ECLI:NL:RBROT:2025:15367

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
10-313993-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van mishandeling en aanranding door een minderjarige in Rotterdam met oplegging van leer- en werkstraffen

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2009, die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere strafbare feiten, waaronder mishandeling en aanranding. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in een korte periode, van juni tot juli 2024, verschillende geweldsdelicten heeft gepleegd tegen meerdere slachtoffers, waaronder minderjarigen. De verdachte heeft onder andere slachtoffer [slachtoffer 1] vastgepakt en betast, en slachtoffer [slachtoffer 2] een klap in het gezicht gegeven, waardoor deze zwaar lichamelijk letsel opliep. De officier van justitie had een jeugddetentie geëist, maar de rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan slachtoffer [slachtoffer 2]. De rechtbank heeft de verdachte wel veroordeeld voor de andere feiten en heeft een deels voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd, evenals een leerstraf en werkstraf. De rechtbank heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn licht verstandelijke beperking en de aanbevelingen van deskundigen. De rechtbank heeft ook bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder begeleiding door de jeugdreclassering en deelname aan een behandeling voor seksueel overschrijdend gedrag. De rechtbank heeft de vorderingen van benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld tot schadevergoeding aan de slachtoffers.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 10-313993-24
Datum uitspraak: 18 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ( [land] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] , [woonplaats] ,
raadsman: mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 4 december 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D.P.L. ter Laak heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 117 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, meewerkt aan Multi Systeem Therapie (MST) in de behandelvariant MST-PSB (Problematic Sexual Behavior), en meewerkt aan een behandeling in verband met seksueel overschrijdend gedrag en/of seksuele voorlichting bij De Waag of een soortgelijke instelling;
  • met opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht;
  • veroordeling van de verdachte tot het verrichten van de leerstraf So-Cool.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak feit 2 primair
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 primair ten laste gelegde, het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Uit het dossier blijkt dat de aangeefster zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het handelen van de verdachte. Zij heeft een gebroken bovenarm opgelopen waaraan zij is geopereerd en heeft tot op de dag van vandaag blijvende klachten. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij de aangeefster een klap heeft gegeven en dat hij hierbij geen controle had over zijn hand. Toen hij zag dat de aangeefster leek te vallen heeft hij haar een duw gegeven. De verdachte was die dag gefrustreerd en wilde de aangeefster graag “pakken”, zoals hij zelf heeft verklaard. Die combinatie van handelingen en het ontbreken van de controle maakt dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster.
4.1.2.
Beoordeling
Op grond van het onderzoek ter zitting en de inhoud van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II, stelt de rechtbank het volgende vast.
De verdachte heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij in de ochtend van 18 juli 2024 een pornografisch filmpje had bekeken. Toen hij daarna naar zijn stage fietste bedacht hij dat hij ook graag seksuele handelingen wilde verrichten met een vrouw. Toen de verdachte de aangeefster zag lopen besloot hij dat hij seksuele handelingen met haar wilde verrichten. Hierop heeft de verdachte de aangeefster hard vastgepakt en in het gezicht geslagen. Door de klap leek zij te vallen. Vervolgens heeft de verdachte de aangeefster een duw gegeven waarna zij op de grond viel. Door de val heeft zij haar linker bovenarm gebroken, waaraan zij is geopereerd en waar zij tot op heden hinder van ondervindt.
Uit het vorenstaande volgt dat de verdachte op 18 juli 2024 geweldshandelingen heeft verricht als gevolg waarvan de aangeefster zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van het opzettelijk toebrengen van voornoemd zwaar lichamelijk letsel, al dan niet in voorwaardelijke zin.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte daadwerkelijk het doel had om de aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, waardoor geen sprake is van ‘vol’ opzet. Zijn doel was om seksuele handelingen met de aangeefster te verrichten.
Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de gebroken linker bovenarm – is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Het slaan in het gezicht en het vervolgens geven van een duw leveren naar het oordeel van de rechtbank in deze omstandigheden geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op en ook is dit geven van een duw waardoor iemand ten val komt naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat het door de verdachte uitgeoefende geweld weliswaar zeer kwalijk is, maar dat het niet zodanig was dat daaruit kan volgen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaardt dat zijn gedragingen een gebroken bovenarm bij de aangeefster tot gevolg zouden hebben.
De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat er sprake is geweest van het opzettelijk toebrengen van voornoemd zwaar lichamelijk letsel, al dan niet in voorwaardelijke zin.
4.1.3.
