ECLI:NL:RBROT:2025:15373

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1998 – FT RK 25/1999
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium op verzoek van schuldenaar in het kader van de Faillissementswet

In deze zaak heeft verzoekster op 3 november 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 van de Faillissementswet (Fw) voor een voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Fw. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift vastgesteld op 21 december 2025. Tijdens de zitting op 21 november 2025 zijn verzoekster en haar partner telefonisch gehoord, omdat zij dachten dat de zitting in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, zou plaatsvinden. Verweerster, Stichting HW Wonen, heeft een verweerschrift ingediend en de advocaat van verzoekster heeft aanvullende stukken overlegd. De rechtbank heeft op 1 december 2025 uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster en haar partner een gezamenlijke PW-uitkering van € 1.672,-- per maand ontvangen, aangevuld met inkomsten uit toeslagen en kostgeld van een meerderjarig kind. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 630,34 per maand te voldoen. Verzoekster heeft een huurachterstand van € 5.050,70, maar heeft deze op 5 november 2025 volledig voldaan. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie, aangezien verweerster op basis van een proces-verbaal van de kantonrechter het recht heeft om tot ontruiming over te gaan.

De rechtbank heeft het verzoek om een moratorium toegewezen voor een periode van vier maanden, in plaats van de verzochte zes maanden, en heeft de tenuitvoerlegging van de ontruiming opgeschort. De rechtbank heeft ook bepaald dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar dat zij in de toekomst een nieuw verzoek kan indienen. De beslissing is genomen met inachtneming van de belangen van zowel verzoekster als verweerster, waarbij het belang van verzoekster om in de huurwoning te blijven zwaarder weegt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 1 december 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 3 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 3 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 december 2025.
Ter zitting van 21 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • mr. E. Çakmak, advocaat van verzoekster;
  • mr. S. Dik, werkzaam bij Huisvestingsadvocaten, advocaat van Stichting HW Wonen (hierna: verweerster);
  • [naam 1] , werkzaam bij HW Wonen.
Verzoekster en haar partner, [naam 2] , zijn telefonisch gehoord, nu zij in de veronderstelling waren dat de zitting zou plaatsvinden in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht.
Verweerster heeft voorafgaand aan de zitting op 19 november 2025 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. De advocaat van verzoekster heeft voorafgaand aan de zitting op 20 november 2025 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 24 juni 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft tezamen met haar partner een gezamenlijke PW-uitkering van € 1.672,-- per maand en ontvangen zij inkomsten uit toeslagen. Eén van de meerderjarige kinderen zal daarnaast €150,-- per maand aan kostgeld voldoen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 630,34 per maand te voldoen. De partner van verzoekster staat reeds onder beschermingsbewind. Verzoekster heeft inmiddels een verzoek ingediend om zich onder beschermingsbewind te laten stellen bij dezelfde beschermingsbewindvoerder als haar partner. De gezamenlijke PW-uitkering wordt reeds door de uitkerende instantie naar de beschermingsbewindvoerder overgemaakt. Verzoekster heeft een voorschot op een letselschade-uitkering ontvangen, waarmee de volledige huurachterstand van € 5.050,70 is voldaan op 5 november 2025. De huur over november 2025 is op 7 november 2025 voldaan. Verzoekster is zich er van bewust dat de huur tijdig voor de eerste van de maand moet zijn voldaan en zal hiertoe afspraken maken met de beoogd beschermingsbewindvoerder. Verzoekster heeft daarnaast verklaard dat zij niet veel schulden heeft, behoudens enige schulden in haar vaste lasten. De advocaat van verzoekster heeft ter zitting meegedeeld dat de beoogd beschermingsbewindvoerder een nieuw overzicht van de schulden zal opstellen. De advocaat van verzoekster stelt dat er wel degelijk sprake is van een bedreigende situatie, de ontruiming van de woning is immers aangezegd. Dat er onderlinge afspraken zijn gemaakt, maakt dit niet anders. Verzoekster wenst een oplossing voor haar schulden en heeft inmiddels de nodige stappen ondernomen om hier hulp bij te krijgen.