarvoor heeft ontvangen. Het college heeft bewijzen overgelegd van zowel bezorging in de brievenbus op het adres van verzoeker als verzending per e-mail. Verzoeker heeft deze bezorging niet gemotiveerd betwist. Hij heeft wel gewezen op problemen met de ontvangst van zowel post als e-mail. Of die problemen inderdaad bestaan kan in het midden blijven aangezien zulke problemen voor rekening van verzoeker komen. Het is namelijk de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker om ervoor zorg te dragen dat hij zijn post op tijd ontvangt of, bij problemen rond de postbezorging, tijdig meldt dat de post naar een ander (e-mail)adres of postbusnummer moet worden gezonden. Voor zover verzoeker aanvoert dat de uitnodiging ook naar zijn gemachtigde had moeten worden gestuurd, geldt dat niet is gebleken dat de gemachtigde van verzoeker ook optrad als contactpersoon voor de IOAW-aanvraag. Op de aanvraag heeft verzoeker ook alleen zijn eigen contactgegevens vermeld. Ten aanzien van de afspraak van 29 oktober 2025 is niet in geschil dat verzoeker daarvoor tijdig is uitgenodigd. Verzoeker heeft wel verzocht om uitstel, maar dat verzoek is tijdig en gemotiveerd afgewezen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het gesprek met de advocaat uitsluitend op dezelfde dag en op hetzelfde tijdstip als de afspraak bij het college plaats moest vinden. Mede tegen de achtergrond dat de eerdere bijstandsuitkering van verzoeker is ingetrokken vanwege het herhaaldelijk niet verschijnen bij gesprekken, acht de voorzieningenrechter de afwijzing van het uitstelverzoek niet onredelijk en mocht het college het niet verschijnen op de gesprekken ten grondslag leggen aan het nemen van het bestreden besluit.
8.4
De voorzieningenrechter stelt daarnaast vast verzoeker ondanks herstelgelegenheid niet alle gevraagde informatie heeft verstrekt voorafgaand aan het bestreden besluit. Niet in geschil is dat de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het recht op een IOAW-uitkering van belang zijn. Ook het niet verstrekken van informatie mocht het college daarom ten grondslag leggen aan het bestreden besluit.
8.5
Op grond van het voorgaande is het bestreden besluit op goede gronden genomen.
Aan een beoordeling van de ingangsdatum van een IOAW-uitkering (verzocht met
terugwerkende kracht per 25 juli 2025) komt de voorzieningenrechter daarom niet toe.
Heeft bezwaar een redelijke kans van slagen?
8.6
Aangezien het gaat om een verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar is vervolgens nog de vraag of er een redelijke kans is dat als gevolg van de heroverweging in bezwaar alsnog de IOAW-uitkering zal worden verstrekt. De voorzieningenrechter ziet daartoe onvoldoende grond. Weliswaar zijn op 25 november 2025 alsnog bank- en creditcardgegevens overgelegd door verzoeker, maar deze dienen nog inhoudelijk te worden beoordeeld door het college en er dient nog een afspraak op kantoor plaats te vinden, onder meer om de woonsituatie van verzoeker te bespreken. Daarnaast is ter zitting besproken dat de overgelegde informatie nog niet volledig is. Het college heeft er terecht op gewezen dat verzoeker bij herhaling is verzocht om ook informatie te verstrekken over de herkomst van geld gestort op de betaalrekening en verklaringen over te leggen van de betreffende personen. Op de bankafschriften zijn stortingen van derden op de betaalrekening zichtbaar zijn en verzoeker had hierover informatie moeten verstrekken. Deze informatie is niet verstrekt. Gesteld noch gebleken is dat verzoeker de gevraagde informatie niet kon verstrekken. Daarmee is de verstrekte informatie nog altijd onvolledig.
8.7
Het ligt op de weg van verzoeker om in bezwaar alsnog alle gevraagde informatie te verstrekken en te verschijnen op een afspraak, dan wel een nieuwe aanvraag in te dienen voor een uitkering. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat het college zich ter zitting bereid heeft getoond om op korte termijn een nieuwe afspraak in te plannen en de aanvraag nader te beoordelen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dit betekent dat het college geen uitkering of voorschot hoeft te verstrekken aan verzoeker hangende de procedure tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een IOAW-uitkering. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Kleinhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van G.L. Bolkestein, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
De voorzieningenrechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: wettelijk kader

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Artikel 13, eerste lid luidt:
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door burgemeester en wethouders kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 15, eerste lid luidt:
Het college stelt het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast.
Artikel 16a, eerste lid luidt:
Indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, wordt de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om uitkering aan te vragen.