Conclusie
Het onder 2 primair is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4.2.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
hij op 15 juni 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
door geweld
of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
- het onverhoeds vastpakken van [slachtoffer 1] en
/of
- het onverhoeds vastgrijpen en
/ofbetasten van de vagina van die [slachtoffer 1] die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het
plegen en/ofdulden van
een of meerontuchtige handelingen, te weten
hetvastgrijpen en
/ofbetasten van de vagina van die [slachtoffer 1] ;
2. subsidiair
hij op 18 juli 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer 2]
(met kracht
)bij haar armen vast te pakken;
-
(met kracht
) een (of meerdere)klap
(pen
)in het gezicht van die [slachtoffer 2] te geven, en
/of (met kracht
)die [slachtoffer 2] een duw te geven, waardoor die [slachtoffer 2]
(hard
)op de grond ten val is gekomen;
3.
hij op 17 juli 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
[slachtoffer 3] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer 3]
(met kracht
)een duw tegen haar lichaam te geven, als gevolg waarvan die [slachtoffer 3]
(hard
)ten val is gekomen;
4.
hij op 16 juli 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
[slachtoffer 4] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer 4] met zijn vuist tegen haar hoofd te slaan;
- het hoofd van die [slachtoffer 4] met zijn beide armen beet te pakken;
5.
hij op 15 juli 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
met een persoon, te weten [slachtoffer 5] ,
een of meerseksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het onverhoeds betasten van en
/ofknijpen in de borst van die [slachtoffer 5] terwijl hij, verdachte, wist
, althans ernstige reden had om te vermoedendat bij die [slachtoffer 5] daartoe de wil ontbrak.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
1.
Feitelijke aanranding van de eerbaarheid;
2. subsidiair
Mishandeling;
3.
Mishandeling;
4.
Mishandeling;
5.
Opzetaanranding.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd in een korte periode schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.
Allereerst heeft de verdachte zich op 15 juni 2024 schuldig gemaakt aan aanranding van slachtoffer [slachtoffer 1] door haar vast te pakken en haar vagina te betasten. Een maand later heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan aanranding van slachtoffer [slachtoffer 5] door onverhoeds haar borst te betasten en erin te knijpen. De verdachte heeft zich bij deze feiten enkel laten leiden door zijn eigen behoeften en heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Dergelijke feiten kunnen voor slachtoffers ernstige gevolgen hebben die zij nog lange tijd met zich dragen, hetgeen ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] . Zo voelen zij zich minder veilig op straat en heeft slachtoffer [slachtoffer 5] middels de therapie die zij al volgde geprobeerd om het incident een plekje te geven. Daarbij komt dat slachtoffer [slachtoffer 1] slechts elf jaar oud was ten tijde van het feit. Algemeen bekend is dat juist aan minderjarigen die nog in een seksuele ontwikkelingsfase verkeren extra schade kan worden toegebracht door dit soort feiten. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Ook heeft de verdachte zich op 16 juli 2024 schuldig gemaakt aan mishandeling waarbij hij slachtoffer [slachtoffer 4] tegen haar hoofd heeft geslagen en haar bij haar armen heeft beetgepakt. Een dag later heeft de verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan mishandeling van slachtoffer [slachtoffer 3] , door haar met kracht een duw tegen het lichaam te geven als gevolg waarvan het slachtoffer is gevallen. Tot slot heeft de verdachte zich een dag later schuldig gemaakt aan mishandeling van slachtoffer [slachtoffer 2] door haar vast te pakken, een klap in het gezicht te geven en een duw te geven waardoor zij hard op de grond is gevallen en zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit alles heeft de verdachte gedaan omdat hij had besloten dat hij met deze vrouwen seksuele handelingen wilde verrichten. Dergelijke geweldsfeiten hebben grote impact op de slachtoffers, hetgeen onder andere blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring van slachtoffer [slachtoffer 2] . Zij wordt nog altijd beperkt in haar dagelijks handelen. Ook veroorzaken dergelijke geweldsfeiten onrust binnen de samenleving. Het gevoel van onveiligheid neemt door dit soort incidenten steeds grotere vormen aan, te meer nu de gepleegde feiten op klaarlichte dag op de openbare weg, in een park, hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft hierbij ook niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 17 november 2025. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.
