ECLI:NL:RBROT:2025:15366

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
ROT 24/8455
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om inzage in persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) door eiseres tegen de minister van Financiën

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 17 december 2025, wordt het verzoek van eiseres om inzage in haar persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) behandeld. Eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. H.A. Wiggers, heeft een verzoek ingediend bij de minister van Financiën om inzage in haar persoonsgegevens die zijn verwerkt in de FSV. De minister heeft eiseres gedeeltelijke inzage verleend, maar heeft het verzoek om te delen welke instantie haar gegevens heeft opgevraagd afgewezen. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. De rechtbank legt uit dat de minister op basis van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld. De rechtbank stelt vast dat de minister niet verplicht is om de naam van de instantie die de gegevens heeft opgevraagd te delen, omdat deze instantie niet als ontvanger wordt beschouwd onder de AVG. De rechtbank benadrukt dat het inzagerecht van eiseres niet mag worden beperkt door de fiscale geheimhoudingsplicht uit artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

De rechtbank concludeert dat de minister aan de inzageverzoeken van eiseres heeft voldaan door haar een overzicht van haar persoonsgegevens in de FSV te verstrekken. De rechtbank bevestigt dat de minister niet kan delen welke instantie de gegevens heeft opgevraagd, omdat dit niet onder het toepassingsbereik van de AVG valt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en ontvangt geen vergoeding van haar proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8455

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.A. Wiggers),
en

de minister van Financiën,

(gemachtigden: mr. E.J.P. Nevens en mr. A. Talhaoui).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiseres om inzage in haar persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) en andere signaleringssystemen van de Belastingdienst. Eiseres heeft een beperkt overzicht gekregen van haar persoonsgegevens die zijn verwerkt in de FSV. Eiseres is het niet eens met het besluit van de minister. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
De minister heeft met het besluit van 28 februari 2023 het verzoek van eiseres om inzage in haar persoonsgegevens toegewezen. De minister heeft eiseres gedeeltelijke inzage gegeven in haar betreffende persoonsgegevens in de FSV. Eiseres heeft hierna verzocht om met haar te delen welke instantie haar gegevens heeft opgevraagd. Met het besluit van 24 augustus 2023 heeft de minister dit verzoek afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 22 juli 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 24 augustus 2023 afgewezen.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister.
2.6.
Na de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister opgedragen om een schermprint te overleggen van alle gegevens van eiseres in de FSV en ook welke overheidsinstantie, wanneer en om welke reden om de gegevens van eiseres heeft verzocht. De minister heeft op 25 juli 2025 een schermprint van de registratie van eiseres in de FSV overgelegd met daarbij een toelichting op de registratie en een motivering waarom eiseres deze gegevens niet mag inzien. Daarbij heeft de minister de rechtbank verzocht om met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat uitsluitend de rechtbank van de inhoud van deze stukken kennisneemt. Bij brieven van 11 en 31 juli 2025 en 29 augustus 2025 is aan eiseres medegedeeld dat de rechtbank beperking van de kennisneming gerechtvaardigd acht, omdat de overgelegde stukken onderdeel zijn van deze procedure en de stukken daarmee inzet van het geding zijn. Eiseres heeft de rechtbank op de zitting van 21 mei 2025 vooraf toestemming verleend om mede op de grondslag van deze stukken uitspraak te doen. [1] De rechtbank zal de stukken daarom betrekken bij de beoordeling van het beroep.
2.7.
Met de brief van 29 augustus 2025 heeft de rechtbank partijen schriftelijk om (stilzwijgende) toestemming verzocht voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting. Partijen konden uiterlijk op 12 september 2025 hierop hun reactie kenbaar maken. De minister heeft laten weten akkoord te zijn met een uitspraak zonder nadere zitting. Van eiseres heeft de rechtbank geen reactie ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Op 13 januari 2023 heeft eiseres de Belastingdienst verzocht om inzage in haar persoonsgegevens in de FSV. Daarnaast heeft zij gevraagd om informatie over de reden(en) waarom haar gegevens in de FSV zijn opgenomen, de datum waarop haar gegevens in de FSV zijn geregistreerd en of haar gegevens in andere signaleringssystemen zijn opgenomen.
3.2.
