ECLI:NL:RBROT:2025:15376

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 24-882
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15b FwArt. 3 FwArt. 288 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omzetting faillissement in schuldsaneringsregeling met toepassing hardheidsclausule

Verzoeker heeft een faillissement aangevraagd dat op 30 juli 2024 werd uitgesproken. Hij verzocht om omzetting van dit faillissement in een wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) op grond van artikel 15b Faillissementswet. De rechtbank oordeelt dat verzoeker ontvankelijk is omdat het faillissement niet op eigen aangifte is uitgesproken en hij destijds nog een lopende onderneming had.

De curator adviseert positief over het verzoek, verwacht dat verzoeker zijn verplichtingen zal nakomen en ziet geen aanleiding voor een eerdere ingangsdatum. Verzoeker heeft persoonlijke omstandigheden aangevoerd, waaronder een burn-out en relatieproblemen, die hebben geleid tot het ontstaan van schulden en het niet kunnen voldoen aan verplichtingen. Ondanks enkele schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat verzoeker de situatie onder controle heeft gekregen en gemotiveerd is zijn schulden aan te pakken.

De rechtbank wijst het verzoek toe, heft het faillissement op en spreekt de WSNP uit met een looptijd van 18 maanden vanaf 18 december 2025. Een eerdere ingangsdatum wordt niet vastgesteld omdat verzoeker vanaf april 2025 wel aflossingscapaciteit had maar geen betalingen aan de boedel heeft gedaan. Het salaris van de curator wordt vastgesteld op €11.550,70 exclusief btw.

Uitkomst: Faillissement wordt opgeheven en WSNP uitgesproken met een looptijd van 18 maanden zonder eerdere ingangsdatum.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling na faillissement
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 18 december 2025
[verzoeker],
wonende te [adres 1]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker,
curator: mr. P.A. Loeff.

1.De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn op 30 juli 2024 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
Ter terechtzitting van 9 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw J. van Duin, echtgenote van verzoeker;
  • [naam 1], faillissementsmedewerker, [naam 2].
De curator heeft na de zitting nog een aanvullende verklaring toegezonden.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Standpunten

Standpunt curator
De curator adviseert positief ten aanzien van het omzettingsverzoek. De curator verwacht, gelet op de ervaringen met verzoeker tijdens het faillissement, dat hij de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De toetsing van de goede trouw laat de curator aan de rechtbank over en de curator heeft daarover geen specifieke opmerkingen. De curator stelt zich op het standpunt dat een eerdere ingangsdatum niet aan de orde is. Vanaf april 2025 heeft verzoeker afdrachtcapaciteit, hij heeft echter geen bedragen aan de boedel afgedragen.
Standpunt verzoeker
Verzoeker heeft tot het laatste moment getracht zijn onderneming te redden, hetgeen hem niet is gelukt. Verzoeker stelt dat hij in de problemen is gekomen doordat hij vanwege persoonlijke omstandigheden niet op de bedrijfslocatie aanwezig kon zijn en omdat door personeelsleden veel schade is veroorzaakt bij derden in de uitvoering van het werk. Verzoeker heeft een fout gemaakt door – op advies van een marketingbureau – een actie te starten, waarbij klanten korting kregen, maar wel een aanbetaling moesten doen. Het betreft hier veelal particulieren die erg boos zijn op verzoeker. Verzoeker is met veel particulieren in gesprek gegaan om de situatie uit te leggen. Voor wat betreft de schuld aan het CJIB heeft verzoeker verklaard dat het hier gaat om boetes die zijn gemaakt door werknemers met bedrijfsauto’s. De hele situatie heeft bij verzoeker tot een burn-out geleid. Het huwelijk met zijn echtgenote is hierdoor ook gestrand. De verwachting is dat het huwelijk eind januari 2026 ook formeel zal zijn ontbonden. Door de stress zijn bij verzoeker ook trauma’s uit het verleden opgekomen. Daarvoor heeft verzoeker de afgelopen maanden een behandeling ondergaan. Het gaat nu beter met verzoeker en wil tot een oplossing van zijn schulden komen. Inmiddels werkt verzoeker fulltime.