Het algemeen recidiverisico komt uit op midden en het totaal dynamisch risico profiel komt uit op laag. De Raad is van mening dat een voorwaardelijke jeugddetentie geen pedagogische meerwaarde heeft. De verdachte heeft behandeling nodig, die hij binnen de justitiële jeugdinrichting niet zal krijgen. Daarnaast is de verdachte sinds het laatste tenlastegelegde delict niet gerecidiveerd en is sprake van veel beschermende factoren. Zo woont de verdachte bij zijn ouders waar hij een goede band mee heeft, gaat de verdachte naar school en heeft hij goede sociale contacten. De risicofactoren liggen voornamelijk in het feit dat de verdachte geen gestructureerde vrije tijdsbesteding heeft en bij de verdachte een verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een parafiele stoornis is vastgesteld. De Raad acht het daarom noodzakelijk dat de focus ligt op behandeling, toezicht en begeleiding om de kans op herhaling te verlagen. De Raad adviseert daarom de leerstraf So-Cool. Daarnaast is een onvoorwaardelijke werkstraf overwogen, maar daardoor kan de verdachte, naast de leerstraf en een MST-PSB traject, overvraagd worden. Geadviseerd wordt daarom om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de periode van het voorarrest, met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding van de jeugdreclassering en meewerkt aan de hulverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht.
GZ-psycholoog drs. [persoon A](NIFP) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 5 februari 2025. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een licht verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een ongespecificeerde parafiele stoornis. Dit was ook aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Indien de ten laste gelegde feiten worden bewezen, wordt geadviseerd om deze in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De verdachte is een licht verstandelijk beperkte adolescent. Hij functioneert sociaal emotioneel op een veel jonger niveau en is tegelijkertijd in de puberteit beland waarin hij seksuele gevoelens heeft ontwikkeld. Hierbij is de verdachte in aanraking gekomen met pornografische filmpjes, die hij onvoldoende kan onderscheiden van de realiteit. De ouders van de verdachte hebben hierop onvoldoende toezicht gehad. Zonder interventies acht de deskundige het recidiverisico op seksueel overschrijdend gedrag hoog. Om dit risico te beperken, is het van belang dat de verdachte de leerstraf So-Cool volgt, die aansluit bij zijn intellectuele mogelijkheden. Verder adviseert de deskundige een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde dat passende seksuele voorlichting en training aan de verdachte wordt geboden, zodat hij leert wat passende grenzen zijn voor zichzelf en voor een ander en leert omgaan met zijn seksualiteit, sociale media en het zien van porno. Ook is het belangrijk dat hulpverlening in de vorm van MST-PSB vanuit De Viersprong wordt ingezet, zodat de verdachte samen met zijn ouders begeleiding krijgt.
Deskundige [persoon B], werkzaam als jeugdreclasseerder bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, heeft op de zitting naar voren gebracht dat het goed gaat in de thuissituatie en dat er op geen enkel vlak zorgen zijn. De verdachte gaat naar school, heeft nu een goede invulling van zijn vrije tijd en werkt mee met de hulpverlening. Ook zijn er geen politiecontacten geweest. De hulpverlening in de vorm van MST-PSB is reeds ingezet en dat verloopt goed. Daartegenover staat dat de strafbare feiten ernstig zijn en dat er sprake is van een licht verstandelijke beperking bij de verdachte waardoor het de vraag is in hoeverre de verdachte leerbaar is. Op dit moment vermijdt de verdachte al het contact met vrouwen en kijkt hij geen pornografische filmpjes, maar voor de toekomst is het belangrijk dat hij wordt begeleid in zijn seksuele ontwikkeling. Het is van belang dat de verdachte behandeling krijgt, maar afgevraagd kan worden in hoeverre de verdachte leerbaar is en de hulpverlening beklijft. De jeugdreclassering heeft deze vraag neergelegd bij het expertiseteam en hopelijk kan op korte termijn een verder plan van aanpak worden gemaakt. De jeugdreclasseerder benadrukt dat betrokkenheid van de jeugdreclassering bij de verdachte de komende tijd in ieder geval noodzakelijk is.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toerekeningsvatbaarheid
De conclusie van de psycholoog wordt gedragen door haar bevindingen. De rechtbank neemt die conclusies over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis die ook aanwezig was ten tijde van de tenlastegelegde feiten acht de rechtbank de verdachte voor deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar.
Straffen
Gezien de ernst van de feiten, die kort na elkaar en in hetzelfde park hebben plaatsgevonden omdat de verdachte steeds op zoek was naar seksuele bevrediging, kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat de verdachte sinds 3 oktober 2024 in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt en dat hij zich goed heeft gehouden aan zijn schorsingsvoorwaarden. De verdachte stelt zich begeleidbaar op, werkt mee aan de ingezette behandeling en neemt verantwoordelijkheid voor wat hij heeft gedaan. Daarnaast is de verdachte een first-offender en kunnen de feiten vanwege zijn stoornis in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. De Raad en de jeugdreclassering adviseren om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen vanwege zijn kwetsbaarheid. De rechtbank zal alles afwegende daarom een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen voor de duur van het reeds ondergane voorarrest. Dat betekent dat de verdachte niet meer hoeft vast te zitten.