De minister heeft de inzageverzoeken van eiseres aangemerkt als een verzoek in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij besluit van 28 februari 2023 heeft de minister het inzageverzoek van 13 januari 2023 van eiseres toegewezen. Gebleken is dat er persoonsgegevens van eiseres zijn verwerkt in de FSV. De minister heeft in het besluit een overzicht gegeven van de persoonsgegevens van eiseres in de FSV (BSN, voorletters en achternaam). Ook is in het overzicht opgenomen de datum van opname in de FSV van 13 juli 2017 en de datum van afdoening van 18 juli 2017. Uit het overzicht volgt verder dat de minister de overheidsinstantie die verzocht heeft om de gegevens van eiseres niet met eiseres kan delen. De minister heeft toegelicht dat dit om twee redenen kan zijn: of de naam van die instantie stond niet bij de registratie in de FSV, of de minister mag de naam van die overheidsinstantie niet geven, in verband met de toezicht- of opsporingstaak van die instantie. Verder staan er aantekeningen bij het overzicht die volgens de minister niet met eiseres gedeeld kunnen worden. Hiervoor kunnen diverse redenen zijn, waaronder gegevens van derden, gegevens waarop de beperkingen van de AVG van toepassing zijn of het feit dat het geen persoonsgegevens zijn. De minister heeft verder niet kunnen vaststellen dat er met de FSV vergelijkbare systemen of applicaties zijn waarin persoonsgegevens van eiseres zijn opgenomen. Op basis van de informatie die de minister ter beschikking stond, is aan eiseres meegedeeld dat haar gegevens uit de FSV niet met derden zijn gedeeld.
3.3.
Met de brieven van 23 maart 2023 en 16 juni 2023 heeft eiseres verzocht om de naam van de instantie die haar gegevens bij de Belastingdienst heeft opgevraagd.
3.4.
In het besluit van 24 augustus 2023 heeft de minister het verzoek van eiseres om te delen welke instantie haar gegevens heeft opgevraagd afgewezen. De minister heeft toegelicht dat hij niet kan verstrekken welke instantie de gegevens van eiseres heeft opgevraagd. De minister heeft een individuele belangenafweging gemaakt en is tot de conclusie gekomen dat aan eiseres geen inzage in die informatie kan worden verleend. De minister beroept zich daarbij op de uitzonderingsgronden van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder i, van de AVG en artikel 41, eerste lid, aanhef en onder i, van de Uitvoeringswet AVG (UAVG).
3.5.
In bezwaar heeft eiseres aangegeven dat zij het niet eens is met het besluit van 24 augustus 2023. Zij wenst inzage in de systemen FSV, het Dagboek Persoonsgericht Intensief Toezicht (hierna: PIT) en het datasysteem Risico Analyse Model (hierna: RAM) en inzage in welke instantie haar gegevens heeft opgevraagd bij de Belastingdienst.
3.6.
Bij het bestreden besluit van 22 juli 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres afgewezen. Hij stelt zich op het standpunt dat alle persoonsgegevens uit de FSV aan eiseres zijn verstrekt, zodat er geen reden is om deze persoonsgegevens nogmaals aan eiseres te verstrekken. De minister heeft toegelicht dat PIT de voorganger was van FSV en dat historische gegevens in PIT (dossiers van voor 2010) en de gegevens die tussen 2010 en 2014 in behandeling waren, één op één zijn overgenomen in de FSV. Nu het signaal betreffende eiseres dat in FSV is opgenomen dateert van 13 juli 2017, is het volgens de minister niet mogelijk dat het signaal afkomstig was van PIT. De applicatie was reeds buiten gebruik gesteld in het jaar 2017. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er een onderzoek loopt naar het datasysteem RAM van de Belastingdienst, zodat het niet mogelijk is om inzage te geven in de gegevens van RAM. De minister wijst dat verzoek daarom af. Zodra het onderzoek naar RAM is afgerond neemt de minister het verzoek om inzage van eiseres van haar mogelijke gegevens in RAM opnieuw in behandeling. Ten aanzien van de verzochte informatie over de overheidsinstantie die gegevens van eiseres heeft opgevraagd, heeft de minister zijn standpunt in het besluit van 24 augustus 2023 gehandhaafd. Daarnaast heeft hij zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 15, eerste lid, en onder c, van de AVG het inzagerecht ook informatie omvat met betrekking tot de ontvanger aan wie persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt. Omdat artikel 4, negende lid, van de AVG voorkomt dat de opvragende instantie onder het begrip "ontvanger" valt, is de regel van artikel 15, eerste lid en onder c van de AVG (dat eiseres moet worden geïnformeerd over de specifieke ontvanger), niet van toepassing.