Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- mr. E. Çakmak, advocaat van verzoekster;
- mr. S. Dik, werkzaam bij Huisvestingsadvocaten, advocaat van Stichting HW Wonen (hierna: verweerster);
- [naam 1] , werkzaam bij HW Wonen.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die ontruiming van haar huurwoning voorkomt. Zij en haar partner ontvangen een gezamenlijke PW-uitkering en toeslagen, voldoende om de lopende huur van €630,34 per maand te voldoen. De huurachterstand van €5.050,70 is inmiddels voldaan met een voorschot op een letselschade-uitkering.
Verweerster, de verhuurder, betoogt dat er geen dringende reden is voor het moratorium omdat verzoekster vrijwillig zou vertrekken bij niet-nakoming van betalingsafspraken en dat het minnelijk traject niet serieus wordt gevolgd. De rechtbank beoordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoekster om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster.
De rechtbank wijst het moratorium toe voor vier maanden, korter dan de gevraagde zes maanden, omdat verzoekster verklaarde weinig schulden te hebben naast enkele achterstanden in vaste lasten. Tevens verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. De voorziening geldt onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Uitkomst: De rechtbank wijst een moratorium toe voor vier maanden om ontruiming te voorkomen onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.