Daarnaast wordt, zoals geadviseerd door de deskundigen, een taakstraf in de vorm van de leerstraf So-Cool Regulier voor de duur van 40 uren opgelegd.
De rechtbank zal verder, gelet op de adviezen van de Raad en de jeugdreclassering waaruit blijkt dat bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf en begeleiding van de jeugdreclassering noodzakelijk zijn, een voorwaardelijke straf opleggen in de vorm van een werkstraf, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. De rechtbank legt op dit punt een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, de verdachte vrijspreekt van het onder 2 primair ten laste gelegde. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten
[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Gelet op de ernst van de feiten en de rapportages van de psycholoog, de Raad en de jeugdreclassering, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

8.1.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 700,- aan materiële schade en een bedrag van € 7.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente, met uitzondering van de gevorderde schadepost ‘benzinekosten’. De benadeelde partij dient ten aanzien van deze kostenpost niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu dit onvoldoende is onderbouwd.
8.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de schadepost ‘benzinekosten’ nu deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering dient te worden gematigd tot € 1.000,- gelet op artikel 15.3 onder B van de Rotterdamse schaal. Het feit dient te worden beoordeeld als ‘een ernstige aanranding’, omdat het gaat om een eenmalige aanranding waarbij het slachtoffer is betast boven de kleding. Daarbij moet aansluiting worden gezocht bij de ondergrens, omdat geen sprake is van het aanraken van ontblote lichaamsdelen. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. De door de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie heeft betrekking op niet vergelijkbare zaken, omdat daarbij sprake was van verdergaande seksuele handelingen.
8.1.3.
Beoordeling
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het deel van de vordering dat betrekking heeft op de kostenpost ‘benzinekosten’ niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van het overige deel van de gevorderde materiële schade, te weten de kostenpost ‘kleding’ ten bedrage van € 200,- stelt de rechtbank vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Dit deel van de vordering is door de verdachte niet weersproken en is genoegzaam onderbouwd, waardoor dit zal worden toegewezen.
Ook is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Hoewel de benadeelde partij de geleden schade niet met concrete stukken heeft onderbouwd, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Uit de vordering en de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt voldoende dat het slachtoffer tot op de dag van vandaag worstelt met de gevolgen van de aanranding. Bij de begroting van de schade heeft de rechtbank acht geslagen op paragraaf 15.3 onder B van de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van de schade. De rechtbank heeft bij de begroting van de schade ook gelet op andere relevante factoren, waaronder de ernst van het feit en de zeer jonge leeftijd van de benadeelde partij.
Gelet op al het voorgaande, zal de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 1.500,-. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal dus tot voornoemd bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 juni 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.1.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.700,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
8.2.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer 2] , bijgestaan door mr. C.M. Díaz, ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 17.886,95 aan materiële schade en een bedrag van € 14.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de vordering tot materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de kostenposten ‘verzorgingskosten’, ‘medische kosten’, ‘reiskosten’ en ‘verlies van zelfwerkzaamheid’ kunnen worden toegewezen. Het deel van de vordering dat ziet op de kostenposten ‘huishoudelijke hulp’ en ‘verlies van zelfwerkzaamheid’ is onvoldoende onderbouwd en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
8.2.2.
Standpunt verdediging
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de gehele vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Een vordering van een dergelijke omvang en complexiteit hoort niet thuis in een strafzaak, laat staan een jeugdstrafzaak. Er is geen sprake van ‘equality of arms’, omdat door de benadeelde partij een letselschadeadvocaat wordt ingeschakeld en door de verdachte een strafrechtadvocaat om zijn belangen in de strafzaak te behartigen. Bovendien ontvangt de letselschadeadvocaat vanwege het wettelijke systeem voor de civielrechtelijke vordering in een strafzaak een hogere vergoeding dan de strafrechtadvocaat die de verdediging voert én verweer moet voeren tegen een vordering. Dit betekent dat het speelveld tussen enerzijds de verdachte en anderzijds de benadeelde partij volledig uit balans is.
Subsidiair worden de gevorderde materiele kosten betwist en wordt verzocht dat deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk te verklaren. Ook de immateriële wordt betwist en wordt verzocht om een lager bedrag toe te wijzen.
8.2.3.