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verweerster stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een dringende reden, omdat verzoekster, door ondertekening van het proces-verbaal, te kennen heeft gegeven de huurwoning vrijwillig te zullen verlaten wanneer de huur en/of aflossing van de huurachterstand niet tijdig worden voldaan. Bovendien zijn er afspraken tegen finale kwijting gemaakt. Als een afspraak tegen finale kwijting teniet wordt gedaan, dan heeft een proces-verbaal geen meerwaarde meer. Nu er sprake is van een proces-verbaal en niet van een vonnis, behoort een moratorium niet tot de mogelijkheden. Daarnaast is verzoekster niet gemotiveerd om het minnelijke traject te starten. Verzoekster is zelf gestopt met beschermingsbewind. Na de rechtszaak ten overstaan van de kantonrechter is niet gebleken dat verzoekster zich heeft ingespannen om de benodigde hulp te aanvaarden. In 2021 t/m 2025 zijn er betalingsachterstanden in de huur ontstaan. Dat verzoekster nu eenmalig een groot bedrag heeft afgelost, wil niet zeggen dat haar (financiële) situatie stabiel is. Het is onduidelijk waaruit het inkomen en de vaste lasten van verzoekster en haar partner bestaan, zodat verweerster niet kan beoordelen of de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Verzoekster heeft een kopie overgelegd van het proces-verbaal van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van
24 juni 2025, waarin is vastgelegd dat de huurovereenkomst eindigt indien verzoekster de getroffen betalingsregeling niet nakomt en de lopende huurtermijnen niet tijdig betaalt, en verweerster dan mag overgaan tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster. Ook is overgelegd een kopie van het exploot van 22 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 6 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 24 juni 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster en haar partner hebben gezamenlijke inkomsten uit een PW-uitkering, toeslagen en kostgeld van een meerderjarig kind. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De gezamenlijke inkomsten worden ontvangen op de beheerrekening van de beschermingsbewindvoerder van de partner van verzoekster. Verzoekster heeft inmiddels zelf ook beschermingsbewind aangevraagd bij dezelfde beschermingsbewindvoerder als haar partner. De beschermingsbewindvoerder draagt zorg voor betaling van de vaste lasten uit het gezamenlijke inkomen. De betaling van de lopende huurtermijnen is hiermee voldoende gewaarborgd. Daarnaast is ter zitting meegedeeld dat de huur over de maand november 2025 is voldaan op 7 november 2025. Deze betaling heeft weliswaar te laat plaatsgevonden, echter verzoekster is er van doordrongen dat de lopende huurtermijnen tijdig voor de eerste van de maand moet worden voldaan en zal hiertoe afspraken maken met haar (beoogd) beschermingsbewindvoerder. De huurachterstand zoals genoemd in het betekeningsexploot van 22 oktober 2025, te weten € 5.050,70, is op 5 november 2025 volledig voldaan. Voor wat betreft het minnelijk traject heeft de advocaat van verzoekster meegedeeld dat de beschermingsbewindvoerder een overzicht van de schulden zal opstellen. Verzoekster heeft opgemerkt dat zij zelf, behoudens achterstanden in enige vaste lasten, geen schulden heeft. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank wijst het moratorium toe, maar ziet, gelet op het feit dat verzoekster ter zitting heeft meegedeeld dat zij, behoudens enige achterstanden in haar vaste lasten, geen schulden heeft, aanleiding om af te wijken van de verzochte termijn van zes maanden. De rechtbank zal het moratorium toewijzen voor vier maanden. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 24 juni 2025 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster om tot ontruiming over te gaan van de huurwoning van verzoekster gelegen aan het [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van vier maanden vanaf 3 november 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.