ECLI:NL:RBROT:2025:15372

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/2036 – FT RK 25/2037
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een voorlopige voorziening in het kader van een moratorium op basis van artikel 287b Faillissementswet

In deze zaak heeft verzoekster op 10 november 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 en 287b van de Faillissementswet (Fw) om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft op 21 november 2025 de behandeling van het verzoekschrift gehouden. Verzoekster, die in financiële problemen verkeert, vraagt om een moratorium van zes maanden om haar huurwoning te behouden en om schuldhulpverlening te kunnen ontvangen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster voldoende inkomen heeft om de lopende huur te betalen, en dat er een bedreigende situatie is door een ontruimingsvonnis van 3 oktober 2025. De rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van verzoekster om in haar huurwoning te blijven zwaarder weegt dan het belang van verweerster, die de ontruiming wil doorzetten. De rechtbank heeft de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis opgeschort voor de duur van zes maanden, mits verzoekster haar huurtermijnen tijdig blijft betalen. Tevens is verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan zij in de toekomst een nieuw verzoek indienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 1 december 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 10 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In de oproepbrief van 11 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 november 2025.
Ter zitting van 21 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat);
  • mevrouw A.D.V. Martina, werkzaam bij stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
De advocaat heeft ter zitting verklaard dat verzoekster in de problemen is gekomen doordat verzoekster een PW-uitkering ontving op basis van de kostendelersnorm. De inwonende meerderjarige zoon moest bijdragen in de woonlasten, maar deed dit niet structureel. Inmiddels heeft de meerderjarige zoon een eigen woonruimte. Verzoekster ontvangt thans een PW-uitkering op basis van een alleenstaande van € 1.300,61 per maand, alsmede huur- en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 502,07 per maand te voldoen. De huur over de maand november 2025 is voldaan op 23 oktober 2025. Ter zitting heeft de advocaat meegedeeld dat er op 13 november 2025 een beschikking schulddienstverlening door Geldplein is afgegeven. Geldplein zal verzoekster helpen met haar schulden. Op 25 november 2025 heeft verzoekster een vervolgafspraak bij Geldplein. Tevens zal budgetbeheer worden opgestart. Verzoekster is zich ervan bewust dat zij – zolang budgetbeheer nog niet is opgestart – maandelijks zelf tijdig voor betaling van de lopende huurtermijnen dient zorg te dragen. Verzoekster wenst een oplossing voor haar schulden. Dat zij in januari 2025 geen hulp zou willen aanvaarden, is naar zeggen van verzoekster niet juist. Aan haar is destijds niet gevraagd of zij hulp wil bij het oplossen van haar schulden. Er is alleen besproken dat zij de betalingsregeling met verweerster wilde hervatten.

3.Het verweer

Verweerster heeft ter zitting meegedeeld dat zij concludeert op basis van hetgeen ter zitting is besproken dat de lopende huurtermijnen kunnen worden betaald. Verweerster heeft verzoekster in januari 2025 aangemeld bij de gemeente. Verzoekster heeft toen aangegeven geen hulp te willen. Indien verzoekster thans wel de hulp aanvaardt die haar wordt geboden om tot een oplossing van haar schulden te komen, heeft verweerster geen bezwaar tegen toewijzing van onderhavig verzoek.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 20 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 2 december 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 3 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft een inkomen uit een PW-uitkering en toeslagen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maand november 2025 is voldaan op 23 oktober 2025. De advocaat heeft ter zitting meegedeeld dat Geldplein verzoekster zal helpen met het schuldhulpverleningstraject, waarbij tevens budgetbeheer zal worden opgestart. Budgetbeheer geeft voldoende waarborg voor betaling van de lopende huurtermijnen. Verzoekster is zich er van bewust dat zij iedere maand tijdig de lopende huurtermijnen dient te voldoen zolang er geen budgetbeheer is opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 3 oktober 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
1 december 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.