Beoordeling
De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het strafbare feit veel gevolgen heeft gehad voor de benadeelde partij en dat zij daar nog dagelijks last van heeft. Uit haar vordering blijkt verder dat zij ten gevolge van het door de verdachte gepleegde strafbare feit forse schade heeft opgelopen. De bepaling van (de hoogte van) de materiële schade is echter zodanig complex dat dit, zoals door de officier van justitie en de raadsman naar voren gebracht, een onevenredige belasting van het strafgeding met zich zou brengen. Daarbij komt dat er op dit moment bij de benadeelde partij nog geen sprake is van een medische eindtoestand. Dit maakt dat de omvang van de immateriële schade zonder nader onderzoek op dit moment niet kan worden bepaald. De benadeelde partij zal daarom in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8.2.4.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
8.3.
Benadeelde partij [slachtoffer 5]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer 5] , bijgestaan door mr. D.W. Roos, ter zake van het onder 5 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.3.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de gehele vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.3.2.
Standpunt verdediging
De verdediging zich op het standpunt dat de vordering dient te worden gematigd tot € 1.000,- gelet op paragraaf 15.3 onder B van de Rotterdamse schaal. Het feit dient te worden beoordeeld als ‘een ernstige aanranding’, omdat het gaat om een eenmalige aanranding waarbij het slachtoffer is betast boven de kleding. Daarbij moet aansluiting worden gezocht bij de ondergrens, omdat geen sprake is van het aanraken van ontblote lichaamsdelen. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
8.3.3.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Hoewel de benadeelde partij de geleden schade niet met concrete stukken heeft onderbouwd, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Uit de vordering en de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt voldoende dat het slachtoffer tot op de dag van vandaag worstelt met de gevolgen van de aanranding.
Bij de begroting van de schade heeft de rechtbank acht geslagen op 15.3 onder B van de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van de schade. De rechtbank heeft bij de begroting van de schade ook gelet op andere relevante factoren, waaronder de ernst van het feit. Gelet op al het voorgaande, zal de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 1.000,-. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal dus tot voornoemd bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 juli 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.3.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 241, 246 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 3 (drie) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
leerstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren,waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject So-Cool Regulier;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
20 (twintig) dagen;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagenjeugddetentie;
bepaalt dat deze taakstraf, bestaande uit een werkstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- zal meewerken aan de behandeling MST-PSB vanuit De Viersprong;
- zal meewerken aan een behandeling in verband met seksueel overschrijdend gedrag en/of seksuele voorlichting bij De Waag of een soortgelijke instelling, te bepalen door en zo lang de jeugdreclassering dit nodig acht;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van
€ 1.700,- (zegge: duizendenzevenhonderd euro), bestaande uit € 200,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen
€ 1.700,- (zegge: duizendenzevenhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] , te betalen een bedrag van
€ 1.000,- (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] te betalen
€ 1.000,- (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Jordaan, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. mr. J.C.M. Persoon en mr. D.I. Hendriks-van Wel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2025.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op 15 juni 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
- het onverhoeds vastpakken van [slachtoffer 1] en/of
- het onverhoeds vastgrijpen en/of betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten vastgrijpen en/of betasten van de vagina van die [slachtoffer 1] ;
2.
hij op 18 juli 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, aan [slachtoffer 2] ,
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken linkerschouder, heeft toegebracht door:
- die [slachtoffer 2] (met kracht) bij haar armen vast te pakken;
- ( met kracht) een (of meerdere) klap(pen) in het gezicht van die [slachtoffer 2] te geven, en/of (met kracht) die [slachtoffer 2] een duw te geven, waardoor die [slachtoffer 2] (hard) op de grond ten val is gekomen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op 18 juli 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer 2] (met kracht) bij haar armen vast te pakken;
- ( met kracht) een (of meerdere) klap(pen) in het gezicht van die [slachtoffer 2] te geven, en/of (met kracht) die [slachtoffer 2] een duw te geven, waardoor die [slachtoffer 2] (hard) op de grond ten val is gekomen;
3.
hij op 17 juli 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
[slachtoffer 3] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer 3] (met kracht) een duw tegen haar lichaam te geven, als gevolg waarvan die [slachtoffer 3] (hard) ten val is gekomen;
4.
hij op 16 juli 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
[slachtoffer 4] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer 4] met zijn vuist tegen haar hoofd te slaan;
- het hoofd van die [slachtoffer 4] met zijn beide armen beet te pakken;
5.
hij op 15 juli 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, met een persoon, te weten [slachtoffer 5] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het onverhoeds betasten van en/of knijpen in de borst van die [slachtoffer 5] terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 5] daartoe de wil ontbrak;