Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
2.Het verzoek
Het verweer
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 1 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b van de Faillissementswet (Fw). Verzoeker had op 3 november 2025 een verzoekschrift ingediend, waarin hij vroeg om een moratorium voor een periode van zes maanden, om te voorkomen dat verweerster, Stichting Woonbron, het vonnis van 10 april 2025 tot ontruiming van zijn woonruimte ten uitvoer zou leggen. Tijdens de zitting op 21 november 2025 is verzoeker niet verschenen, terwijl schuldhulpverlening wel aanwezig was. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker niet heeft voldaan aan de gemaakte afspraken met schuldhulpverlening en dat hij geen bewijs heeft geleverd dat de huur voor november 2025 is betaald. Hierdoor kon de rechtbank niet vaststellen dat de betaling van de lopende huurtermijnen voldoende gewaarborgd was.
De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of er sprake was van een bedreigende situatie, zoals vereist in artikel 287b, tweede lid, Fw. Gezien de overgelegde documenten, waaronder het vonnis van 10 april 2025 en het exploot van 17 september 2025, concludeerde de rechtbank dat er inderdaad sprake was van een bedreigende situatie. Echter, de rechtbank oordeelde dat het belang van verweerster, die het vonnis tot ontruiming wilde uitvoeren, zwaarder woog dan het belang van verzoeker om in de huurwoning te blijven. De rechtbank heeft daarom het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid om in de toekomst een nieuw verzoek in te dienen.