ECLI:NL:RBROT:2025:15361

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1989 – FT RK 25/1992
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium ex artikel 287b Faillissementswet voor huurwoning

Verzoekster heeft op 31 oktober 2025 een verzoek ingediend ex artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. Dit verzoek volgt op een vonnis van 7 augustus 2025 waarin ontruiming werd bevolen. Verzoekster raakte in financiële problemen nadat haar opdrachtgever failliet ging, maar is inmiddels weer werkzaam in de zorg met een stabiel inkomen van circa € 2.500 per maand, voldoende om de huur van € 641,18 te voldoen.

De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming op 5 november 2025 en weegt het belang van verzoekster om in haar woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen tegen het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Gezien de stabiele financiële situatie en tijdige betaling van de huurtermijnen weegt het belang van verzoekster zwaarder.

De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe voor zes maanden vanaf 3 november 2025, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen. Schuldhulpverlening zal verslag uitbrengen over het traject.

De uitspraak is gedaan door rechter E.A. Vroom op 1 december 2025.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder de voorwaarde van tijdige huurbetaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 1 december 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 31 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van 3 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 november 2025.
Ter zitting van 21 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer T. Macic, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij in de problemen is geraakt toen zij werkzaam was als zelfstandige in de zorg en haar opdrachtgever in staat van faillissement werd verklaard. Verzoekster heeft hierdoor enige maanden geen inkomsten gehad. Verzoekster is thans 28 uur per week werkzaam in de zorg via een uitzendbureau. Zij heeft een inkomen van circa € 2.500,-- per maand. Dit inkomen is voldoende om de lopende huurtermijnen van € 641,18 per maand te voldoen. De huur over de maanden oktober en november 2025 zijn voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de financiële situatie van verzoekster stabiel is. Schuldhulpverlening zal verzoekster helpen bij het schuldhulpverleningstraject. Verzoekster is alle gemaakte afspraken nagekomen. Zij is gemotiveerd om haar schulden op te lossen. Verzoekster is zich er van bewust dat de lopende huurtermijnen tijdig dienen te worden voldaan.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een brief van de deurwaarder van 18 september 2025 en een (ongedateerd) afschrift van een betekeningsexploot heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 5 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 7 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft inkomen uit arbeid van circa € 2.500,-- per maand. Dit inkomen is voldoende om de lopende huurtermijnen van € 641,18 per maand te voldoen. Er zijn betaalbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de huur over de maanden oktober en november 2025 tijdig is voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de financiële situatie van verzoekster stabiel is. Verzoekster is zich er van bewust dat zij voor tijdige betaling van de lopende huurtermijnen dient zorg te dragen. Schuldhulpverlening zal verzoekster helpen met het schuldhulpverleningstraject. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 7 augustus 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 3 november 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.