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres voert aan dat de FSV en het RAM bedoeld waren voor intern gebruik binnen de Belastingdienst ten behoeve van belastingheffing en invordering daarvan. De FSV en het RAM waren en zijn uitdrukkelijk niet bedoeld voor het al dan niet op verzoek van derden verstrekken van informatie over of van belastingplichtigen. Artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) verbiedt dit. Volgens eiseres is de conclusie van de minister dat artikel 67, eerste lid en tweede lid onder c, van de AWR hem verbiedt om eiseres mee te delen welk overheidsorganisatie of andere derde in 2017 om informatie heeft verzocht en welke vragen er zijn gesteld, dan ook onjuist. Artikel 67, eerste lid, van de AWR moet blijkens onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 november 2020 [2] strikt worden toegepast. Het betreft een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter dat voorgaat op de AVG. De bevoegde inspecteur en/of ontvanger moet deze informatie aan belanghebbende verstrekken. Artikel 67, tweede lid, van de AWR verplicht "een ieder" ook daartoe. Reden waarom eiseres vindt dat zij recht en belang heeft om te worden geïnformeerd over welke informatie betreffende haar door een derde aan de Belastingdienst in 2017 is verzocht, wie die informatie heeft verzocht en wanneer dat verzoek is gedaan. Opname in de FSV per 13 juli 2017, betekent niet dat derden niet al eerder een verzoek om informatie en de reden waarom aan de inspecteur en/of ontvanger hebben gericht.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat een inzageverzoek op grond van artikel 15 van de AVG niet mag worden beperkt door de fiscale geheimhoudingsplicht uit artikel 67 van de AWR. Het inzagerecht is namelijk een wettelijk voorschrift dat tot (beperkte) bekendmaking verplicht zoals bedoeld in artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a, van de AWR. Dat een inzageverzoek niet mag worden beperkt door de fiscale geheimhoudingsplicht, blijkt ook uit informatie van de Belastingdienst. [3]
4.2.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat in het bestreden besluit enkel een verwijzing naar artikel 67 van de AWR is gemaakt in reactie op de stelling van eiseres dat de opvragende instantie mogelijkerwijs misbruik van recht zou hebben gemaakt door bij de Belastingdienst gegevens op te vragen. In het bestreden besluit is hierbij aangegeven dat de Belastingdienst op grond van artikel 67 van de AWR in beginsel geen gegevens kan verstrekken aan een overheidsinstantie. Dit is alleen mogelijk als er een wetsbepaling is die gegevensverstrekking mogelijk maakt. Ten aanzien van de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020 waar eiseres naar verwijst, heeft de minister toegelicht dat deze uitspraak gaat over de vraag hoe de fiscale geheimhoudingsplicht uit artikel 67 van de AWR zich verhoudt tot de Wet WOB (nu Wet open overheid). De minister stelt zich terecht op het standpunt dat dat een andere rechtsvraag is dan wat in deze zaak speelt en dat deze uitspraak van de Afdeling in dit beroep niet van toepassing is omdat het bij de Wet WOB gaat om de openbaarmaking van informatie en het bij de AVG gaat om inzage van persoonsgegevens voor eiseres zelf.
5. Eiseres voert verder aan dat op grond van artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a of b van de AWR een inspecteur of ontvanger van de Belastingdienst op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van een door de minister voorgeschreven regel kan worden verplicht bepaalde informatie aan genoemde derden ten behoeve van een bepaald doel te verstrekken. De minister moet volgens eiseres op zijn minst voldoende motiveren op grond van welke wetgeving en met welk doel een derde aan de inspecteur of ontvanger in 2017 informatie mocht opvragen en welke informatie dat betrof. Eiseres wil dat kunnen controleren en vaststellen en heeft daar recht op omdat het haar gegevens betreft. Uit artikel 43c, eerste lid, aanhef en onder j, van de Uitvoeringsregeling AWR volgt welke informatie een gemeente bij de Belastingdienst mag opvragen. Eiseres voert verder aan dat de AVG gebaseerd is op en vrijwel een kopie is van een Europese verordening. Deze verordening kan volgens eiseres niet de AWR opzij zetten dan wel daaraan derogeren zonder dat dit duidelijk in een wettelijke regeling is bepaald. De AVG is niet bedoeld een bijzonder opsporingsmiddel te zijn naast de al bestaande diverse wettelijke regelingen, waaronder het strafrecht. Eiseres kan niet vaststellen of sprake is van een "bijzonder onderzoek overeenkomstig het Unierecht of het lidstatelijk recht" zoals de minister in het bestreden besluit stelt. Van een dergelijk onderzoek was destijds geen sprake en is eiseres sindsdien ook niet gebleken.
