In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 18 december 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van een failliete ondernemer om zijn faillissement om te zetten in een schuldsaneringsregeling (WSNP). De ondernemer had op 30 juli 2024 faillissement aangevraagd en verzocht om toepassing van de WSNP. Tijdens de zitting op 9 december 2025 werd de curator gehoord, die positief adviseerde over het verzoek, ondanks dat de ondernemer vanaf april 2025 geen afdracht aan de boedel had gedaan. De rechtbank oordeelde dat de ondernemer ontvankelijk was in zijn verzoek, omdat het faillissement niet op eigen aangifte was uitgesproken en er geen reden was om aan te nemen dat hij niet te goeder trouw was geweest in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. De rechtbank concludeerde dat de ondernemer zijn schuldenproblematiek onder controle had gekregen en dat hij gemotiveerd was om aan zijn schulden te werken. De rechtbank wees het verzoek tot toepassing van de WSNP toe, maar bepaalde dat de ingangsdatum niet eerder kon zijn dan de datum van de uitspraak, omdat de ondernemer geen eerdere ingangsdatum had verzocht en niet aan de vereisten had voldaan. De rechtbank stelde de duur van de WSNP vast op achttien maanden, met een einddatum op 18 juni 2027. Tevens werd het salaris van de curator vastgesteld op € 11.550,70, en werd de bewindvoerder benoemd.