3.De beoordeling

Ontvankelijkheid verzoek
Voordat de rechtbank het verzoek inhoudelijk kan behandelen, dient de vraag te worden beantwoord of verzoeker een beroep op artikel 15b, eerste lid van de Faillissementswet (hierna: Fw) toekomt. De voorwaarde die de wet in artikel 15b, eerste lid, Fw stelt, is dat, wanneer een verzoeker niet op eigen aangifte maar op rekest failliet is verklaard, wordt vastgesteld dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend.
De rechtbank stelt vast dat het faillissement niet op eigen aangifte van verzoeker is uitgesproken. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker ten tijde van de faillissementszitting nog een lopende onderneming had met werknemers. Gelet op hierop is de rechtbank van oordeel dat het destijds niet indienen van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet aan ontvankelijkheid in de weg staat en dat is voldaan aan het vereiste van artikel 15b lid 1 Fw.
De curator heeft na de zitting bij bericht van 11 december 2025 laten weten dat een akkoord niet tot de mogelijkheden behoort.
Verzoeker is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
Toelating tot WSNP en goeder trouw
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Voorts dient voldoende aannemelijk te zijn dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Gebleken is dat verzoeker enkele schulden heeft die niet te goeder trouw zijn, die zijn ontstaan binnen de driejaarstermijn. Verzoeker is immers een actie gestart waarbij hij klanten een aanbetaling liet doen, terwijl hij wist, althans behoorde te weten dat hij zijn verplichtingen niet kon nakomen. Daarnaast is er sprake van schulden aan het CJIB die naar hun aard niet te goeder trouw zijn.
Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw (artikel 288, eerste lid onder b) wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen waardoor een wending ten goede is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. De schulden zijn ontstaan in een periode dat verzoeker door persoonlijke omstandigheden het overzicht is kwijtgeraakt met betrekking tot zijn onderneming. Hij heeft daarbij verkeerd advies opgevolgd. De onderneming van verzoeker is inmiddels gestaakt door het uitgesproken faillissement. Ut de onderneming zullen geen nieuwe schulden voortvloeien. Verzoeker heeft hard gewerkt om zijn leven weer onder controle te krijgen en heeft op dit moment een fulltime dienstbetrekking. Hij is gemotiveerd om aan zijn schuldenproblematiek te werken. Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal daarom worden toegewezen (onder gelijktijdige opheffing van het op 30 juli 2024 uitgesproken faillissement).
De ingangsdatum van de WSNP
Het WSNP-traject duurt in principe 18 maanden. De Faillissementswet bepaalt dat de termijn van de WSNP in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de termijn eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald indien door verzoeker in het voortraject is voldaan aan de verplichtingen zoals deze gedurende de wettelijke schuldsaneringsregeling regeling van toepassing zouden zijn. Als uitgangspunt geldt daarbij dat verzoeker maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Het vtlb wordt berekend met de vtlb-calculator die via het internet beschikbaar is. Om voor een eerdere ingangsdatum in aanmerking te komen, moet dus maandelijks sprake zijn van aflossingen die tenminste gelijk zijn aan het genoemde verschil tussen de netto inkomsten en het vtlb. Daarnaast moet er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt worden of moet er aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heet verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Vanaf april 2025 was er sprake van afdrachtcapaciteit. Verzoeker heeft echter geen bedragen aan de boedel afgedragen. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
De rechtbank zal het salaris van de curator en de verschotten vaststellen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- heft het faillissement van verzoeker op;
- stelt het salaris van de curator en de verschotten definitief vast op € 11.550,70 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van schuldenaar;
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],geboren op [geboortedatum]-1995 te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1],
[postcode] [plaatsnaam],
voorheen h.o.d.n. [handelsnaam],
[adres 2];
- benoemt in de schuldsaneringsregeling van schuldenaar tot rechter-commissaris
mr. J.T.P. Pot;
- en stelt aan tot bewindvoerder [naam 3],
postadres: [postadres]
;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 18 december 2025 en
de duur op achttien maanden en bepaalt de looptijd daarmee op 18 juni 2027;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens
het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de
boedel toereikend is;
- draagt de bewindvoerder op de post van verzoeker in te zien.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.