5.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. De AVG is een Europese verordening, die rechtstreekse doorwerking heeft in de nationale rechtsorde van alle lidstaten van de Europese Unie. De AVG dient daarom autonoom te worden uitgelegd, met het oog op uniforme toepassing daarvan in de gehele EU. [4] Het inzageverzoek dateert van na de inwerkingtreding van de AVG, zodat de minister bij de beoordeling van het inzageverzoek terecht het toetsingskader van de AVG heeft gehanteerd. Dat de gegevens van eiseres voor de inwerkingtreding van de AVG in de FSV zijn opgenomen maakt dit oordeel niet anders.
5.2.
Op grond van artikel 15 van de AVG heeft een betrokkene het recht op het verkrijgen van uitsluitsel over het al dan niet verwerken van hem of haar betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de informatie opgenomen onder artikel 15, eerste lid onder a tot en met h, van de AVG. Het inzagerecht beoogt de betrokkene in staat te stellen om de juistheid van de ten aanzien van hem of haar verwerkte persoonsgegevens alsmede de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
5.3.
Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG omvat het inzagerecht ook informatie met betrekking tot de ontvanger aan wie persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt. Uit artikel 4, negende lid, van de AVG volgt echter dat niet als ontvangers mogen worden beschouwd overheidsinstanties die mogelijk persoonsgegevens ontvangen in het kader van een bijzonder onderzoek overeenkomstig het Unierecht of het lidstatelijke recht; de verwerking van die gegevens door die overheidsinstanties strookt met de gegevensbeschermingsregels die op het betreffende verwerkingsdoel van toepassing zijn.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldaan aan het inzageverzoek van eiseres door haar een overzicht te verschaffen van haar gegevens die zijn verwerkt in de FSV. Uit het overzicht volgt dat de voorletters en achternaam en het BSN-nummer van eiseres in de FSV geregistreerd stonden. Deze persoonsgegevens stonden geregistreerd in de FSV, omdat een overheidsinstantie de belastinggegevens van eiseres heeft opgevraagd. De minister heeft toegelicht dat hij niet aan eiseres kan vertellen welke overheidsinstantie de gegevens heeft opgevraagd. Dit kan om twee redenen zijn: of de naam van die instantie stond niet bij de registratie in de FSV of de minister mag de naam van die overheidsinstantie niet geven, in verband met de toezicht- of opsporingstaak van die instantie. In het bestreden besluit heeft de minister toegelicht dat zo'n instantie volgens de wet- en regelgeving gegevens mag opvragen met een informatieverzoek. De minister is dan wettelijk verplicht de opgevraagde gegevens aan deze instantie te verstrekken. Voor de eigen administratie werd in de FSV geregistreerd dat zo'n verzoek was ontvangen.
5.5.
Uit de door de minister overgelegde schermprint van de registratie van eiseres in de FSV en de toelichting van de minister daarop, volgt dat een overheidsinstantie op grond van haar wettelijke taken heeft verzocht om de gegevens van eiseres. Nu de overheidsinstantie geen ontvanger is zoals bedoeld in artikel 4, negende lid, van de AVG, valt deze informatie niet onder het toepassingsbereik van artikel 15, eerste lid, van de AVG en heeft de minister deze informatie niet aan eiseres hoeven te verstrekken.
6. Ten aanzien van het verzoek van eiseres om inzage in haar persoonsgegevens in de signaleringssystemen PIT en RAM merkt de rechtbank nog het volgende op. De minister heeft in het bestreden besluit en ter zitting toegelicht dat het systeem PIT in 2017 is uitgezet, dat de daarin opgeslagen informatie één op één is overgenomen in de FSV, dat het verzoek van de overheidsinstantie gekomen is nadat PIT is uitgezet en dat het daarmee niet mogelijk is dat het signaal in de FSV afkomstig is uit het PIT. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze toelichting te twijfelen. Van informatie uit het PIT die de minister met eiseres had moeten delen, is dan ook geen sprake. Ten aanzien van het systeem RAM heeft de minister toegelicht dat hier nog een onderzoek naar loopt zodat het op dit moment niet mogelijk is om een overzicht van de gegevens van eiseres uit dat systeem op te vragen. De minister heeft daarbij aangegeven dat het inzageverzoek van eiseres dat ziet op het RAM opnieuw in behandeling zal worden genomen wanneer het onderzoek is afgerond. De rechtbank gaat ervan uit dat de minister deze toezegging zal nakomen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
3.Zie ook KG:214:2024:1 Een inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG en artikel 67 AWR | Kennisgroepen (https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/publicaties/kg02420241-een-inzageverzoek-op-grond-van-artikel-15-avg-en-artikel-67-awr/).
4.Dit volgt uit artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de EU.